Na aanmaning ontvangen aangiften wél ingediend, navordering Vpb terecht

Datum: 13 November 2017

BV X diende haar aangifte Vpb over 2013 niet in, ook niet na een herinnering en aanmaning. De inspecteur legde daarom een ambtshalve aanslag op naar een belastbaar bedrag van € 75.000 en een verzuimboete van € 5.278 omdat BV X stelselmatig geen aangifte deed. Ook de aangifte Vpb 2014 diende BV X niet in. De inspecteur legde over dat jaar een ambtshalve aanslag op naar een belastbaar bedrag van € 125.000. BV X maakte bezwaar tegen de aanslag 2014 en zegde de inspecteur toe dat uiterlijk 15 november 2016 alsnog de aangiften Vpb 2013 en 2014 zouden worden ingediend. BV X diende de aangiften op 29 november 2016 in. Het belastbaar bedrag over 2013 bedroeg € 196.820 en dat van 2014 € 231.212. De inspecteur merkte de aangiften aan als verzoeken om navordering. BV X stelde daarop dat de aangiften waren ingediend om op deze wijze uitstel van betaling te verkrijgen. Volgens BV X konden de aangiften niet als definitief worden aangemerkt omdat de aanslag Vpb 2012 nog niet definitief vaststond. De inspecteur handhaafde de aanslagen. Rechtbank Den Haag besliste op het beroep van BV X dat de inspecteur geen uitspraak op bezwaar over 2013 had gedaan. De Rechtbank was het echter niet met BV X eens dat uit de uitspraak op het pro forma bezwaar Vpb 2014 impliciet volgde dat deze ook zag op 2013. Uit de tekst bleek duidelijk dat de beslissing alleen zag op 2014. Over 2014 besliste de Rechtbank dat BV X de aangifte niet tijdig had ingediend, zodat vaststond dat de vereiste aangifte niet was gedaan. Dit bracht mee dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. De ambtshalve aanslag was vastgesteld aan de hand van de omzetgegevens zoals die bleken uit de BTW-aangiften en de voorbelasting en de loongegevens uit de aangifte loonheffingen. Verder was rekening gehouden met kosten. Daarmee had de inspecteur volgens de Rechtbank een redelijke schatting gemaakt. De verzuimboete was volgens de Rechtbank ook terecht opgelegd omdat BV X vanaf het oprichtingsjaar 2007 tot en met 2014 met uitzondering van het jaar 2010, geen of niet-tijdig aangifte had gedaan. De Rechtbank verklaarde het beroep tegen het jaar 2013 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het jaar 2014 ongegrond.

Twitter
Facebook
LinkedIn

Viditax 17-11-2017