FIOD kreeg KB Lux microfiches reeds in 1995 aangeboden

Uit een proces-verbaal dat een FIOD-ambtenaar in 1996 opmaakte, blijkt dat iemand die zich als “André” presenteerde zich 6 februari 1995 bij het belastingkantoor te Amsterdam meldde als tipgever. Deze André woonde in België en had bij een bank gewerkt. André meldde dat hij onder meer van de Kredit Bank Luxemburg (KB Lux) en de Norske Bank Luxemburg gegevens kon leveren. Deze gegevens kreeg hij van vrienden. Als André de gegevens wist te verkopen, werd de opbrengst daarvan op fifty-fifty-basis verdeeld tussen hem en de vriend die de informatie verstrekte. De Franse autoriteiten hadden dergelijke in-formatie al gekocht tegen een premie van 5%. André schatte het totale belang voor Neder-land op f 100 mln. André wilde de informatie aan de Nederlandse fiscus verkopen en vroeg een provisie op basis van no cure no pay. Als monstermateriaal toonde André aan de FIOD-ambtenaar de bankgegevens van een drietal in Nederland wonende personen. Na 6 februari 1995 nam André nog diverse malen telefonisch contact op met de FIOD-ambtenaar met de vraag of de Belastingdienst wilde ingaan op zijn voorstellen. Nadat het ministerie van Financiën aan de FIOD-ambtenaar had meegedeeld dat niet werd ingegaan op het voorstel en de FIOD-ambtenaar dat vervolgens aan André had meegedeeld, heeft de FIOD-ambtenaar niets meer van André vernomen.
FIOD Amsterdam 26-11-1996 (Fida 20033295)

Ons commentaar
In november 2001 stelde het Tweede-Kamerlid De Wit (zie FutD 2001-2192) vragen over een onderzoek van de Belastingdienst naar tegoeden van Nederlanders bij buitenlandse banken. De toenmalige staatssecretaris, Wouter Bos, beaamde het bestaan van dat on-derzoek en stelde dat de gegevens waarover de Belastingdienst voor het onderzoek be-schikte, spontaan waren verstrekt door onder andere de centrale administratie van de bij-zondere belastinginspectie van het Belgische ministerie van Financiën. De staatssecretaris benadrukte dat bij de verkrijging van de gegevens de EG-richtlijn van 19 december 1977 nr. 77/799/EG inzake wederzijdse bijstand, in acht was genomen (zie FutD 2001-2326). Later werd uit een door een opsporingsambtenaar van de FIOD opgemaakt proces-verbaal in een KB Lux-zaak (zie FutD 2002-1350 met ons commentaar) duidelijk dat de door de bevoegde Belgische autoriteiten verstrekte gegevens bestonden uit fotokopieën van afgedrukte micro-fiches, die afkomstig waren uit de interne administratie van de KB Lux. Uit een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 12 september 2002 (zie FutD 2002-1763 en FutD 2002-2087 beiden met ons commentaar) bleek vervolgens dat fotokopieën van afgedrukte microfiches van de KB Lux bij brief van 27 oktober 2000 van de Eerste Attaché van Financiën, P. Sere, namens de Directeur-generaal van het Belgische ministerie van Financiën waren aange-boden aan het Nederlandse ministerie van Financiën. Bij brief van 27 april 2001 had de heer Sere namens zijn Directeur-generaal toestemming verleend de informatie aan te wenden voor strafrechtelijke doeleinden (deze brieven heeft het ministerie van Financiën na een ver-zoek van Fiscaal up to Date niet voor openbaarmaking willen vrijgeven; zie FutD 2002-2087).

Uit het bovengenoemde proces-verbaal dat de FIOD-ambtenaar in 1995 opmaakte naar aanleiding van de komst van tipgever André (waarschijnlijk één van de ex-werknemers van de KB Lux) blijkt dat het ministerie van Financiën bij ontvangst van de brief van 27 oktober 2000 met daarbij de fotokopieën van afgedrukte microfiches van de KB Lux van de heer P. Sere niet “spontaan” verrast kon en mocht zijn. Het ministerie van Financiën was namelijk al vanaf 1995 op de hoogte van de microfiches van de KB Lux omdat André zijn koopwaar in 1995 had aangeboden aan de FIOD en de FIOD-ambtenaar het ministerie van Financiën hiervan in kennis had gesteld. Ook uit een artikel in Trouw van 8 augustus 1996 (zie Fida 20033321) blijkt dat het Nederlandse ministerie van Financiën in elk geval al begin 1996 op de hoogte was van onderzoeken die het Belgische ministerie van Justitie was gestart nadat dat ministerie de beschikking had gekregen over de gegevens die ex-werknemers van de KB Lux op illegale wijze hadden verkregen. Het ministerie van Financiën droeg dus veel eer-der dan bij ontvangst van de brief van 27 oktober 2000 van P. Sere kennis van de (foto-kopieën van afgedrukte) microfiches van de KB Lux en moest bij ontvangst van de brief van 27 oktober 2000 met de microfiches hebben geweten wat de achtergronden hiervan waren. Dit betekent dat de Nederlandse Staat zich sinds het gebruik van deze microfiches in straf- en belastingprocedures vanaf 2001 niet kan verschuilen achter onwetendheid over de her-komst van de microfiches en wist of moet geacht worden te weten dat de microfiches waren gestolen of gekopieerd door werknemers van een bank met een bankgeheim. Door deze mi-crofiches in strafzaken en fiscale procedures te gebruiken, handelt de Nederlandse overheid naar onze mening op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk han-delende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van deze gegevens onder alle om-standigheden (strafrechtelijk en fiscaalrechtelijk) ontoelaatbaar is. Het zou interessant zijn om te weten waarom André niets kon verkopen in 1995. Als dat zou zijn gebaseerd op de overtuiging bij het ministerie van Financiën dat met op deze wijze verkregen gegevens (strafrechtelijk) niets gedaan kon worden, is bepaald niet uit te sluiten dat Nederland ver-volgens aan België heeft gevraagd “spontaan” aan Nederland “bepaalde” gegevens te ver-strekken. Dit zou niet de eerste keer zijn dat landen op deze wijze gegevens uitwisselen. De naïviteit van de Groningse strafrechter (zie FutD 2003-1892 met ons commentaar) zou hier-mee wel op schrijnende wijze worden onthuld.