WW voor eega die hand- en spandiensten verrichtte in BV van partner

Datum: 9 februari 2018

X vroeg een faillissementsuitkering aan bij het UWV. Het UWV stelde dat zij geen werknemer was in de zin van de WW omdat zij geen werknemer was van de inmiddels failliete BV van haar echtgenoot Y. Volgens het UWV was op grond van de CAO voor uta-personeel een schriftelijke arbeidsovereenkomst nodig. Omdat die er niet was, was X volgens het UWV niet op grond van dezelfde voorwaarden werkzaam als een andere werknemer binnen de BV. Bovendien voerde X haar werkzaamheden uit in een verhouding die volgens het UWV in overwegende mate werd bepaald door haar (huwelijks)relatie met Y, de eigenaar van de BV. X ging in beroep. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) besliste dat het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst niet aan een arbeidsovereenkomst in de weg stond. Daarbij was van belang dat X al vanaf 1999 werkzaamheden had verricht voor de BV en daar een (financiële) tegenprestatie voor ontving. Vervolgens besliste de Centrale Raad van Beroep dat voor de vraag of er een gezagsverhouding bestond tussen X en de BV, niet bepalend was of in de praktijk opdrachten werden gegeven, maar of degene die arbeid verrichtte aan een zeker gezag was onderworpen van de wederpartij, en die wederpartij bevoegd was opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. X verrichtte schoonmaakwerkzaamheden en ondersteunde de boekhoudster. Als het nodig was, zorgde zij voor koffie en nam zij de telefoon aan. De aard van haar werkzaamheden vroeg een flexibele inzet. In het verleden hadden X en Y afspraken over haar inzetbaarheid gemaakt en X gaf ook daadwerkelijk gehoor aan die oproepen. Daarmee was volgens de CRvB duidelijk dat X instructies kreeg van Y over de aard en het tijdstip van haar werkzaamheden. Hierbij was niet van belang dat zij mogelijk eerder geneigd was gehoor te geven aan deze verzoeken omdat het om het bedrijf van haar echtgenoot ging en het voelde als werken voor zichzelf. Het feit dat geen functioneringsgesprekken werden gevoerd, betekende ook niet dat er geen controle op de werkzaamheden van X plaatsvond. Y was immers bevoegd om aanwijzingen te geven en beslissingen te nemen. Tot slot vond de CRvB van belang dat de positie die X had binnen de organisatie (aanzienlijk) lager was dan die van haar echtgenoot.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-05-2018