Douane Update
   

Hoge Raad vernietigt uitnodigingen tot betaling wegens schending verdedigingsbeginsel

Verdedigingsbeginsel

De aangever is ten onrechte niet voor het vaststellen van uitnodigingen tot betaling om een reactie gevraagd. Daarmee is het zogeheten verdedigingsbeginsel geschonden. Dat kán leiden tot vernietiging door de rechter van de uitnodigingen tot betaling, maar het hoeft niet altijd. De Hoge Raad oordeelt dat het in dit geval wel tot vernietiging leidt. Het feit dat de inspecteur een duidelijk juridisch standpunt heeft, neemt niet weg dat ook dan een vooraf door X BV gegeven reactie zich had kunnen lenen voor een discussie over het antwoord op de vraag of dat standpunt moet leiden tot de door de inspecteur gestelde gevolgen.

X BV heeft in 2004 achttien maal aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van voedingssupplementen. Zij heeft als douane-expediteur steeds aangifte gedaan op eigen naam en voor eigen rekening, voor twee opdrachtgevers. De inspecteur heeft een controle na invoer verricht en zich op het standpunt gesteld dat de douanewaarde te laag is vastgesteld. De inspecteur heeft verschillende uitnodigingen tot betaling uitgereikt. X BV heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft niet tijdig uitspraak op bezwaar gedaan, waartegen belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank heeft de inspecteur toen gelast om alsnog op de gemaakte bezwaren uitspraak te doen. Bij de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur één uitnodiging tot betaling verminderd en de overige uitnodigingen tot betaling gehandhaafd.
X BV heeft beroep en hoger beroep ingesteld. Gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep ongegrond verklaard, waarna X BV daartegen beroep in cassatie heeft ingesteld. De Hoge Raad heeft dat beroep gegrond verklaard en de zaak terugverwezen naar Gerechtshof Amsterdam (Hoge Raad 14 augustus 2015, nr. 13/01129, Douane Update 2015-0220). Bij uitspraak van 23 juni 2016, nrs. 15/00713 tot en met 15/00722, Douane Update 2016-0384, heeft dit gerechtshof het hoger beroep weer ongegrond verklaard. Daartegen heeft X BV weer beroep in cassatie ingesteld.

Het hof heeft geoordeeld dat de inspecteur bij het vaststellen van de uitnodigingen tot betaling het zogeheten verdedigingsbeginsel niet zodanig heeft geschonden, dat de uitnodigingen tot betaling niet in stand kunnen blijven. Het beginsel is wel geschonden doordat X BV niet is gehoord voordat de uitnodigingen tot betaling werden vastgesteld. Dat neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat X BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voorafgaand aan de uitreiking van bestreden uitnodigingen tot betaling een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de uitnodigingen tot betaling van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een ander afloop had kunnen leiden. Hiervoor heeft het hof onder meer overwogen dat X BV enkel heeft aangevoerd wat zij nog had willen onderzoeken en niet wat zij concreet had willen inbrengen. Omdat de inspecteur zijn navordering heeft gegrond op het gegeven dat elke door de importeur gedane betaling in dit geval een voorwaarde voor de verkoop vormde, zou de inspecteur volgens het hof tot navordering zijn overgegaan, ook indien X BV voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling bepaald sluitend bewijs zou hebben overgelegd.

In cassatie stelde X BV dat het ervoor moet worden gehouden dat goed denkbaar is dat de procedure van besluitvorming van de inspecteur een andere afloop had gehad wanneer zij wel op tijd een inbreng had kunnen leveren. De rechtbank is immers tot de slotsom gekomen dat de douanewaarde te hoog is vastgesteld vanwege een andere waardering en interpretatie van de door de inspecteur in een laat stadium verstrekte gegevens.

De Hoge Raad overweegt dat om vast te stellen of de procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad, het onder meer van belang is of de belanghebbende wijst op de inbreng van verweermogelijkheden in de vorm juridische stellingen dan wel op niet benutte (nieuwe) bewijsmiddelen, waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze een andere afloop konden bewerkstelligen (Hoge Raad, 16 september 2016, nr. 15/01894, Douane Update 2016-0477). Maar ook is van belang of een belanghebbende, niet zonder redelijke grond, stelt dat hij had kunnen aanvoeren dat de inspecteur de feiten op een andere wijze had moeten waarderen en interpreteren zodat hij niet tot het genomen besluit had kunnen komen. Het feit dat de inspecteur een niet voor meerderlei uitleg vatbaar juridisch standpunt heeft, neemt immers niet weg dat de waardering en de interpretatie van de door de inspecteur gestelde feiten zich kunnen lenen voor een discussie over het antwoord op de vraag of dat standpunt moet leiden tot de door de inspecteur gestelde gevolgen. Het hof heeft hier ten onrechte niet naar gekeken. Daarom bevat de uitspraak van het hof een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af door te oordelen dat de onderhavige feitelijke omstandigheden en de juridische duiding ervan zodanig waren dat het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder schending van het verdedigingsbeginsel (lees: door X BV vooraf om een reactie te vragen over het voornemen uitnodigingen tot betaling vast te stellen) een andere afloop had kunnen hebben gehad. De Hoge Raad vernietigde de uitnodigingen tot betaling.

