Navordering van KB Lux-tegoed van 9-jarige dochter vernietigd
De in 1984 geboren dochter X en haar ouders ontvingen navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1992-2000, omdat zij volgens de inspecteur alle drie een bankrekening hadden aangehouden bij de KB Lux. De vader erkende dat hij een bankrekening bij de KB Lux had (gehad) en dat hij in oktober 1993 ook een rekening bij de KB Lux had geopend voor zijn toen 9-jarige dochter. Die rekening was volgens de vader echter drie jaar later opgeheven en het saldo was gestort op een spaarrekening op zijn naam in Nederland. De dochter wist daar volgens haar vader niets van. Hof Amsterdam besliste op het beroep van de inmiddels volwassen mevrouw X dat zij aannemelijk had gemaakt dat zij geen weet had gehad van de opening en sluiting van de bankrekening. Nu het tegoed na de sluiting van de rekening bij de KB Lux was gestort op een spaarrekening van haar vader, ging het Hof ervan uit dat bij de ouders nooit de bedoeling aanwezig was geweest het op naam van de dochter staande vermogen op de rekening over te laten gaan naar haar vermogen. Het Hof vernietigde de aan mevrouw X opgelegde navorderingsaanslagen en veroordeelde de inspecteur in een proceskostenvergoeding van € 720. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat de gemachtigde van mevrouw X in meer dan 60 zaken in het Rekeningenproject rechtsbijstand had verleend en dat het nagenoeg onmogelijk en ook niet wenselijk was om de vergoeding in elke individuele zaak te berekenen op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Ook speelde het volgens het Hof een rol dat nog niet met zekerheid kon worden gezegd in hoeveel van die zaken het beroep uiteindelijk gegrond zou worden verklaard. Het was echter niet wenselijk om met de beslissing in deze zaak te wachten tot daarover duidelijkheid bestond. Het Hof liet daarom om praktische redenen buiten beschouwing in hoeveel zaken het beroep gegrond of ongegrond zou worden verklaard, maar verdisconteerde dit wel in de vermenigvuldigingsfactor om te voorkomen dat mevrouw X daardoor werd benadeeld. Met de standaard-vermenigvuldigingsfactor voor samenhangende zaken van 1,5 werd bovendien onvoldoende rekening gehouden met het zeer grote aantal zaken, de verschillen tussen die zaken en het feit dat de zaken waren behandeld door twee gemachtigden met een eigen kantoor. Het Hof bepaalde de vermenigvuldigingsfactor daarom op 5.
Hof Amsterdam 3-2-2011, nr. 04/02810 (Fida 20110816)

