CRB-register voor KB Lux-identificatie gekocht of gekregen?
Om de identiteit van de vermoedelijke KB Lux-rekeninghouders te achterhalen, heeft de Belastingdienst verschillende bestanden geraadpleegd. Het gaat niet alleen om de bestanden die de Belastingdienst ter beschikking staan, zoals Beheer van Relaties (BVR) en de Geautomatiseerde Ontvangers Administratie (GOA), maar ook om het Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister (CRB-bestand) dat afkomstig is van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Dit CRB-bestand was nodig omdat in dit bestand, in tegenstelling tot het BVR-bestand, voornamen van Nederlanders met rijbewijzen zijn opgenomen, welke van belang waren voor de identificatie.
Aangekocht?
In de processen-verbaal die zijn opgemaakt met betrekking tot vermoedelijke KB Lux-rekeninghouders, staat dat de identificatie van de Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de KB Lux-microfiches (mede) heeft plaatsgevonden aan de hand van het CRB-bestand, dat door het ministerie van Financiën was aangekocht van de RDW (zie FutD 2002-1350 met ons commentaar).
Of gekregen?
Fiscaal up to Date stelde vervolgens enige vragen aan de RDW over de aankoop. Het antwoord van de RDW was (zie Fida 20031058) dat het CRB-bestand niet door de Belastingdienst van de RDW was aangekocht, maar door de Belastingdienst op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bij de RDW was opgevraagd en verstrekt. De Belastingdienst had slechts een vergoeding betaald voor de door de RDW gemaakte extra kosten. De algemeen directeur van de RDW merkte bovendien op dat het bestand werd gebruikt om voor een overeengekomen periode zelfstandig diverse selecties uit te voeren in het kader van de controle op de naleving van de belastingwetgeving en de opsporing van belastbare feiten. Hierbij diende volgens de RDW in acht te worden genomen dat de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden niet onevenredig werd geschaad. In de in FutD 2004-0266 (met ons commentaar) opgenomen uitspraken op KB Lux-bezwaarschriften die ons ter beschikking werden gesteld door Hertoghs advocaten-belastingkundigen te Breda stelt de Belastingdienst ineens ook dat het CRB-bestand van de RDW is verkregen op grond van artikel 55 van de AWR.
Nee, toch gekocht!
Thans beschikken wij dankzij Siekman en Stassen Advocaten en Belastingadviseurs te Hoofddorp over nieuwe bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat het CRB-bestand wel degelijk door de Belastingdienst is aangekocht van de RDW. Uit de door Siekman en Stassen Advocaten en Belastingadviseurs opgevraagde en van het RDW ontvangen informatie blijkt kortgezegd het volgende:
- Voor de levering van de gegevens met betrekking tot alle natuurlijke personen in het CRB-bestand heeft de RDW aan de FIOD een offerte uitgebracht voor een bedrag van f 7.800 (vrijgesteld van BTW). Deze offerte is door een teamleider van de FIOD te Haarlem geaccepteerd.
- In de specifieke leveringsvoorwaarden is opgenomen dat:
- De persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden niet onevenredig mag worden geschaad.
- De verkregen gegevens uitsluitend gedurende het jaar 2001 mogen worden gebruikt en niet mogen worden doorgeleverd aan derden (met uitzondering van de FIOD).
- De verkregen gegevens worden vernietigd na gebruik voor het doel waarvoor de gegevens zijn verstrekt en uiterlijk tot 1 januari 2002 worden bewaard.
- Met de ondertekening van de offerte de opdracht wordt gegeven tot het leveren van de gegevens.
- De kosten van de gegevensverstrekking in de offerte staan vermeld.
- De factuur na de gegevensverstrekking wordt ingediend.
- Op de verwerking van de verkregen persoonsgegevens is de Wet persoonsgegevens van toepassing.
- De verstrekking van de gegevens uit het CRB-bestand betreft een eenmalige verstrekking die is gebaseerd op de artikelen 55 en 56 van de AWR.
- De RDW heeft de Belastingdienst uitsluitend de kostprijs in rekening gebracht, dat wil zeggen de kosten die de RDW heeft moeten maken om de gevraagde gegevens in de gewenste vorm te kunnen aanleveren. Volgens de RDW is geen sprake van verkoop van de gegevens.
