Omkering bewijslast wegens niet-geven informatie over KB Lux
Hof Amsterdam heeft twee uitspraken gedaan in twee KB Lux-zaken, waarin het Hof navorderingsaanslagen met toepassing van de sanctie van omkering van de bewijslast in stand liet, omdat een belastingplichtige particulier en een belastingplichtige ondernemer in de aanslagfase geen gegevens of inlichtingen over de vermeende rekeningen bij de KB Lux hadden verschaft. De zaken lagen als volgt:
- KB Lux-navordering met 100% boete ex-verslaafde uitkeringsgerechtigde gehandhaafd
De 35-jarige particulier X ontving in 2002 een brief van de inspecteur waarin stond dat uit een onderzoek van de Belastingdienst was gebleken dat X een rekening had (aangehouden) bij de KB Lux en waarin hij werd verzocht inlichtingen verstrekken. X was niet beschreven voor de inkomstenbelasting (IB) of vermogensbelasting (VB). X liet deze brief en ook latere herinneringen van de Belastingdienst onbeantwoord. De inspecteur legde navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991 op en enige tijd later volgden navorderingsaanslagen IB over 1991 tot en met 2000 en VB over 1992 tot en met 2000, alle met 100% boete. X diende tegen al deze aanslagen één bezwaarschrift in bij de Belastingdienst. De inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk en verklaarde de grieven tegen de andere navorderingsaanslagen ongegrond. X ging in beroep. Namens X verscheen niemand op de zitting bij Hof Amsterdam.
Hof Amsterdam besliste dat de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991 terecht niet-ontvankelijk had verklaard, omdat dit bezwaar na de wettelijke bezwaartermijn bij de Belastingdienst was ingekomen. Wat het beroep tegen de navorderingsaanslagen IB over 1991 tot en met 2000 en VB over 1992 tot en met 2000 betreft, besliste het Hof dat X niet op de herhaalde verzoeken om informatie van de inspecteur had gereageerd, zodat het Hof het beroep van X op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) ongegrond moest verklaren, tenzij X overtuigend aantoonde dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist waren. Volgens het Hof was X daar niet in geslaagd. Het Hof verwierp de stelling van X dat hij geen tegoeden bij de KB Lux-bank had, omdat hij een Wajong-uitkering genoot en een drugsverleden had en in het verleden onder invloed van drugs wel eens iets had getekend in ruil voor geld maar niet meer wist voor wie en wat. Vervolgens besliste het Hof dat X de onjuistheid van de schatting van de inspecteur niet overtuigend had aangetoond, maar dat dat niet wegnam dat die schatting redelijk moest zijn. Vervolgens overwoog het Hof dat de schatting door de inspecteur van de tegoeden ten name van X bij de KB Lux-bank en de rente-inkomsten daaruit niet onredelijk was. Het ging namelijk om een zichtrekening met een saldo van f 297 en een daaraan gekoppelde termijnrekening met een saldo van f 90.354. Verder betrof het een op naam van X staande zichtrekening met een saldo van f 62 negatief, die volgens het Hof ook aan een (bij de inspecteur onbekende) termijnrekening was gekoppeld. Volgens het Hof was het geenszins uitgesloten dat een dergelijke rekening een aanzienlijk positief saldo zou vertonen. Het Hof nam aan dat deze tegoeden de hele periode van 1990 tot en met 2000 hadden bestaan, aangezien niets was komen vast te staan omtrent de jaren waarin de rekeningen waren geopend dan wel opgeheven. Het Hof vond ook de door de inspecteur in aanmerking genomen boete terecht en zag geen reden deze te matigen. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond. - In beroepsfase overgelegde KB Lux-overzichten beletten omkering bewijslast niet
Dierenarts Y ontving op 8 januari 2002 ook een brief van de inspecteur waarin stond dat uit een onderzoek van de Belastingdienst was gebleken dat hij een rekening had (aangehouden) bij de KB Lux en waarin hij werd verzocht inlichtingen hierover te verstrekken. Op 17 januari 2002 verzocht de gemachtigde van Y de inspecteur hem alle stukken te overleggen waaruit bleek dat Y houder was (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De inspecteur weigerde inzage te geven. Op 7 februari 2002 ontving de inspecteur een door Y op 5 februari 2002 ondertekende “Verklaring buitenlandse bankrekeningen”‘ waarin Y verklaarde dat hij sinds ongeveer 1988/89 beschikte over een rekening bij de KB Lux. Y zou alsnog de afschriften van deze rekening bij de KB Lux opvragen en aan de inspecteur geven. De gegevens werden echter niet verstrekt en de inspecteur legde navorderingsaanslagen IB over 1991 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 2000 op met 100% boeten. Y ging in beroep en overlegde (onder protest) als bijlage bij een brief aan het Hof van 6 juni 2006 overzichten van de rente-opbrengsten en de saldi van de door hem bij de KB lux aangehouden rekeningen over de jaren 1992 tot en met 2001. Later voegde hij daaraan nog de rekeningafschriften toe.
