Intrekking betalingsuitstel vermeende KB Lux’er rechtmatig?

De inspecteur legde aan X (navorderings)aanslagen inkomsten- en vermogensbelasting met boeten op omdat uit een onderzoek van de Belastingdienst was gebleken dat X een rekening had (aangehouden) bij de KB Lux. X diende een bezwaarschrift in en ontkende hetgeen hem verweten werd. Bij het bezwaarschrift voegde X tevens een verzoek om uitstel van betaling. Iemand van de afdeling invordering van de Belastingdienst verleende uitstel van betaling, zonder daarbij enige voorwaarden te stellen. Nadat de inspecteur de (navorderings)aanslagen bij uitspraken op bezwaar had gehandhaafd, ontving X aanmaningen tot betaling van de (navorderings)aanslagen. X stuurde een nieuw verzoek om uitstel en wees op de door hem ingediende beroepschriften tegen de uitspraken op bezwaar. Het uitstel werd wederom ongeclausuleerd verleend. Nog geen maand later trok de ontvanger het betalingsuitstel in, omdat hij er pas toen achter was gekomen dat het om (navorderings)aanslagen ging die in het kader van het rekeningenproject waren opgelegd en dit niet eerder bij de invorderingsmedewerker bekend was. Nadat het uitstel was ingetrokken, stelde de ontvanger dat wel betalingsuitstel kon worden verleend indien X zekerheden zou stellen. X ging bij de Directeur van de Belastingdienst in beroep tegen de intrekking van het betalingsuitstel.

De Directeur heeft het beroep afgewezen. Volgens de Directeur geldt voor aanslagen die zijn voortgekomen uit het rekeningenproject het normale uitstelbeleid, waarbij de ontvanger zekerheid kan verlangen voor betwiste belastingschulden. Aangezien X de gevraagde zekerheid niet had verstrekt, was er volgens de Directeur geen reden om aan het beroep van X tegemoet te komen. (Deze informatie ontvingen wij van mr. J.P.G.M. van der Graaf van Nooteboom c.s. te Dordrecht, -red.)

Belastingdienst/Zuidwest 30-6-2006 (Fida 20062083)

Ons commentaar
Deze beslissing van de Directeur (en daarmee ook die van de ontvanger) is naar onze mening in strijd met het vertrouwensbeginsel doordat wordt teruggekomen op een tot twee maal toe verleend onvoorwaardelijk betalingsuitstel. Als binnen het rekeningenproject het normale invorderingsbeleid wordt toegepast (en dit is ons destijds ook door het ministerie van Financiën bij herhaling verzekerd; zie FutD 2004-2046), dan had de ontvanger van meet af aan moeten toetsen of zekerheden zouden moeten worden gesteld (en dus niet pas ná het intrekken van het uitstel) en is het bovendien de vraag waarom het eerdere standpunt dat ongeclausuleerd uitstel kon worden verleend zo plotseling moest worden herzien enkel en alleen omdat duidelijk was geworden dat het om KB Lux-aanslagen ging. Zeker bij aanslagen waarvan de houdbaarheid zeer twijfelachtig is, mag van een zorgvuldig handelende ontvanger worden verwacht dat hij een zekere terughoudende opstelling inneemt bij de invordering van niet zo zorgvuldig opgelegde aanslagen. Als dit al niet tot frustraties leidt, dan ontstaan die wel naar aanleiding van de onjuiste motivering door de Directeur, die het niet-stellen van zekerheden als reden ziet voor de handhaving van de intrekking van het uitstel. De Directeur miskent dat het uitstel al was ingetrokken, voordat de ontvanger meedeelde dat uitstel kon worden verleend mits zekerheden werden gesteld. Recentelijk liet ook de Nationale Ombudsman zich in zijn jaarverslag over 2005 al in negatieve zin uit over de ontoereikende motivering van beslissingen terzake van de beroepsgang bij de Directeur met betrekking tot zaken van uitstel van betaling en kwijtschelding (zie FutD 2006-0742 met ons commentaar).