A-G adviseert Hoge Raad uitgebreidere tekst bij 80a-arresten

In een zeer uitgebreide conclusie heeft Advocaat-Generaal (A-G) Niessen niet alleen de gegrondheid van een ingediend herzieningsverzoek onderzocht, maar heeft hij ook een uitgebreide rapportage gegeven over de achtergrond, totstandkoming en de fiscaalrechtelijke toepassing van artikel 80a van de Wet RO. Hij gaf bovendien een oplossing voor in de literatuur en praktijk gesignaleerde onduidelijkheden ten aanzien van de toepassing van artikel 80a van de Wet RO.

X ging in bezwaar, beroep en hoger beroep tegen een aanslag inkomstenbelasting 2008. De Hoge Raad wees zijn klachten in een arrest van 18 april 2014 af met toepassing van artikel 81 van de Wet RO (zie Fida 20171806). X verzocht vervolgens om herziening van dat arrest, maar de Hoge Raad verklaarde dit herzieningsverzoek op 8 juli 2016 niet-ontvankelijk onder verwijzing naar artikel 80a van de Wet RO. Naar aanleiding van een tweede herzieningsverzoek van 12 juli 2016, heeft A-G Niessen een conclusie genomen waarin hij de Hoge Raad adviseert dat verzoek ongegrond te verklaren omdat X geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd zoals artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste.

Aan de hand van schema’s, grafieken en tabellen met cijfermateriaal liet de A-G zien dat het aantal zaken waarin in de afgelopen jaren artikel 80a van de Wet RO of artikel 81 van de Wet RO is toegepast, op het totaal aantal belastingzaken acht procentpunten hoger ligt dan in de jaren waarin alleen artikel 81 van de Wet RO een verkorte motivering mogelijk maakte. De A-G stelde voorop dat bij de totstandkoming van artikel 80a van de Wet RO was aangenomen dat deze bepaling vooral van belang zou zijn in de strafsector van de Hoge Raad. Dat klopt ook, maar in de belastingsector wordt de bepaling beduidend meer toegepast dan op voorhand werd verwacht. In 2016 waren het 148 zaken en dat was 17% van het totale aantal afgedane zaken. Intussen is het aantal zaken waarin artikel 81 van de Wet RO door de belastingkamer is toegepast, gedaald van gemiddeld 46% in de jaren 2005-2012 tot gemiddeld 37% in de jaren 2013-2016. Vervolgens stelde de A-G vast dat artikel 80a van de Wet RO in 2016 in absolute zin het meest vaak werd toegepast in procedures voor de inkomstenbelasting (IB). Verder blijkt dat artikel 80a van de Wet RO het vaakst (80%) wordt toegepast in zaken met formele problemen.

Vervolgens stelde de A-G dat de Hoge Raad zijn beslissing in bijna alle 80a-arresten alleen motiveert met de gronden die zijn vermeld in artikel 80a, lid 1, van de Wet RO zoals het vierde lid mogelijk maakt. Soms vult hij de redengeving aan. Als de belanghebbende voor wat betreft het griffierecht een beroep doet op betalingsonmacht en de Hoge Raad het beroep vatbaar acht voor toepassing van artikel 80a van de Wet RO, passeert hij de vraag of sprake is van betalingsonmacht, en vermeldt hij in zijn arrest dat dit om proceseconomische redenen gebeurt. Hoewel de wet toestaat dat een “echte” motivering achterwege blijft in dit soort zaken, neemt dat volgens de A-G niet weg dat dit voor belanghebbenden en eventuele gemachtigden onbevredigend is en dat het leereffect van dergelijke arresten vrijwel nihil is. Volgens de A-G motiveert Hoge Raad de ongegrondverklaring van het beroep in zaken waarin artikel 80a van de Wet RO aan de orde is, nagenoeg altijd met de tekst die in het eerste lid van artikel 80a van de Wet RO staat. De A-G adviseert de Hoge Raad een inhoudelijk meer toegespitste standaardoverweging op te nemen in gevallen waarin dit mogelijk is zonder de beoogde efficiencyvoordelen van artikel 80a te verspelen.