Ons commentaar
Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat de overheid pas een op EU wetgeving gegrond besluit mag nemen, wanneer de burger die daardoor wordt getroffen, om een reactie is gevraagd over het voornemen dat besluit te nemen. Dit wordt wel aangeduid als het Europese verdedigingsbeginsel.
Zo volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V. (C-129/13 en C-130/13, Douane Update 14-0338), dat, wanneer de belanghebbende niet is gevraagd om een reactie te geven voordat een uitnodiging tot betaling wordt vastgesteld, de rechten van de verdediging bij de totstandkoming van dat besluit worden geschonden. Dat leidt volgens dat arrest tot nietigverklaring van het besluit, behalve wanneer de procedure van de totstandkoming van het besluit zonder die onregelmatigheid geen andere afloop zou kunnen hebben gehad. Concreet gezegd: wanneer het tevoren vragen van een reactie van de belanghebbende mogelijkerwijs tot gevolg zou hebben gehad dat de inspecteur het besluit niet of anders had genomen, is het recht op verdediging zodanig geschaad dat het besluit (de uitnodiging tot betaling) niet in stand kan blijven.
De Hoge Raad heeft in zijn eerste arrest over dit geding vastgesteld dat het Gerechtshof Amsterdam de bovenstaande “andere afloop”-toets niet heeft uitgevoerd (Douane Update 2015-0220) om de zaak vervolgens te verwijzen naar hetzelfde hof. Dit arrest draaide in de kern om de vraag of het hof de “andere afloop”-toets in zijn uitspraak na verwijzing wel correct heeft uitgevoerd.
De Hoge Raad heeft de “andere afloop”-toets reeds ingekleurd, door te oordelen dat het relevant is of dat wat de belanghebbende had willen inbrengen (zuivere) juridische stellingen zijn (Douane Update 2015-0498) dan wel (nieuwe) bewijsmiddelen (Douane Update 2016-0477) of andere feitelijke omstandigheden. In het eerste geval ligt het minder voor de hand dat de inspecteur de uitnodiging tot betaling niet zou hebben vastgesteld wanneer hij het standpunt van de belanghebbende over de juridische kant van de zaak tevoren had gekend. Dat kan anders zijn bij de inbreng van bewijsmiddelen en andere feiten. Daarvan kan niet snel worden uitgesloten dat deze een andere afloop konden bewerkstelligen. In dit arrest voegt de Hoge Raad daaraan toen dat het ook van belang kan zijn of een belanghebbende, niet zonder redelijke grond, had kunnen aanvoeren dat de inspecteur de feiten op een andere wijze had moeten waarderen en interpreteren zodat hij niet tot het genomen besluit had kunnen komen. De toekomst zal uitwijzen waar de grens in voorkomende gevallen loopt, en ook wat precies betekent ‘niet zonder redelijke grond’.
Bijzonder is nog dat de Hoge Raad zelf de zaak afdoet, dus gaat zitten op de stoel van het gerechtshof. Of een belanghebbende voldoende stelt dat geconcludeerd kan worden dat zijn tijdige inbreng tot een ander besluit van de overheid had kunnen leiden, is immers in hoge mate afhankelijk van waarderingen van feiten. Blijkbaar beschikte de Hoge Raad over voldoende gegevens om te kunnen oordelen dat alles wat blijkens het dossier door X BV voor het hof is gesteld geen andere conclusie toelaat dan dat hetgeen X BV naar voren heeft gebracht ‘niet zonder redelijke grond’ tot een ander besluit van de inspecteur had geleid wanneer hij dat tevoren geweten had.
Al met vinden wij dit arrest een welkome invulling van de “andere afloop”-toets.

Bron(nen):
Fida 20173479 Hoge Raad, nr. 16/03921, 02-06-2017

Uit: Douane Update nr. 13 van 23 juni 2017
Nummer: Duda20170324