Bestuurder met forse R/C-schuld niet bestuurdersaansprakelijk

Datum: 12 maart 2018

X was enig aandeelhouder en bestuurder van BV F die tot een kledingconcern behoorde, die 50% van de aandelen van BV G in handen had en daarvan bestuurder was. BV G hield alle aandelen van BV A, BV B en BV C. X was één van de bestuurders van deze BV’s. In 2014 gingen BV G, BV A, BV B en BV C failliet. In 2015 gingen ook X persoonlijk en BV F failliet. X had een rekening-courantschuld (R/C) aan BV F en BV F had een R/C-schuld aan BV G van elk € 533.955. De ontvanger stelde X op grond van artikel 36 IW aansprakelijk voor een bedrag van € 43.575 voor de LB-schulden van april 2014 die BV A, BV B en BV C onbetaald hadden gelaten. Volgens de ontvanger waren er jaarlijks vanuit de BV’s aanzienlijke bedragen in R/C overgemaakt naar BV F, die direct waren doorgestort naar de privébankrekening van X. X had zich volgens de ontvanger persoonlijk bevoordeeld en deze gelden gebruikt om zijn eigen hoge levensstandaard te financieren. Volgens de ontvanger was sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. X ging in beroep en stelde dat het faillissement het gevolg was geweest van marktomstandigheden en de economische crisis. Rechtbank Gelderland stelde voorop dat rechtsgeldig melding was gedaan van betalingsonmacht. De Rechtbank was het vervolgens met X eens dat de ontvanger onvoldoende had aangetoond dat de R/C-schuld van X aan BV F als een schuld aan het hele concern moest worden beschouwd. De ontvanger had volgens de Rechtbank geen bewijs geleverd van de door hem gestelde geldstromen. Overboekingen vanuit BV A, BV B en BV C in de drie jaren voorafgaand aan de gemelde betalingsonmacht waren door de ontvanger niet aannemelijk gemaakt. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat het ging om overboekingen waartoe geen redelijk denkend bestuurder zou hebben besloten. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde de aansprakelijkstellingen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.