Hof Amsterdam wees eerst met uitgebreide overwegingen de stelling van Y af dat de navorderingsaanslagen vernietigd moesten worden omdat het bewijs onrechtmatig was verkregen. Vervolgens stelde het Hof vast dat Y niet de gevraagde gegevens en inlichtingen had verstrekt, terwijl de inspecteur daar herhaaldelijk om had gevraagd. Dit verzuim werd volgens het Hof niet goedgemaakt doordat Y in de beroepsfase alsnog (onder protest) bankafschriften had overgelegd. Het Hof concludeerde dan ook dat hij het beroep van Y op grond van artikel 27e van de AWR ongegrond moest verklaren, tenzij Y overtuigend aantoonde dat en in hoeverre de uitspraken van de inspecteur onjuist waren. Het Hof volgde vervolgens het standpunt van de inspecteur dat de navorderingsaanslagen moesten worden verminderd met inachtneming van de rente-opbrengsten en saldi die in de door Y overgelegde bankafschriften stonden vermeld. De vanaf 1992 ter beschikking gestelde gegevens konden volgens het Hof ook worden geëxtrapoleerd naar de jaren 1990 en 1991 met toepassing van een rentevoet van 9%, zoals de inspecteur had gedaan. Y had volgens het Hof niet doen blijken dat de aldus nader vast te stellen navorderingsaanslagen onjuist waren. Het Hof zag tot slot nog wel reden de boeten met 10% te verminderen omdat van de in totaal 31/2 jaar die waren verstreken vanaf de aankondiging van de boete, 11/2 jaar betrekking had op de afdoening van het bezwaar door de inspecteur en de inspecteur voor dit lange tijdsverloop geen aanvaardbare verklaring had gegeven.
Hof Amsterdam 15-9-2006, nr. 05/00476 (Fida 20062999) en Hof Amsterdam 31-8-2006, nr. 05/00729 (Fida 20063000)
Ons commentaar
Ofschoon de onder 1. genoemde procedure van de (voormalige) verslaafde op het eerste gezicht een duidelijke zaak lijkt en het Hof de zaak ook alleen op de door het Hof afgedane wijze kon afdoen, omdat deze belanghebbende geen enkele grief naar voren had gebracht en geen enkel verweer (ter zitting) voerde, is de uitspraak ons inziens om verschillende redenen vatbaar voor cassatie:
- De Hoge Raad besliste in een arrest van 22 juni 1988 (zie FutD 1988-0816 met ons commentaar) dat in zaken waarin een boete was opgelegd, de toegang tot de rechter niet mocht worden versperd door een termijnoverschrijding die was teweeggebracht door een omstandigheid die niet aan de belastingplichtige kon worden toegerekend. De enkele stelling van X dat de termijnoverschrijding niet aan hem te wijten was geweest, was voldoende geweest voor een ontvankelijkverklaring. In oktober 2005 concludeerde Advocaat-Generaal Niessen ook (zie FutD 2005-2346) dat de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de belastingaanslag op een andere manier moest worden beoordeeld dan de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boetebeschikking. Toegespitst op de zaak van X betekent dit dat de inspecteur en het Hof het bezwaar van X tegen de navordering IB/VB 1990/1991 niet zonder meer niet-ontvankelijk hadden mogen verklaren, maar hadden moeten onderzoeken of, en in hoeverre, het aan X kon worden toegerekend dat hij zijn bezwaren tegen beide navorderingsaanslagen die verschillende dagtekeningen hadden, in één geschrift kenbaar had gemaakt, waarbij één van de twee bezwaren buiten de zesweekstermijn bleek te zijn ingediend.
