Fiscus overhandigt Hoge Raad het complete KB Lux-draaiboek

In een tussenuitspraak van 20 april 2006 besliste de eerste meervoudige belastingkamer van Hof Arnhem (zie FutD 2006-0786 met ons commentaar) dat de inspecteur de ongeschoonde versie van het draaiboek en de nieuwsbrieven in het kader van het rekeningenproject moest overleggen, omdat deze stukken moesten worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en deze stukken naar vorm en inhoud als één geheel moesten worden beschouwd. De tweede meervoudige belastingkamer van Hof Arnhem veegde op 25 oktober 2006 KB Lux-navorderingsaanslagen met boeten van tafel, omdat de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken niet openbaar wilde maken (FutD 2006-1958 met ons commentaar).

De minister van Financiën is tegen de uitspraak van Hof Arnhem in cassatie gegaan (de zaak is bekend onder rolnummer 43726). In het zeer lijvige beroepschrift in cassatie, dat ons ter beschikking werd gesteld door drs. K. Leget van Leget & Co Belastingadviseurs te Oss, lezen wij dat er volgens de minister dringend behoefte is aan ingrijpen door de Hoge Raad als cassatierechter, omdat de diverse belastingrechters inmiddels op verschillende wijze hebben beslist over de openbaarmaking van het draaiboek en de nieuwsbrieven. Vervolgens stelde de minister het complete draaiboek en de complete nieuwsbrieven ter beschikking aan de cassatierechter, omdat volgens hem de beslissing van de eerste meervoudige kamer van Hof Arnhem alleen kan worden beoordeeld met kennisneming van hetgeen aan die kamer aan stukken is overgelegd. Het complete draaiboek en de nieuwsbrieven werden verstrekt met de uitdrukkelijke opmerking dat alleen de Hoge Raad hiervan kennis mag nemen. De minister heeft voorts de volgende cassatiemiddelen naar voren gebracht:

  1. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de minister dat de beslissing over de vraag of een weigering van inlichtingen of stukken gerechtvaardigd is, niet moet worden genomen door een andere rechter dan de rechter die de zaak behandelt of zal behandelen. Deze vraag moet volgens de minister beantwoord worden door dezelfde rechter die de hoofdzaak behandelt, omdat zo een onnodige werklast bij de gerechten wordt voorkomen. Zo wordt volgens de minister bovendien voorkomen dat een andere rechter zich opnieuw het hele procesdossier eigen zal moeten maken.
  2. De eerste meervoudige kamer van Hof Arnhem heeft zijn beslissing inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb niet genomen na kennisneming van het volledige procesdossier, maar heeft zijn oordeel volgens de minister ten onrechte alleen gebaseerd op de ingebrachte, geschoonde versies van het draaiboek en de nieuwsbrieven. Een zorgvuldige (belangen)afweging ten aanzien van de vraag of de inspecteur terecht een beroep heeft gedaan op artikel 8:29 van de Awb kan volgens de minister alleen worden gedaan als de rechter over alle tot het procesdossier behorende stukken beschikt.
  3. De eerste meervoudige kamer van Hof Arnhem heeft het volledige draaiboek en de nieuwsbrieven volgens de minister ten onrechte aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Volgens de minister gaat het er om of bij stukken als hier aan de orde, het gehele stuk moet worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbend, of dat bepaalde delen daarvan kunnen worden uitgezonderd. Het Hof is volgens de minister ten onrechte een andere mening toegedaan die volgens de bewindsman getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip “op de zaak betrekking hebbende stukken” als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Onder “op de zaak betrekking hebbende stukken” moet volgens de minister worden verstaan, die stukken die van belang zijn geweest voor de beslissing van de inspecteur in een concrete zaak. Dat geldt volgens hem niet ten aanzien van het draaiboek en de nieuwsbrieven in hun geheel, zodat deze niet zijn aan te merken als op deze zaak betrekking hebbende stukken.
  4. Verder stelt de minister dat de eerste meervoudige kamer van Hof Arnhem onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen gewichtige redenen waren om delen van het draaiboek en delen van de nieuwsbrieven niet te overleggen. Volgens de minister past bij deze afweging geen algemeen oordeel, zoals de eerste meervoudige kamer dat heeft gegeven, maar moet bij een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb maatwerk worden geleverd, en moet per passage een beoordeling plaatsvinden. Bovendien heeft de eerste meervoudige kamer op geen enkele wijze aandacht besteed aan de criteria die gelden ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur.
  5. Tot slot stelt de minister dat de tweede meervoudige kamer van het Hof aan het niet-verstrekken van het volledige draaiboek c.q. de nieuwsbrieven ten onrechte de conclusie heeft verbonden dat de gehele navorderingsaanslag moet worden vernietigd. Het Hof heeft volgens de minister uitsluitend gekeken naar het handelen van de inspecteur en vervolgens daaraan de meest vergaande sanctie verbonden, door de gehele navorderingsaanslag te vernietigen. In dit geval zou de omkering van bewijslast volgens de minister evenrediger zijn dan algehele vernietiging van de navorderingsaanslag.

Ministerie van Financiën 18-1-2007, nr. DGB 2006-6503 (Fida 20070286)

Ons commentaar
Het meest stuitende aan het beroepschrift in cassatie van de minister vinden wij dat het ministerie van Financiën (als feitelijk leidinggever van de procederende inspecteurs) de tussenuitspraak van 20 april 2006 van de eerste meervoudige belastingkamer van Hof Arnhem volledig negeert, en het draaiboek en de nieuwsbrieven dus niet in zijn totaliteit aan deze feitenrechter overlegt, om de complete stukken vervolgens wél ongevraagd aan de Hoge Raad, die in elk geval niet over de feiten gaat, te overhandigen. Wat hiervan de reden is, is ons niet duidelijk, te meer niet omdat de Hoge Raad al over het complete draaiboek en de nieuwsbrieven beschikte door overdracht van het procesdossier door het Hof. De minister miskent dat de gelijkheid van procespartijen en de waarheidsvinding ernstig in het gedrang komen als de Belastingdienst weigert de op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen, en daarin zelfs persisteert nadat de rechter hem expliciet en zonder omhaal van woorden heeft opgedragen dit te doen. Het Hof vond dat op deze welbewuste schending van het fundament van een goede rechtspleging geen andere sanctie mogelijk was dan vernietiging van de navorderingsaanslag. Zelfs de minister kan er niet omheen dat de rechter als bewaker van de eisen van een goede rechtspleging beslist welke stukken al dan niet op de zaak betrekking hebben en welke stukken daarvan wegens gewichtige redenen kunnen worden uitgezonderd. Of de Hoge Raad deze mening ook is toegedaan, is niet zeker. Het is ons inziens, gezien de cassatiemiddelen, niet onmogelijk dat de Hoge Raad de uitspraak van Hof Arnhem zonder nadere motivering en onder verwijzing naar artikel 81 van de Wet RO bevestigt.

Tot slot vragen wij ons af wat de betekenis is van de expliciete roep van de minister om een ingrijpen van de Hoge Raad, als we weten dat hem niet-welgevallige ingrepen van de Hoge Raad onmiddellijk ongedaan worden gemaakt door een wetswijziging (denk onder meer aan het Baksteenarrest).