Prejudiciële vragen over gevolgen van Brexit voor Britten in Nederland

Datum: 9 februari 2018

De kortgedingrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie voorgelegd over de gevolgen van de Brexit voor het EU-burgerschap van in Amsterdam wonende burgers met de Britse nationaliteit. De Britten vorderden dat de Staat der Nederlanden en de gemeente Amsterdam de rechten die voortvloeien uit het EU-burgerschap respecteert, beschermt en garandeert. Volgens de voorzieningenrechter is voor de beoordeling van de vraag of het verlies van de hoedanigheid van burger van een EU-lidstaat ertoe leidt dat ook het EU-burgerschap verloren gaat van belang hoe artikel 20 VWEU moet worden uitgelegd. Omdat aan de uitleg daarvan volgens de voorzieningenrechter redelijkerwijs kan worden getwijfeld, heeft de Rechtbank twee vragen aan het EU-Hof gesteld. Zij wil weten of de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU tot een van rechtswege intredend verval leidt van het EU-burgerschap van de Britse onderdanen en daarmee tot een verval van de aan dat EU-burgerschap te ontlenen rechten en vrijheden, indien en voor zover in de onderhandelingen tussen de Europese Raad en het Verenigd Koninkrijk niet anders wordt overeengekomen. Als dat niet het geval is, wil de Rechtbank weten of er voorwaarden of beperkingen moeten worden gesteld aan het behoud van de aan het EU-burgerschap te ontlenen rechten en vrijheden. De Rechtbank hield iedere verdere beslissing aan.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-05-2018