Voortgang in “rekeningenproject” belastingdienst

Het onderzoek van de Belastingdienst naar buitenlandse bankrekeningen is nog in volle gang. Nog steeds ontvangen vele inwoners van Nederland een brief van de Belastingdienst waarin staat dat de Belastingdienst een onderzoek is gestart naar Nederlandse ingezetenen, die in het buitenland één of meer bankrekeningen (hebben) aan(ge)houden (zie FutD 2001-2069 en FutD 2002-0150 met ons uitgebreide commentaar). Wij kunnen nog het volgende nieuws melden met betrekking tot het zogenaamde “rekeningenproject” van de Belastingdienst:

* De Federatie van Belastingadviseurs stelde op 20 februari 2002 een reeks van vragen aan het Ministerie van Financiën. De vragen betroffen het persbericht met het formulier “verklaring buitenlandse bankrekeningen” en de bijbehorende aanvullende vragenlijst die de Belastingdienst op 15 januari 2002 op haar website plaatste (de zogenaamde “inkeermogelijkheid”; zie FutD 2002-0150 met ons uitgebreide commentaar). Deze brief werd niet bepaald binnen een “redelijke termijn”, namelijk pas op 28 mei 2002, namens de staatssecretaris, door mw. mr. H. Neppérus, beantwoord. Aangezien de antwoordbrief veel interessante aspecten bevat, hebben wij besloten hem vrijwel volledig op te nemen:

“(…). Alvorens inhoudelijk op deze vragen in te gaan, wil ik graag een kennelijk misverstand wegnemen. Met bedoeld persbericht is geenszins beoogd de regelgeving inzake de rechtsbescherming aan te passen. Het persbericht ziet niet op aanpassing van de regelgeving ten aanzien van de rechtsbescherming maar beperkt zich tot het verstrekken van informatie over het ter zake geldende recht.

Zo vraagt u mij onder meer of de Belastingdienst bij belastingplichtigen die vóór 15 januari 2002 ten aanzien van buitenlandse tegoeden al een vragenbrief van de Belastingdienst hebben ontvangen ook uitgaat van de inkeerbepaling. Gelet op vorenstaande moge duidelijk zijn dat de datum 15 januari 2002 in deze irrelevant is aangezien de inkeerregeling een al sinds jaren in de wet verankerde regeling is. Ook vóór 15 januari 2002 kon derhalve door eenieder van deze regeling gebruik worden gemaakt. Het persbericht en het formulier “Verklaring buitenlandse bankrekeningen” op zich brengen hierin geen verandering. Voor zover de betrokken belanghebbenden niet tot inkeer zijn gekomen vóórdat zij de brief van de Belastingdienst ontvingen, is de inkeerregeling op hen dus niet van toepassing.

Op uw vraag of alle belastingplichtigen ten aanzien van wie de Belastingdienst informatie over mogelijk buitenlandse tegoeden had op 15 januari 2002 al een vragenbrief ontvangen hadden, kan ik u mede delen dat dit niet het geval was.

Ten aanzien van het door de Belastingdienst bepaalde beleid over de wijze waarop met de “Verklaring buitenlandse bankrekeningen” wordt omgegaan, merk ik op dat de Belastingdienst hierbij niet afwijkt van de ter zake geldende wettelijke regelgeving en voor de uitvoering daarvan geldende beleidskaders. Indien een belanghebbende de “Verklaring buitenlandse bankrekeningen” instuurt en ook de vervolgvragen volledig en naar waarheid beantwoordt, zal onder de werking van de inkeerregeling in beginsel (zie hierna) geen vergrijpboete worden opgelegd noch een strafrechtelijke vervolging tegen hem worden ingesteld ook als uit het onderzoek mocht blijken dat geen of onjuist aangifte werd gedaan.

Voor zover uw vragen zien op situaties waarop de inkeerregeling niet van toepassing is, merk ik op dat hiervoor de wettelijke navorderingstermijnen gelden, evenals de in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 neergelegde beleidskaders voor het opleggen van bestuurlijke boeten.

Voor een eventueel strafrechtelijk vervolgtraject na een bestuursrechtelijke start van het onderzoek geldt dat daarvan in het algemeen geen sprake meer zal zijn indien het onderzoek naar het fiscale verleden geen andere delicten dan fiscale delicten oplevert. Daarbij past de opmerking dat de kwalificatie van een onjuiste belastingaangifte, als een commuun delict ex artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, op zich geen aanleiding vormt de zaak voor te leggen aan het Openbaar Ministerie. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal een bestuursrechtelijk onderzoek naar buitenlandse tegoeden in aanmerking komen voor een strafrechtelijk vervolg. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het ontdekken van betrokkenheid bij handel in verdovende middelen of anderszins criminele activiteiten. Desgevraagd worden belanghebbenden over deze criteria nader geïnformeerd. Actieve informatieverstrekking aangaande dit laatste aspect vindt echter niet plaats. Wel worden belanghebbenden actief gewezen op de mogelijke gevolgen voor hun bewijspositie indien de aanvullende vragenlijst door hen niet (volledig) wordt beantwoord.

Tenslotte merk ik nog op dat, anders dan u in uw brief kennelijk veronderstelt, het arrest EJRM 3 mei 2002 (V-N 2002/4.4; De datum moet zijn 3 mei 2001; zie FutD 2001-2259 met ons commentaar, -red.) aan het opleggen van straffen mijns inziens niet in de weg staat.

Ik vertrouw erop uw brief hiermee voldoende te hebben beantwoord.
Hoogachtend,

De staatssecretaris van Financiën,
Namens deze,

Mw.mr. H. Neppérus
Lid managementteam Belastingdienst” (einde citaat)

* De aanleiding voor het onderzoek van de Belastingdienst naar buitenlandse bankrekeningen in het algemeen is ingegeven door specifieke informatie waarover de Belastingdienst beschikt van inwoners van Nederland die op 31 januari 1994 een rekening bij de Kredietbank Luxembourg (KBL) aanhielden. De Belastingdienst beschikt over de naam van de rekeninghouder, het rekeningnummer en het saldo bij die bank per 31 januari 1994. Aangezien niet alle namen direct te koppelen waren aan een inwoner van Nederland, heeft de Belastingdienst de identiteit van deze mensen via diverse (interne) systemen trachten te achterhalen. Identificatie heeft onder meer plaatsgevonden via het systeem van de Belastingdienst van Beheer van Relaties (BVR) en de Geautomatiseerde ontvangersadministratie (GOA), maar daarnaast blijkt de Belastingdienst óók een bestand te hebben aangekocht van het Nederlandse Centrale Rijbewijzen en Bromfietsencertificatenregister (daarin worden namelijk ook de voornamen van rijbewijshouders genoemd). (Wij zijn van mening dat aanslagen die met deze informatie zijn verkregen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn opgelegd. Van een overheid die direct heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de Wet op de privacy, mag immers worden verwacht dat hij zich aan de privacyregels en de gedachte achter die wet houdt, -red.)

* Inmiddels is de eerst klacht tegen de werkwijze van de Belastingdienst bij het rekeningenproject bij de Nationale Ombudsman ingediend (zie FutD 2002-1125).

Redactie FutD 26-6-2002 (Geen brondocument) en Ministerie van Financiën 28-5-2002 (Fida 20022475)