- Het Hof vindt de met de omkering van de bewijslast gemaakte schatting van het verzwegen inkomen en vermogen redelijk, terwijl (dezelfde belastingkamer van) dit Hof, welke al meer KB Lux-procedures onder ogen heeft gehad waaronder in elk geval ook de procedures waarin door de belanghebbenden om integrale openbaarmaking van alle stukken (draaiboek en nieuwsbrieven) is verzocht, weet dat de berekeningen en schattingen van de Belastingdienst hevig in twijfel worden getrokken, mede omdat de Belastingdienst niet bereid is inzage te geven in de achtergronden van de berekeningen. Verder vindt het Hof de schatting van de inspecteur redelijk welke bij dierenarts Y in de jaren 1990 en 1991 is gebaseerd op een rendement bij de KB Lux van 9%, en vindt tevens de bij X gemaakte schatting redelijk, die over diezelfde jaren uitgaat van een rendement van 20 tot 30%.
- Het Hof acht het kennelijk aannemelijk dat iemand die in 1990 23 jaar oud was en nimmer beschreven was voor de inkomstenbelasting (zodat de fiscus niets over zijn inkomens- en vermogenspositie in het verleden weet) over een rekening bij een bank in het buitenland beschikte en daar op 31 januari 1994 een saldo had van f 90.000. Noch de inspecteur, noch het Hof lijkt het van belang te vinden hoe X aan dit geld is gekomen. Met een reeks van aannamen komt het Hof tot een doelredenering: de belastingplichtige is geïdentificeerd als KB Lux-rekeninghouder, hij verklaart daaromtrent niets, dus moet dit leiden tot omkering van de bewijslast. Het Hof gaat ook voorbij aan één van de waarborgen die in artikel 6 van het EVRM is verankerd, het recht op (kosteloze) rechtsbijstand. Het blijkt nergens uit dat het Hof heeft aangedrongen op aanwezigheid van X of een gemachtigde bij de mondelinge behandeling, zodat X zich in elk geval op de zitting tegen de boete kon verdedigen.
- In een arrest van 21 oktober 1992 besliste de Hoge Raad (zie FutD 1992-1432) dat het Hof een ambtshalve onderzoek moet doen naar de eventuele overschrijding van de redelijke termijn terzake van de periode die ligt tussen de laatste zitting bij het Hof en de uitspraak van het Hof. Dierenarts Y in de onder 2. genoemde zaak kreeg een korting van 10% op de boete omdat zijn zaak te lang in de kast van de inspecteur had gelegen, maar de (voormalige) verslaafde had zich niet beroepen op undue delay en kreeg het volle pond voor zijn kiezen.
De KB Lux-affaire schreeuwt om een volledig onderzoek naar de waarheid door niet-vooringenomen en niet vooraf geïnstrueerde rechters. Het kan niet vaak genoeg worden gezegd dat plegers van (fiscale) fraude niet zwaar genoeg kunnen worden gestraft, maar dan moet wel vaststaan dat deze verdachte inderdaad de veronderstelde fraude heeft gepleegd, dat de overheid zich als een behoorlijke overheid heeft gedragen en dat de vermeende fraudeur zich in een eerlijk proces kan verdedigen.