Inmiddels heeft een (ander) advocatenkantoor de door de Belastingdienst gebruikte onderzoeksmethoden in de KB Lux-affaire voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens (CBP). Het CBP heeft geantwoord dat het vergelijken van verschillende bij de Belastingdienst beschikbare bestanden in beginsel is toegestaan. Wel heeft het CBP aangegeven dat de informatiegaringsbevoegdheden van de fiscus dienen te worden afgegrensd, en dat aanvullende waarborgen dienen te worden geboden tegen ongerechtvaardigde inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. Het CBP merkte daarbij nog wel op dat de Belastingdienst het CBP heeft laten weten dat van het aankopen van een bestand van de RDW geen sprake is geweest. Het betrof volgens de Belastingdienst een reguliere gegevensstroom.
Rijksdienst voor het Wegverkeer 17-6-2003, VIV 2003/6506 (Fida 20040993) en College Bescherming Persoonsgegevens 25-6-2003, z2003-0663 (Fida 20040997)
Ons commentaar
De eigenaardigheden in de KB Lux-affaire zijn niet ten einde. Naarmate de tijd verstrijkt, gaat de beerput steeds verder open. Siekman en Stassen Advocaten en Belastingadviseurs te Hoofddorp is erin geslaagd zeer veel informatie los te krijgen van de RDW. De RDW heeft (in tegenstelling tot wat we gewend zijn van het ministerie van Financiën) alle stukken verschaft die betrekking hebben op de verstrekking van de gegevens aan de Belastingdienst/ FIOD. Het is daarom des te merkwaardiger dat de stukken die erop zouden kunnen duiden dat de stelling dat de gegevensverstrekking heeft plaatsgevonden op grond van de artikelen 55 en 56 van de AWR juist is, geheel ontbreken. Dat geldt zowel voor het verzoek van de Belastingdienst/FIOD aan de RDW als voor de stukken met betrekking tot de voldoening aan het verzoek. Aan deze door de RDW, en thans door de Belastingdienst, ingenomen stelling kan ons inziens dan ook geen waarde worden toegekend, omdat alle stukken en leveringsvoorwaarden wijzen op een koop van de gegevens. De offerte met een kostprijs van f 7.800 en de algemene en bijzondere leveringsvoorwaarden hadden niet hoeven te worden overgelegd, als de RDW de gegevens op grond van een verplichting van de AWR aan de Belastingdienst ter beschikking had gesteld. In dat geval is ook de mededeling van de Belastingdienst aan het CBP onwaar. Als de gegevens door de Belastingdienst zijn gekocht, is de verkoop daarvan door de RDW naar onze mening onrechtmatig geweest, ofwel omdat de RDW de gegevens überhaupt niet mocht verkopen, ofwel omdat de verkoop niet is toegestaan op grond van de privacy-beschermingsregels. Dat betekent dat dan ook de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de gegevens voor strafrechtelijk gebruik waardeloos zijn. Ook fiscaalrechtelijk begint het dan weer penibel te worden want het is de zoveelste keer dat de Belastingdienst in deze zaak onrechtmatig handelt en de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, geschonden worden. Kennelijk voelt de directeur van de RDW de bui – al dan niet ingeseind door de Belastingdienst – hangen, want wat moet men met de aan de rechter voorbehouden interpretatie van de opmerking dat “de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde niet onevenredig werd geschaad”.
Verder is opvallend dat de RDW de gegevens aan de Belastingdienst heeft verstrekt onder de voorwaarde dat de gegevens alleen in 2001 worden gebruikt en onder de voorwaarde dat de gegevens na 1 januari 2002 moeten zijn vernietigd. Op basis van de stukken die wij in onze databank hebben opgenomen en op basis van informatie die wij hebben gekregen van belastingadviseurs en advocaten is er reden aan te nemen dat dit niet is gebeurd. Immers ook na 1 januari 2002 zijn er nog belastingplichtigen als vermoedelijke KB Lux-rekeninghouders geïdentificeerd en vervolgens met dreigbrieven benaderd.
Ofschoon de Tweede Kamer zich tot op heden verre houdt van het stellen van vragen over de KB Lux-affaire, menen wij toch te moeten constateren dat de wijze waarop het bewijs door de Belastingdienst is verkregen en de wijze waarop identificatie heeft plaatsgevonden, zo twijfelachtig zijn dat een visie van het parlement wenselijk zo niet noodzakelijk is. Het betreft de Belastingdienst en de FIOD/ECD welk functioneren als onderdelen van de overheid in een rechtsstaat onderworpen (moet) zijn aan de controle van het parlement. Dit functioneren kan niet op het bordje van de belastingrechters, strafrechters en voorzieningenrechters worden gelegd.

