Veroordeling ondanks hevige twijfel aan KB Lux-bewijs
Na Rechtbank Groningen (zie FutD 2003-1892 met ons commentaar) en Rechtbank Alkmaar (zie FutD 2004-0358 eveneens met ons commentaar) heeft thans ook de Haagse Rechtbank in een KB Lux-procedure beslist dat weliswaar getwijfeld kan worden aan de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijs, maar dat de gegevens in elk geval wel als “startinformatie” gebruikt mochten worden.
Volgens Rechtbank Den Haag hoefde de rechter de rechtmatigheid van de verkrijging van de gegevens door de Belgische autoriteiten niet te onderzoeken, omdat de rechter er in principe op mocht vertrouwen dat een verdragsstaat zijn opsporingsbevoegdheden in overeenstemming met de in het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens neergelegde verdedigingsrechten uitoefende. Vervolgens besliste de Rechtbank dat het feit dat Belgische rechtbanken het verslag van het Comité P. (zie FutD 2003-1133 met ons commentaar) als reden aanhaalden om te twijfelen aan de regelmatigheid van het verkregen bewijs, reden zou kunnen zijn om de rechtmatigheid van de verkrijging van die gegevens te beoordelen. Vervolgens overwoog de Rechtbank dat een afgewogen beoordeling omtrent de rechtmatigheid onmogelijk was omdat de Belgische autoriteiten op verzoek van de Rechtbank Amsterdam (zie FutD 2003-0801 met ons commentaar) hadden laten weten dat geen nadere duidelijkheid kon worden verschaft omtrent de wijze waarop de Belgische justitie en de Belgische Belastingdienst de microfiches hadden verkregen. Volgens de Rechtbank bleven er niettemin krachtige aanwijzingen dat sprake was van een onrechtmatige verkrijging naar Belgisch recht. De Rechtbank vond echter dat dit niet kon leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier, omdat de Nederlandse autoriteiten niet hadden gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Verder leidde dit volgens de Rechtbank ook niet tot de conclusie dat de kopieën van de microfiches ook in Nederland moesten worden uitgesloten van het bewijs of dat de vruchten van het op basis daarvan uitgevoerde onderzoek van het bewijs moesten worden uitgesloten. Daarbij merkte de Rechtbank op dat niet gesteld of gebleken was dat de mogelijk aan het bewijs klevende gebreken (ook) de betrouwbaarheid van het bewijs zelf aantastten.
Rechtbank Den Haag 5-11-2004, nr. 09/755055-2 (Fida 20043955)
Ons commentaar
Tot nu toe is in Nederland alleen Rechtbank Breda (zie FutD 2003-2292 met ons commentaar) tot de conclusie gekomen dat de microfiches niet als bewijs mochten worden gebruikt omdat de herkomst van de documenten onduidelijk en oncontroleerbaar was. Belgische rechters (Hasselt, Brussel, Luik en Antwerpen) gebruikten deze argumenten al eerder in strafzaken (zie FutD 2004-1546, FutD 2004-1067, FutD 2003-0842 en FutD 2002-2254 alle met ons commentaar). De strafrechter die overweegt dat een afgewogen beoordeling omtrent de rechtmatigheid onmogelijk is, maar “krachtige aanwijzingen” ziet voor de onrechtmatige verkrijging van het bewijs, zou het risico van dit volgens de strafrechter meer dan twijfelachtige bewijs niet bij de verdachte mogen leggen. Het internationale vertrouwensbeginsel zou niet van toepassing moeten zijn wanneer er in de Staat die de informatie ontvangt “krachtige aanwijzingen” zijn dat het bewijs in de andere Staat onrechtmatig is verkregen. In elk geval leiden de oordelen van de Nederlandse strafrechters ertoe dat de verdachte KB Lux-rekeninghouders in België de dans ontspringen, terwijl hun vermeende mede-rekeninghouders in Nederland op basis van exact dezelfde microfiches wél strafrechtelijk worden vervolgd.

