| Nummer | fida20095833 |
|---|---|
| Bron | Hoge Raad 18 december 2009 08/04439 |
| Titel | Vermindering WOZ-waarde met 10% na beurskrach |
| Samenvatting | X ging in beroep tegen de WOZ-waarde van € 2.796.000 per waardepeildatum 1 januari 2003 van zijn woning in Bloemendaal. Rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van X gegrond en verminderde de WOZ-waarde naar € 2.500.000. X vond de vermindering niet voldoende en ging in hoger beroep. Hof Amsterdam vond dat X aannemelijk had gemaakt dat de datum van de obligatoire verkoopovereenkomst gemiddeld drie tot zes maanden lag vóór de datum van het transport zodat de verkoop van de vergelijkingsobjecten in de loop van het eerste halfjaar van 2001, en dus vóór de beurskrach, had plaatsgevonden. Het Hof besliste dat de AEX, die zijn dieptepunt had in de periode van medio 2002 tot medio 2003, mede van invloed was geweest op de waarde van woningen in het marktsegment van woningen met een waarde van méér dan € 1 mln, waartoe de woning van X behoorde, althans dat zich in de genoemde periode een relevante waardedaling had voorgedaan in het marktsegment van de met de woning van X vergelijkbare objecten. Het Hof vond het voorts aannemelijk dat sprake was geweest van een waardedaling in de orde van grootte van 10% op jaarbasis. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van X zonder nadere motivering ongegrond verklaard (art. 81 wet RO). |
| Tekst |
Hoge Raad der Nederlanden
ARREST Gewijzigde werkwijze Hoge Raad met betrekking tot artikel 81 RO zaken Met ingang van 1 september 2002 geeft de Hoge Raad
arresten die onder toepassing van artikel 81 van de Wet op de
Rechterlijke Organisatie (RO) worden gewezen,
niet
meer vrij voor publicatie. De Hoge Raad geeft in deze
gevallen slechts een opgave van de arresten die onder
verwijzing naar artikel 81 van de Wet zijn gewezen. Uit de
opgave blijkt dat de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de
bijgevoegde uitspraak zonder nadere motivering (art. 81 RO)
ongegrond heeft verklaard.
Gerechtshof te Amsterdam
UITSPRAAK op het hoger beroep van X ,
tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/4290 van de rechtbank Haarlem van 19 februari 2007 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Bloemendaal,
1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 15 februari 2005 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak welke is gelegen aan de a-weg in de gemeente Bloemendaal (hierna: de woning) naar de waardepeildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 (hierna: de woz-waarde) vastgesteld op € 2.796.000. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 20 juli 2005, de beschikking gehandhaafd. 1.3. Bij uitspraak van 19 februari 2007, verzonden op 20 februari 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard; de vastgestelde woz-waarde van de woning is door de rechtbank verminderd tot € 2.500.000. 1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 30 maart 2007, bij het Hof ingekomen op eveneens 30 maart 2007. 1.5. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord bij schrijven van 19 juni 2007. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. Overwegingen 2.1. Tussen partijen vaststaande feiten De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende is aangeduid met 'eiser' en de heffingsambtenaar met 'verweerder'): 2.1. Eiser is eigenaar en gebruiker van de woning. De woning betreft een vrijstaand woonhuis met inpandige garage, ondergrond en erf. De inhoud van de woning is ongeveer 1500 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 6253 m². 2.2. Verweerder heeft een taxatierapport overgelegd, waarin de waarde van de woning per 1 januari 2003 is bepaald op € 2.796.000. Verweerder heeft de waarde bepaald na plaatselijke opname op 21 juni 2005. In het rapport worden de volgende vergelijkingsobjecten genoemd: Straat en huisnummer Kad.opp. Inhoud hoofdgebouw
Verkoopprijs Verkoopdatum WOZ-waarde
De woning 6.253 m² 1.540 m³ € 2.796.000 2.3. Bij de stukken bevindt zich een in opdracht van eiser door R.B. Adriaanse opgemaakt taxatierapport, gedateerd 26 september 2005, waarin de waarde van de woning per 1 januari 2003 is bepaald op € 1.850.000. In dit rapport worden de volgende vergelijkingsobjecten genoemd: Adres Verkocht d.d. Verkoopprijs Grondopp.
