Berekeningswijze KB Lux-correcties reden voor boetematiging
X en zijn vrouw Y gingen in beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting (IB) en vermogensbelasting (VB) met boeten van 100%, die waren opgelegd omdat zij volgens de inspecteur een bankrekening bij de KB Lux hadden (aangehouden).
Hof Amsterdam deed het merendeel van de grieven van X af met beslissingen die het Hof had genomen in zijn uitspraak van 2 juli 2009 (zie FutD 2009-1385 met ons commentaar) die er kortgezegd op neerkwamen dat:
- De inspecteur niet gehouden was meer stukken in te brengen dan hij had gedaan.
- De op de fotokopieën vermelde rekeningen betrekking hadden op bij de KB-Lux te Luxemburg aangehouden bankrekeningen.
- De fotokopieën als bewijsmiddel mochten worden gebruikt.
- Het onderzoek van de Belastingdienst naar de identiteit van de op de fotokopieën vermelde personen betrouwbaar was geweest.
- Op basis van gegevens van belastingplichtigen die in het kader van het Rekeningenproject openheid van zaken hadden gegeven met betrekking tot de aangehouden rekeningen bij de KB-Lux, het vermoeden gerechtvaardigd was dat de als rekeninghouder geïdentificeerde belastingplichtige gedurende de door de inspecteur gestelde periode rekeningen bij de KB-Luxbank had aangehouden en dat het aan de desbetreffende belastingplichtige was dit vermoeden te weerleggen.
- Het niet-verstrekken van door de inspecteur op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gevraagde gegevens en inlichtingen over die rekeningen tot een verzwaring van de bewijslast leidde met betrekking tot de omvang van de door de inspecteur na een schatting vastgestelde belastbare inkomens en vermogens.
- De inspecteur de correcties in redelijkheid had geschat, behoudens de door hem gehanteerde factor van 1,5.
Verder besliste het Hof dat X en mevrouw Y niet aannemelijk hadden gemaakt dat de KB Lux-rekening weliswaar op hun naam stond, maar in economisch opzicht aan de kinderen en kleinkinderen van de ouders van X toebehoorde. Het Hof verwierp voorts de stelling van X dat het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbrak omdat hij bij een controle in 1993 onaanvaardbaar hoge onbenoemde privé-uitgaven aan de inspecteur had verklaard door te verwijzen naar een erfenis en tegoeden op een Luxemburgse bankrekening. Volgens het Hof was destijds alleen melding gemaakt van een erfenis en niet van een buitenlandse bankrekening of van enig verband tussen die erfenis en een buitenlandse bankrekening. Volgens het Hof beschikte de inspecteur dan ook niet over eenduidige gegevens op basis waarvan hij een nader onderzoek had moeten instellen naar het bestaan van door X aangehouden buitenlandse bankrekeningen. Tot slot verwierp het Hof de stelling van X dat de inspecteur hem met betrekking tot de boeten ten onrechte niet had gewezen op zijn zwijgrecht. De inspecteur had de aanwezigheid van het tegoed en de daaruit genoten inkomsten niet – direct of indirect – gebaseerd op een verklaring van X of op bewijsmateriaal dat zijn bestaan dankte aan de wil van X en door de inspecteur bij hem was opgevraagd. Het Hof verwierp daarom het beroep van X op het ontbreken van de cautie. Het Hof matigde tot slot de boete, omdat de hoogte van de belasting was bepaald met de omkering van de bewijslast en de inspecteur de correcties had geschat. Het Hof vond deze schatting, behoudens de daarin begrepen “aanpassing”, redelijk, maar het feit dat de schatting tot stand was gekomen aan de hand van gegevens die betrekking hadden op derden en niet op X zelf en dat bij de schatting van de hoogte van de correcties een grote onzekerheidsmarge was aangehouden, was volgens het Hof reden tot een matiging van de boete tot 80%. Wegens undue delay verminderde het Hof de boeten uiteindelijk met 20%, waardoor deze uitkwamen op 64%.
Het Hof besliste het bovenstaande ook in het beroep van mevrouw Y tegen de navorderingaanslag die over 1996 (en VB 1997) aan haar was opgelegd, omdat zij over dat ene jaar het hoogste persoonlijk arbeidsinkomen had. Volgens het Hof had de inspecteur terecht gesteld en ook bewezen dat het aan opzet van mevrouw Y – en niet slechts aan opzet van haar echtgenoot – te wijten was dat aanvankelijk te weinig belasting was geheven.
Hof Amsterdam 16-9-2010, nr. 05/00589 en nr. 05/00588

