A-G Wattel over aftrekuitsluiting verkoop deelneming

Datum: 10 November 2017

BV X had de drie deelnemingen: BV A (46%), BV B en BV C. In 2006 werd besloten om BV A af te stoten. Advieskantoor Z stuurde BV A op 4 juli 2007 een plan van aanpak voor de verkoop. BV X trok in 2007 € 14.999 af in verband met facturen van Z. Begin 2008 bracht Z een plan van aanpak uit met de fasen van het verkooptraject. Op 4 maart 2008 bracht BV D een bod uit op de aandelen BV A. Het bod werd niet aanvaard. Z startte in de zomer van 2008 gesprekken met andere partijen en in augustus 2008 werd een due diligence onderzoek uitgevoerd, dat in oktober 2008 werd afgerond. In december 2008 bespraken de aandeelhouders van BV X de verschillende biedingen. Op 6 april 2009 werden aan BV F de aandelen BV A verkocht en op 29 mei 2009 werden de aandelen geleverd. BV X claimde in haar aangifte Vpb 2008 aftrek van haar deel (46%) van de kosten (€ 1.022.350) in verband met de verkoop van de aandelen. Dit waren de kosten van Z, de kosten van consultancydiensten, de kosten voor een vendor due diligence, advocaatkosten en de kosten van de digitale dataroom. De inspecteur stelde dat de verkoopkosten niet aftrekbaar waren op grond van artikel 13, lid 1, Wet Vpb. BV X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland besliste dat de tot 1 juli 2008 gemaakte kosten (€ 73.112) aftrekbaar waren, maar de kosten na deze datum niet. De inspecteur en BV X gingen in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond en het hoger beroep van BV X ongegrond. Naar aanleiding van het beroep in cassatie van BV X heeft A-G Wattel een conclusie genomen. Volgens de A-G zijn in elk geval van aftrek uitgesloten de kosten van na 19 december 2008 (deadline voor firm offers en aandeelhoudersbesluit om exclusief te onderhandelen met de uiteindelijke koper). Voor de daarvóór gemaakte kosten geldt volgens de A-G een dubbel beoordelingscriterium: op het moment waarop de kosten gemaakt worden, moet een vrijgesteld vervreemdingsresultaat zowel (1) subjectief beoogd als (2) objectief te verwachten zijn. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van BV X gegrond te verklaren, maar de zaak te verwijzen omdat het Hof wel heeft vastgesteld dat in 2008 was voldaan aan het subjectieve criterium (verkoop-voornemen), maar niet had onderzocht vanaf welk moment objectief kon worden verwacht dat het tot een vrijgesteld vervreemdingsresultaat zou komen.

Twitter
Facebook
LinkedIn

Viditax 17-11-2017