2.2. Omvang van het geschil in hoger beroep In geschil is de woz-waarde van de woning. 2.3. Oordeel van de rechtbank Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft daartoe met name verwezen naar het onder 2.2. genoemde taxatierapport. De rechtbank acht de door verweerde gehanteerde
vergelijkingsobjecten, met uitzondering van de woning gelegen
aan b-weg 10 , qua ligging en uitstraling zodanig
vergelijkbaar met de woning van eiser dat de marktgegevens
van die objecten gehanteerd kunnen worden bij het onderbouwen
van de waarde van de woning van eiser. Het
vergelijkingsobject b-weg 10 laat de rechtbank buiten
beschouwing, nu eiser ten aanzien van dit object onder
verwijzing naar een uittreksel van het kadaster heeft gesteld
dat dit op de transportdatum "met meer onroerend
goed" is verkregen en verweerder dit niet gemotiveerd
heeft weersproken.
De rechtbank is tevens van oordeel dat door verweerder bij
de waardebepaling voldoende rekening is gehouden met de
tussen de gehanteerde vergelijkingsobjecten en de woning van
eiser bestaande verschillen in inhoud van de hoofdgebouwen en
oppervlakte van de percelen. De rechtbank acht uit het door
eiser naar voren gebrachte niet aannemelijk geworden dat de
omstandigheid dat het perceel van eiser voor een groot
gedeelte bestaat uit bos een waardedrukkend effect heeft, nu
is komen vast te staan dat de (door eiser genoemde:
effectieve) tuin bij eisers woning ongeveer 1.800 m²
bedraagt. Nu voorts als onweersproken vaststaat dat
verweerder bij de bepaling van de grondwaarde door het
gebruik van een grondstaffel rekening heeft gehouden met de
aanzienlijke oppervlakte, acht de rechtbank aannemelijk dat
verweerder de grondwaarde juist heeft vastgesteld.
Eiser heeft gemotiveerd gesteld dat de prijzen in het topsegment van de woningmarkt, waartoe ook de woning van eiser behoort, door de beurskrach die blijkens het door eiser overgelegde verloop van de AEX-index zijn dieptepunt had in de periode van medio 2002 tot medio 2003, zijn gedaald. Deze stelling is ter zitting onderschreven door de taxateur R.B. Adriaanse. Hiertegenover heeft verweerder slechts gesteld dat uit de hem bekende indexcijfers van vrijstaande woningen in Kennemerland wel een stabilisering, maar geen daling van de prijzen in het topsegment volgt. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat de beurskrach een groter (waardedrukkend) effect heeft gehad dan waarvan verweerder is uitgegaan. De verkoopprijzen van de door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten d-weg 17 en e-laan 40 zijn vóór het dieptepunt op de beurs overeengekomen. Eiser heeft ten aanzien van het vergelijkingsobject c-laan 5 onweersproken gesteld dat hoewel de transactiedatum 15 januari 2003 is, de verkoopprijs reeds in de zomer van 2002 is overeengekomen tussen partijen. De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat er door verweerder bij de waardebepaling onvoldoende rekening is gehouden met de invloed van beurskrach op de huizenprijzen en dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De rechtbank stelt de waarde van de woning in goede justitie vast op € 2.500.000 en zal aldus zelf in de zaak voorzien. 2.4. Standpunten van partijen Hiervoor wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep. 2.5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 2.5.1. Het ligt op de weg van de heffingsambtenaar om
aannemelijk te maken dat de woz-waarde van de woning niet te
hoog is vastgesteld.