De A-G adviseert de Hoge Raad standaardoverwegingen toe te voegen die de grond voor de afwijzing van de klachten aanwijst zonder deze in concreto te behandelen. Daarbij gaf hij een aantal voorbeelden van teksten waaruit de Hoge Raad, afhankelijk van de zaak, zou kunnen kiezen, zoals: de klachten zijn ongegrond, omdat zij (a) zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten, die door het Hof voldoende is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is, zodat deze in cassatie onaantastbaar is, (b) zijn gericht tegen de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen, (c) zij berusten op een rechtsopvatting die in eerdere rechtspraak van de Hoge Raad is verworpen, (d) berusten op feitelijke stellingen die niet voor het Hof werden aangevoerd of (e) miskennen dat de wet in formele zin niet aan ongeschreven rechtsbeginselen kan worden getoetst”. Dit leidt er volgens de A-G toe dat de Hoge Raad duidelijker laat zien dat het beroep serieus is bestudeerd en dat het griffierecht niet voor niets is betaald.

Zijn advies aan de Hoge Raad over de motivering van artikel 80a Wet RO-arresten, geldt volgens A-G Niessen ook in gevallen waarin de Hoge Raad voor de motivering een beroep doet op artikel 81 van de Wet RO. De verschillen tussen de gevallen waarin het hier gaat, zijn echter zo groot dat geen in die gevallen geen globale motivering met standaardgronden kan worden gegeven.

Advocaat-Generaal 28-3-2017, nr. 16/03548 (Fida 20171781)

Ons commentaar
Op grond van het per medio 2012 ingevoerde artikel 80a, lid 1, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO) kan de Hoge Raad een cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren als er “klaarblijkelijk onvoldoende belang” is bij het cassatieberoep of de klachten “klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden”. Deze processuele regeling geldt voor zowel civiele, straf- als belastingzaken die bij de Hoge Raad aanhangig worden gemaakt. De regeling is bedoeld om zaken op eenvoudige wijze af te doen als zij bij voorbaat kansloos of voor cassatie ongeschikt zijn. Hieraan verwant is de regeling van de eenvoudige afdoening van artikel 81 van de Wet RO. De Hoge Raad past dit artikel toe als het gaat om rechtsvragen die al zijn beantwoord of als de klager aanstuurt op een nieuwe, feitelijke beoordeling van de zaak. Het verschil tussen beide regelingen is dat artikel 81 van de Wet RO aan het einde van de cassatieprocedure plaatsvindt nadat de Hoge Raad de zaak inhoudelijk heeft beoordeeld en ná een eventueel advies van een Advocaat-Generaal (A-G) aan de Hoge Raad, terwijl artikel 80a van de Wet RO in het begin daarvan (aan de poort) plaatsvindt. Beide regelingen hebben gemeen dat de Hoge Raad geen onderbouwing geeft als hij het beroep versneld niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard. De rechterlijke beslissing bevat slechts één zinnetje waarin een verwijzing naar een van beide wetsartikelen is opgenomen en daarmee is de kous voor de hoogste rechter af. Zo worden heel veel zaken afgedaan en dat is voor belastingadviseurs zeer onbevredigend en zij krijgen dit ook niet uitgelegd aan hun cliënten.

De toepassing van de artikelen 81 en 80a van de Wet RO zijn ons ook al jaren een doorn in het oog. In ons commentaar bij FutD 2015-1060 schreven wij dat bij het zonder nadere motivering of uitleg afdoen van een cassatiezaak, afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt dat de taakvervulling door de Hoge Raad optimaal moet blijven aansluiten bij de verwachtingen daarover in de samenleving. Wij herhalen daarom nog eens het slot van een eerdere column van hoofdredacteur Monique Ligtenberg en ook ons commentaar bij het jaarverslag van de Hoge Raad over 2013 (zie FutD 2013-1194) dat de Hoge Raad bij de afdoening van een procedure onder toepassing van artikel 81 of 80a van de Wet RO naast het enige zinnetje waarin dit wordt vermeld, óók een korte uitleg zou moeten geven waarom de zaak op deze manier is afgehandeld. Het advies van A-G Niessen om aan het dictum een standaardoverweging toe te voegen die is toegespitst op de zaak is naar onze mening een goede eerste stap.