Vroegtijdige uitspraak op bezwaar na ontbreken A1-verklaring onzorgvuldig

Datum: 4 December 2017

Binnenvaartschipper X stond op de loonlijst van een in Liechtenstein gevestigd detacheringsbureau. Het schip waarop zij werkte, was eigendom van haar echtgenoot Y en stond in Duitsland geregistreerd. X deed aangifte van een box I-inkomen van € 50.828 en verzocht daarbij zowel vrijstelling voor de premies volksverzekeringen als om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. De inspecteur wees beide verzoeken aanvankelijk af maar stelde mevrouw X later alsnog vrij van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen. De inspecteur wees het verzoek van X om een proceskostenvergoeding (PKV) voor de bezwaarfase af omdat het bezwaar ongegrond was verklaard en er daarna ambtshalve was tegemoet gekomen aan haar grieven. De informatie op grond waarvan was tegemoetgekomen, was pas ontvangen nadat uitspraak op bezwaar was gedaan. Ondanks een verzoek daartoe had X volgens de inspecteur pas na de uitspraak op bezwaar een A1-verklaring verstrekt. X ging in beroep. Zij stelde dat Nederland niet heffingsbevoegd was en claimde een proceskostenvergoeding (PKV) voor de bezwaarfase. De Rechtbank besliste dat aannemelijk was geworden dat de onderneming van Y effectief vanuit Liechtenstein werd gedreven, zodat niet was voldaan aan de onderworpenheidseis van artikel 38, lid 1, AWR. Verder besliste de Rechtbank dat de werkzaamheden aan boord van het schip niet in Liechtenstein hadden plaatsgevonden en daarom ook niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 38, lid 2, AWR. Volgens de Rechtbank werd daarom niet toegekomen aan het Besluit voorkoming dubbele belasting. Met betrekking tot het verzoek om een PKV besliste de Rechtbank dat van een belastingplichtige niet hoefde te worden verwacht dat deze begreep dat een inspecteur doorslaggevende betekenis zou toekennen aan een A1-veklaring. Een belastingplichtige kon en mocht menen dat hij op andere wijze het recht op vrijstelling van premies volksverzekeringen kon onderbouwen. Als X in de bezwaarfase de A1-verklaring had verstrekt, had zij volgens de Rechtbank in beginsel recht gehad op een PKV. Volgens de Rechtbank was sprake van onrechtmatigheid van het besluit van de inspecteur, omdat – weliswaar achteraf bezien – van meet af aan geen grondslag bestond voor de heffing van de premies. De Rechtbank vond het onbegrijpelijk dat de inspecteur eerst uitspraak op bezwaar had gedaan en pas daarna had gereageerd op een e-mail van de gemachtigde van mevrouw X terwijl duidelijk was dat de discussie in de bezwaarfase nog niet was afgerond. Door deze volgorde was mevrouw X de mogelijkheid ontnomen om tijdig tot het inzicht te komen dat de A1-verklaring voor de uitspraak op bezwaar van wezenlijk belang was. De Rechtbank besliste dat met het vroegtijdig uitspraak op bezwaar doen de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld. X kon daarom niet worden verweten dat zij niet eerder de A1-verklaring had verstrekt. X had recht op een PKV van € 1.236.

Twitter
Facebook
LinkedIn