Hogere KIA voor auto van dierenarts in maatschap

Datum: 12 January 2018

Dierenarts X participeerde met vijf andere maten in maatschap D. D investeerde in 2013 voor € 40.517 in bedrijfsmiddelen waarvoor recht bestond op kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). X investeerde in 2013 zelf voor € 56.515 in een tot het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen behorende personenauto waarvoor ook recht op KIA bestond. X had de KIA berekend op € 15.470, maar de inspecteur dacht daar anders over. Het totaal van de investeringen door de maatschap en X bedroeg € 97.032 en daarvoor gold op grond van artikel 3.41, lid 2, Wet IB 2001 een KIA van € 15.470. De KIA bedroeg 15,94% van de totale investeringen en van de totale investeringen viel € 63.268, namelijk € 56.515 en 1/6e deel van € 40.517, toe te rekenen aan X. De KIA voor X bedroeg volgens de inspecteur dan 15,94% van € 63.268, en dus € 10.085. X ging in beroep. Hof Den Bosch stelde vast dat uit de wetsgeschiedenis volgde dat de wetgever met artikel 3.41, lid 3, Wet IB 2001 had willen voorkomen dat leden van een samenwerkingsverband samen een hogere KIA ontvingen dan een individuele ondernemer of een BV die voor een zelfde totaalbedrag investeringen had gedaan. Sinds 1 januari 2010 bedroeg de KIA een vast bedrag in de derde schijf (voor het jaar 2013) van € 15.470 voor investeringen van meer dan € 55.248 en niet meer dan € 102.311. Volgens het Hof bevatte de wet, noch de parlementaire geschiedenis een aangepaste rekenregel voor een geval als dat van X waarbij het totaalbedrag van de investeringen door het samenwerkingsverband en de buitenvennootschappelijke investeringen van een lid van dat samenwerkingsverband binnen de betreffende bandbreedte viel. De door de inspecteur gehanteerde rekenregel leidde er volgens het Hof toe dat X minder KIA genoot dan uit de tabel van artikel 3.41, lid 2, Wet IB 2001, volgde. Als de maatschap niets zou hebben geïnvesteerd en X alleen voor € 56.515 aan buitenvennootschappelijke investeringen zou hebben gedaan zou hij een KIA van € 15.470 hebben genoten. De door de inspecteur gehanteerde rekenregel vond geen steun in de wettekst en was ook niet in overeenstemming met doel en strekking. De door X gebruikte rekenregel sloot volgens het Hof echter wél aan bij de tekst van artikel 3.41 Wet IB 2001, zodat aan X een KIA toekwam van € 15.470. Het Hof verklaarde het beroep van X gegrond.

Twitter
Facebook
LinkedIn