Fiscalist niet aansprakelijk voor BTW-schade van cliënt/administrateur

Datum: 10 mei 2017

In 2007 was het op grond van het Charles en Charles-Tijmen-arrest van het EU-Hof van Justitie mogelijk om BTW terug te vragen bij de bouw van een woning met een (deels) zakelijke bestemming. X had in verband met een te bouwen appartement, zich voor deze "optie belaste huur" gewend tot BTW-expert Y en hem op 15 juni 2007 een opdracht verstrekt. Op 18 juli 2007 zond Y een brief aan de Belastingdienst met het verzoek om X aan te merken als BTW-ondernemer. Na een boekenonderzoek legde de inspecteur aan X naheffingsaanslagen over 2009 en 2010 en een vergrijpboete op. Op 11 november 2014 sloten X en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst over de hoogte van de aanslag en de boete. Vervolgens stelde X in een civiele procedure Y aansprakelijk voor de geleden schade voor een bedrag van € 124.062. Hij verweet Y dat hij geen schriftelijk optieverzoek aan de Belastingdienst had verzonden en dat er geen huurovereenkomst was opgesteld. Rechtbank Rotterdam besliste dat het ervoor moest worden gehouden dat van Y niet werd verwacht dat hij een huurovereenkomst zou opstellen. Het was onduidelijk waarom van Y in 2007 bij het verstrekken van de opdracht werd verwacht een huurovereenkomst op te stellen omdat de datum waarop daadwerkelijk door de BV van X een gedeelte van het appartement zou worden gehuurd nog niet vaststond. Het appartement moest nog worden gebouwd en was pas in juli 2009 in gebruik genomen. Verder had makelaar Z in opdracht van X in 2009 een huurovereenkomst opgesteld en had Y verklaard dat hij als fiscalist geen huurovereenkomsten opstelde. Ook hadden X en Y niet gekozen voor een optieverzoek. De naheffingsaanslagen waren verder ook opgelegd omdat X geen facturen had opgemaakt voor de verhuur, geen huurpenningen had ontvangen en daarvan in zijn aangifte IB ook geen melding had gemaakt. X had volgens de inspecteur dus geen uitvoering gegeven aan de gewenste BTW-structuur. De correcte uitvoering van onder meer het factureren, administreren van ontvangen en betaalde huurpenningen zou volgens de Rechtbank bij X, die zelf een administratiekantoor dreef, toch niet onbekend moeten zijn. X had zelf verklaard dat de aangiften BTW en IB door hem zelf werden opgesteld en ingediend. Zelfs als uit de huurovereenkomst bleek dat voor belaste verhuur was gekozen, dan nog had X volgens de Rechtbank de schade geleden omdat dan nog zou zijn nageheven omdat X feitelijk geen uitvoering had gegeven aan de optie belaste verhuur. Dit kon Y volgens de Rechtbank niet worden verweten. De Rechtbank wees de vordering van X af en veroordeelde hem tot het vergoeden van de proceskosten van € 6.745 van Y.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 22-01-2021