Beloning & Belasting
   

Overeenkomst van opdracht wordt niet zomaar een arbeidsovereenkomst

Dit betreft een civielrechtelijk zaak. X verricht werkzaamheden in de periode april 2013 tot en met mei 2015 als bedrijfsleider in restaurant Y. Bij de aanvang van de werkzaamheden hebben X en (de rechtsvoorganger van) Y een overeenkomst van opdracht gesloten. Voorts staat vast dat X maandelijks een factuur stuurde naar Y (inclusief btw) voor zijn werkzaamheden. Daarnaast stond X sinds augustus 2014 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als eenmanszaak. X vordert in deze civiele procedure dat de samenwerking tussen hem en Y moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft deze vordering van X afgewezen. X heeft tegen de uitspraak van de kantonrechter hoger beroep aangetekend.

X is van mening dat voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht moet worden gekeken naar de feitelijke omstandigheden en dat dit niet moet worden beoordeeld op basis van de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst. Volgens X is bovendien het feit dat hij facturen stuurde aan Y inclusief btw, niet van belang is. Ook dat hij werkzaamheden voor derden heeft verricht gedurende de periode van de overeenkomst doet volgens X niet ter zake. X geeft namelijk aan voor bijna 100% van zijn werkzame tijd werkzaam te zijn geweest voor Y. Daarnaast diende X verantwoording af te leggen aan de vennoten van de exploitant van Y. Ook waren er vaste werktijden en werd X via camera’s in de gaten gehouden. Volgens X maakt dit dat sprake is van een gezagsverhouding en dus van een arbeidsovereenkomst.

Het Hof is van mening dat de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht moet worden beoordeeld op basis van wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond en hoe partijen uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven. X heeft niet betwist dat de bedoeling van partijen op het moment van aangaan van de overeenkomst was om een overeenkomst van opdracht te sluiten. Sterker nog, X heeft juist het volgende opgemerkt: “al hebben partijen de bedoeling gehad om een overeenkomst van opdracht te sluiten”. Oftewel, bij het sluiten van de overeenkomst hadden partijen de bedoeling een overeenkomst van opdracht aan te gaan en dus geen arbeidsovereenkomst. Daarnaast geeft het Hof aan dat overige feiten als de facturering van X aan Y (inclusief btw) en de registratie van X bij de kamer van koophandel als eenmanszaak ook wijzen op de bedoeling van partijen om een overeenkomst van opdracht aan te gaan. Dat deze werkwijze steeds is voorgezet wijst er daarnaast op dat ook in de praktijk de overeenkomst zo uitwerkte.

Het Hof geeft voorts aan dat een overeenkomst niet geruisloos van kleur kan veranderen, zonder dat partijen daar afspraken over hebben gemaakt. Men is doorgegaan met factureren en dit werd niet veranderd in loonbetalingen. Uit geen van de feiten is gebleken dat de aard van de samenwerking is gewijzigd gedurende de gehele periode. Dat X verantwoording diende af te leggen aan Y, maakt nog niet dat sprake is van een gezagsverhouding.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep van X niet slaagt.

Opmerking B&B

Uit de uitspraak volgt dat een overeenkomst niet tijdens de looptijd van kleur kan verschieten, zonder dat daar nadere afspraken over zijn gemaakt of dat de feitelijke werkzaamheden daadwerkelijk zijn veranderd. Als uitgangspunt dient de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst te gelden en hoe partijen daaraan vervolgens uitvoering hebben gegeven. Partijen hebben zelf aangegeven dat zij een overeenkomst van opdracht wilden sluiten. Gelet op alle omstandigheden is het Hof van mening dat partijen ook zo hebben gehandeld. Interessant hierbij is, dat het feit dat X verantwoording diende af te leggen aan de vennoten, dat er vaste werktijden waren waaraan X zich diende te houden en dat er cameratoezicht was, voor het Hof kennelijk, kijkend naar het geheel, onvoldoende gewicht in de schaal legde om hier anders over te denken. Specifiek met betrekking tot het moeten afleggen van verantwoording merkt het Hof nog op: “De enkele omstandigheid dat [X] van zijn werkzaamheden verantwoording diende af te leggen aan [Y], maakt ook nog niet dat er sprake was van een gezagsverhouding in de zin van “in dienst” als bedoeld in art. 7:610 BW.”

Hieruit blijkt naar onze mening opnieuw dat de “binaire” benaderingswijze van de Belastingdienst bij het beoordelen van de arbeidsrelatie (eenvoudig afvinken van de elementen gezag, arbeid en loon) niet van toepassing kan en mag zijn. Ook kan de geringste verplichting tot het afleggen van verantwoording niet meteen worden aangemerkt als “gezag”. En zelfs al zijn er elementen van gezag aanwezig, dan nog moet de situatie “holistisch” worden beoordeeld. Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad moet de holistische benadering ook door de fiscale rechter worden toegepast. Intussen kijken wij met belangstelling uit naar de resultaten van de aangekondigde herijking van de kernbegrippen “werkgeversgezag” en “vrije vervanging”.

Bron(nen)
Gerechtshof Amsterdam, 11 april 2017, nr.: 200.189.590/01; ECLI:NL:GHAMS:2017:1275

Uit: Beloning & Belasting nr. 8 van 5 mei 2017

1 week gratis Viditax!

Elke dag al het fiscale nieuws in uw mailbox?

Probeer nu 1 week gratis uit!

Met onze emailservice Viditax mist u niets meer op fiscaal gebied. De redactie van Fiscaal up to Date garandeert dat u al het fiscale nieuws van die dag om 17.15 uur ontvangt. Nieuws met betrekking tot rechtspraak, wetgeving en beleid wordt krachtig samengevat. Daarnaast worden de arresten van de Hoge Raad iedere vrijdag kort en bondig weergegeven.

Probeer uit!