Landelijke actie BOF nieuw feit voor navordering a.b.

Datum: 2 januari 2018

Tot de huwelijksgoederengemeenschap van de op 2 maart 2010 overleden A behoorde een a.b. In de aangifte erfbelasting deden de erfgenamen X (de weduwe en haar kinderen) geen beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). In de aangifte IB 2010 van wijlen A die op 25 april 2012 werd ingediend, was geen inkomen uit a.b. aangegeven. Dee aanslag IB werd op 25 mei 2012 (geautomatiseerd) vastgesteld. In het kader van een landelijke actie waarbij gegevens waren uitgewisseld door de inspecteurs erfbelasting, kwam de inspecteur IB begin oktober 2015 ervan op de hoogte dat in de aangifte erfbelasting geen gebruik was gemaakt van de BOF en dat de vererving van de a.b. aandelen voor de erfbelasting als een belaste – niet vrijgestelde – verkrijging was aangemerkt. Uit het onderzoek van de aangifte erfbelasting van X kwam naar voren dat in de aangifte IB 2010 niet was verzocht om toepassing van artikel 4.17 Wet IB 2001 en dat geen inkomen uit a.b. ter zake van de fictieve vervreemding was aangegeven. De inspecteur legde op 6 februari 2016 een navorderingsaanslag IB 2010 op met een belastbaar inkomen uit a.b. van € 799.449. De erven X gingen in beroep. Zij stelden dat sprake was van een navordering verhinderend ambtelijk verzuim. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat de inspecteur mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte IB omdat deze aangifte een verzorgde indruk maakte. Het feit dat in de (overlijdens)aangifte geen inkomen uit a.b. was aangegeven, maakte op zichzelf niet dat de aangifte evident onjuist was. De mogelijkheid bestond immers dat er geen inkomen uit a.b. was, bijvoorbeeld omdat de waarde in het economische verkeer niet hoger was geweest dan de verkrijgingsprijs. Hieraan deed niet af dat in voorgaande jaren in de aangiften wel een a.b. was aangegeven en in de aangifte IB 2010 niet meer. Volgens de Rechtbank had de inspecteur geen nader onderzoek hoeven doen omdat in dit geval de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte IB juist was. Verder stond vast dat de inspecteur ten tijde van het vaststellen van de aanslag niet bekend was met het feit dat in de aangifte erfbelasting geen gebruik was gemaakt van de BOF, zodat volgens de Rechtbank (ook) daarin geen reden lag om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte IB. Het niet-raadplegen van de aangifte/inspecteur erfbelasting was volgens de Rechtbank geen ambtelijke verzuim. De Rechtbank besliste dat sprake was van een navordering rechtvaardigend nieuw feit en verklaarde het beroep van de erven X ongegrond. (Deze uitspraak ontvingen wij van Figures Tax Consultants te Capelle aan den IJssel, -red.)

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.