Naheffing LB voor uitzendwerkzaamheden door Belgische BVBA

Datum: 6 December 2017

De in België gevestigde X BVBA legde in opdracht van BV Y sprinklerinstallaties aan in Nederland. De werknemers van X BVBA hadden de Belgische nationaliteit, woonden in België en waren daar ook sociaal verzekerd. X BVBA factureerde BV Y op basis van de door haar werknemers gewerkte uren. De inspecteur stelde dat sprake was van het ter beschikking stellen van werknemers aan BV Y waardoor X BVBA inhoudingsplichtig was voor de Nederlandse loonheffingen. Er volgden naheffingsaanslagen loonheffingen over 2010, 2011 en 2012. X BVBA ging in beroep. Hof Den Bosch besliste net als Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat sprake was van werkzaamheden in de zin van artikel 6, lid 3, onderdeel b, Wet LB. Op grond daarvan had X BVBA voor de uitoefening van haar bedrijf een fictieve v.i. in Nederland en in zoverre was X BVBA terecht aangemerkt als inhoudingsplichtige. De werknemers hadden hun werkzaamheden voor BV Y onder leiding, toezicht en controle van projectleiders van BV Y verricht. De werkzaamheden kwalificeerden als uitzendwerkzaamheden. Nederland was ook bevoegd om te heffen omdat niet was voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden van de 183-dagenregeling. De werknemers hadden voor hun in Nederland uitgeoefende werkzaamheden niet een vergoeding ontvangen van een werkgever die zijn woonplaats in Nederland had. De naheffingsaanslagen waren terecht opgelegd, maar het Hof verminderde wel de naheffingsaanslagen omdat X BVBA en de inspecteur waren overeengekomen dat die moesten worden gebaseerd op het gemiddelde uurloon van de betreffende werknemers.

Twitter
Facebook
LinkedIn