| Nummer | fida20100117 |
|---|---|
| Bron | Arr.rb. Zwolle 16 oktober 2009 09/348 |
| Titel | Delen van verpleeghuis waren dienstbaar aan woondoeleinden |
| Samenvatting | De gemeente Kampen stelde WOZ-waarde van het verpleeg- en reactiveringscentrum van X vast op € 16,4 mln en gebruikte die WOZ-waarde ook als grondslag voor de aanslag OZB voor gebruikers van niet-woningen voor 2008. X ging in beroep en stelde dat de kamers en gezamenlijke ruimten in het centrum in hoofdzaak tot woning dienden of dienstbaar waren aan woondoeleinden, waardoor de heffingsgrondslag voor het gebruikersdeel van de OZB volgens haar € 8,8 mln bedroeg. Rechtbank Zwolle besliste dat de omstandigheid dat de kamers in het verpleegcentrum niet geheel zelfstandig waren en niet beschikten over een eigen keuken en sanitair, niet betekende dat daardoor geen sprake kon zijn van een woondeel dat in hoofdzaak tot woning diende. De cliënten verbleven langdurig in het verpleeghuis, hadden een eigen kamer en een gezamenlijke woonkamer waar zij zelf (onder begeleiding) kookten, de kamers waren van binnenuit afsluitbaar en werden door de cliënten met eigen meubilair ingericht. Het feit dat in het verpleeghuis het wonen was gecombineerd met verpleging sloot volgens de Rechtbank niet uit dat delen van het verpleeghuis op zichzelf beschouwd tot woning dienden of volledig dienstbaar waren aan woondoeleinden. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en wees de zaak terug naar de gemeente. |
| Tekst |
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen Eiser te woonplaats, gemachtigde drs. H.B. ten Kate MRE en de ambtenaar belast met de heffing van de gemeente Kampen, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding
Bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft bij schrijven van 11 maart 2009 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft op 6 mei 2009 een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 3 september 2009 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer M.F.J. van Arragon, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer S. Stempfer. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2. De feiten
De waarde ingevolgde de Wet onroerende zaakbelastingen is door verweerder vastgesteld op € 16.411.000,--. Deze waarde heeft verweerder als grondslag gebruikt voor de opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woningen. 3. Het geschil
Eiseres heeft onder verwijzing naar jurisprudentie en informatie van de VNG gesteld dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het amendement De Pater-van der Meer. De appartementen en gezamenlijke ruimten, de reactiveringsafdeling uitgezonderd, dienen in hoofdzaak tot woning of zijn in hoofdzaak dienstbaar aan woondoeleinden. Eiseres heeft gesteld dat de heffingsgrondslag voor het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting € 8.796.296,-- bedraagt. Verweerder heeft gesteld dat de heffingsgrondslag voor het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting correct is vastgesteld, omdat het object niet in aanmerking komt voor de vrijstelling op grond van het amendement De Pater-van der Meer. Verweerder heeft gesteld dat in onderhavig object de (medische) verpleging het doel is van het verblijf en dat de "woon"functie vergelijkbaar is met die van een ziekenhuis. Het object is daarmee in eerste aanleg ingericht voor verpleging en pas in tweede instantie is een min of meer continu verblijf mogelijk. Er zijn geen voorzieningen die een voordurend zelfstandig verblijf mogelijk maken. Een persoonlijke aankleding naar behoefte van de bewoner is volgens verweerder uiterst beperkt mogelijk. Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. 4. Beoordeling van het geschil
Artikel 220a van de Gemeentewet luidt als volgt:
Artikel 220c van de Gemeentewet luidt als volgt:
In artikel 220e van de Gemeentewet is bepaald dat in afwijking van artikel 220c bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting bedoeld in artikel 220, onderdeel a, buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 220e is in de Gemeentewet opgenomen bij amendement van het Kamerlid De Pater-van der Meer. Verweerder heeft de vraag of de 132 appartementen en de
daarbij behorende gezamenlijke ruimten in hoofdzaak tot
woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
woondoeleinden ontkennend beantwoord. Daarbij heeft
verweerder, gelet op hetgeen ter zitting naar voren is
gebracht, grote waarde gehecht aan de voor artikel 16, onder
c, van de Wet WOZ geldende criteria voor een zelfstandig
gedeelte. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de
appartementen niet als woningen kunnen worden aangemerkt,
omdat ze niet beschikken over een eigen keuken en eigen
sanitair.
Verweerder heeft daarnaast gewezen op het feit dat de verpleging en verzorging van de cliënten plaatsvindt in de appartementen en gezamenlijke ruimten. De hoofdfunctie van deze ruimten is daardoor volgens verweerder verpleging, waardoor er geen sprake is van in hoofdzaak tot woning dienen of in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Naar het oordeel van de rechtbank sluit het feit dat in het verpleeghuis het wonen is gecombineerd met verpleging echter niet uit dat delen van het verpleeghuis op zichzelf beschouwd tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2007 (LJN: AZ9075). Verweerder had derhalve na moeten gaan of delen van de onroerende zaak tot woning dienen, dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, en, zo ja, of de waarde van de onroerende zaak in hoofdzaak aan die delen kan worden toegerekend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank
tot de conclusie dat verweerder in de uitspraak op bezwaar
onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan geen
toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 220e van de
Gemeentewet. Het beroep is derhalve gegrond en de bestreden
uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd.
5. Proceskosten
6. Beslissing
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W. Akkerman, voorzitter, mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. L.Y. Gramsbergen, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.N.M van de Beld als griffier, op |
| Datum | 20091016 |