Geen f.e.-BTW voor onderwijsinstelling met gelieerde BV

Datum: 9 maart 2018

Stichting X bood primair onderwijs aan en verrichtte daarnaast met onderwijs samenhangende activiteiten zoals het uitvoeren van zorg door interne begeleiders, het verhuren van ruimten en het detacheren van onderwijzend personeel. In december 2012 richtte zij BV Y op en nam voor 70% deel in het aandelenkapitaal van BV Y. BV Y stelde vervolgens het onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel dat bij haar in dienst was tegen vergoeding ter beschikking aan X en aan andere onderwijsinstellingen die waren aangesloten bij de overkoepelende organisatie waarvan X deel uitmaakte (A). BV Y behaalde in 2013 27,2% van haar opbrengsten uit het ter beschikking stellen van personeel aan X. De overige opbrengsten behaalde zij met het ter beschikking stellen van personeel aan de andere bij A aangesloten onderwijsinstellingen. De inspecteur wees een verzoek van BV X en BV Y af om als f.e. voor de BTW te worden aangemerkt, maar de Rechtbank Gelderland was het met X eens dat was voldaan aan het vereiste van economische verwevenheid. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden wees eerst op een arrest van 22 februari 1989 waarin de Hoge Raad had beslist dat van verwevenheid in economisch opzicht sprake was als de activiteiten van de vennootschappen in hoofdzaak strekten tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel. Het Hof leidde vervolgens uit een arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013 af dat het in dat arrest genoemde begrip "onderling niet verwaarloosbare economische betrekkingen" en het "in hoofdzaak"-criterium naast elkaar bleven bestaan. Het Hof besliste dat het begrip "onderling niet verwaarloosbaar" het criterium "in hoofdzaak" niet verving. Vooral bij een groter concern stond de toepassing van het criterium "in hoofdzaak" aan de vorming van een f.e. in de weg. X en BV Y waren volgens het Hof niet een dergelijk concern zodat de economische verwevenheid tussen hen moest worden getoetst aan het hoofdzaakcriterium. Aan het hoofdzaakcriterium was volgens het Hof voldaan als (1) de activiteiten van de lichamen in hoofdzaak strekten tot verwezenlijking van een zelfde economisch doel, zoals de bediening van een gemeenschappelijke klantenkring, of (2) de activiteiten van het ene lichaam in hoofdzaak ten behoeve van het andere lichaam werden uitgeoefend. Het "onderling niet verwaarloosbaar" criterium gold volgens het Hof niet in een situatie waarin sprake was van twee verticaal gelieerde (rechts)personen, zoals X en BV Y. Het Hof concludeerde dat X en BV Y niet in voldoende economisch waren verweven, zodat zij niet konden worden aangemerkt als f.e. voor de BTW.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 14-12-2018