Schuldsanering afgewezen omdat belastingschulden verwijtbaar waren

Datum: 12 februari 2018

X diende in oktober 2017 bij de Rechtbank een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zij had ook schulden aan de Belastingdienst, waaronder terug te betalen kinderopvangtoeslag over 2011, 2012 en 2013. Rechtbank Den Haag besliste dat het verzoek op grond van artikel 288, lid 1, onderdeel b, Fw slechts werd toegewezen als voldoende aannemelijk was dat X te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift was ingediend. X was er mee bekend dat zij in de jaren 2011, 2012 en 2013 geen recht (meer) had op kinderopvangtoeslag en had de door haar ontvangen toeslagen gebruikt voor andere uitgaven dan kinderopvangkosten. Het was volgens de Rechtbank daarom niet aannemelijk dat X ten aanzien van het ontstaan van deze belastingschulden te goeder trouw was geweest. De Rechtbank verwierp ook het beroep van X op de hardheidsclausule van artikel 288, lid 3, Fw. Volgens de Rechtbank kon worden aangenomen dat X zich sinds 2015 inspande om haar leefsituatie op orde te krijgen, maar zij was daar nog niet structureel in geslaagd. Bovendien bracht dit niet automatisch mee dat voldoende aannemelijk was dat X de omstandigheden die bepalend waren geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle had gekregen. De schuldenlast bestond voor een belangrijk deel (bijna 28%) uit hoge schulden waarvan de oorzaak was terug te voeren tot verwijtbaar handelen van X. Dit liet zich niet zomaar "wegstrepen" tegen een (verbeterde) leefwijze die strikt genomen kon worden gevergd van iedereen die in een problematische schuldensituatie verkeerde. De Rechtbank wees het verzoek van X af.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.