2.5.2. Het staat vast dat de in het taxatierapport bij de vergelijkingsobjecten als 'verkoopdatum' vermelde datum niet de datum betreft waarop de verkoopovereenkomst tot stand is gekomen, maar de datum waarop de notariële akte van levering is verleden en in het Kadaster is ingeschreven. Het Hof acht de stelling van belanghebbende aannemelijk dat de datum waarop de obligatoire verkoopovereenkomst tot stand is gekomen, gemiddeld drie tot zes maanden vóór de genoemde datum van transport ligt. Dit leidt tot de conclusie dat de verkoopovereenkomst van het door de heffingsambtenaar opgevoerde vergelijkingsobject e-laan 40, dat op 11 september 2001 is getransporteerd, 3 tot 6 maanden voor dat transport tot stand is gekomen. Daarvan uitgaande heeft de verkoop in de loop van het eerste halfjaar van 2001 plaatsgevonden. Dit is naar 's Hofs oordeel te ver verwijderd van de in casu toepasselijke waardepeildatum van 1 januari 2003, zodat de transactiegegevens van dit object niet relevant zijn voor de beoordeling van de vastgestelde woz-waarde van de woning. 2.5.3. Met betrekking tot het pand b-weg 10 heeft
belanghebbende gesteld dat in het Kadaster is vermeld dat dit
object op de transportdatum 'met meer onroerend goed is
verkregen', zodat de door de heffingsambtenaar ter
onderbouwing van de woz-waarde gebruikte verkoopprijs volgens
belanghebbende mede betrekking heeft op (een) andere
onroerende za(a)k(en) die gelijktijdig is of zijn geleverd,
met welk gegeven in het taxatierapport geen rekening is
gehouden bij de herleiding van deze verkoopprijs tot de voor
de woning vastgestelde woz-waarde.
2.5.4. Naar het oordeel van het Hof zijn de objecten
c-laan 5 en d-weg 17, zoals uit het door de heffingsambtenaar
overgelegde taxatierapport valt af te leiden, echter wél in
zodanige mate met de woning van belanghebbende vergelijkbaar
dat de verkoopprijzen van deze objecten terecht mede als
uitgangspunt zijn genomen bij het bepalen van de waarde van
de woning. Uit het rapport leidt het Hof af dat de taxateur
zich rekenschap heeft gegeven van de verschillen in type,
ouderdom, ligging, inhoud en oppervlakte tussen die objecten
en de woning.
2.5.5. De heffingsambtenaar heeft bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegd een overzicht met verkopen van woningen binnen de gemeente Bloemendaal met een woz-waarde van meer dan € 1.000.000. Uit onder meer deze gegevens concludeert de heffingsambtenaar, ter onderbouwing van het door hem ingestelde incidentele hoger beroep, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij de waardevaststelling onvoldoende rekening is gehouden met de prijsontwikkeling rond de waardepeildatum van met de woning vergelijkbare objecten, zodat de uitspraak van de rechtbank volgens de heffingsambtenaar niet in stand kan blijven. 2.5.6. Ter zitting heeft het Hof de heffingsambtenaar voorgehouden dat uit dit overzicht na telkenjare eliminatie van de drie hoogste verkoopopbrengsten en met inachtneming van de tien hierop volgende hoogste transactiebedragen de hierna vermelde gemiddelde verkoopopbrengsten kunnen worden afgeleid: 2001 € 1.873.000
Gelet op voormelde gemiddelde verkoopopbrengsten, welke door de heffingsambtenaar niet zijn weersproken, acht het Hof aannemelijk dat het verloop van de AEX-index welke zijn dieptepunt had in de periode van medio 2002 tot medio 2003 mede van invloed is geweest op de waarde van woningen in het marktsegment van woningen met een waarde van méér dan € 1.000.000, waartoe de woning van belanghebbende behoort; althans dat zich in de genoemde periode (medio 2002 tot medio 2003) een relevante waardedaling heeft voorgedaan in het marktsegment van met de woning vergelijkbare objecten. Met inachtneming van het vorenstaande acht het Hof aannemelijk dat in de genoemde periode rond de waardepeildatum van 1 januari 2003 sprake is geweest van een waardedaling in de orde van grootte van 10 procent op jaarbasis. Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar bij vaststelling van de woz-waarde van de woning ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de zojuist bedoelde waardedaling.. De heffingsambtenaar heeft immers bij de onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde het standpunt verdedigd dat zich in de relevante periode geen daling, maar een stabilisatie van de marktprijzen heeft voorgedaan. Het Hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat - zoals hiervoor onder 2.5.2 overwogen - de in het taxatierapport bij de vergelijkingsobjecten c-laan 5 en d-weg 17 vermelde 'verkoopdatum' de notariële transportdatum van deze objecten betreft en dat het aannemelijk is dat de datum waarop de verkoop van deze objecten is overeengekomen, drie tot zes maanden eerder ligt. Dit betekent dat de verkoopprijzen van de desbetreffende objecten zijn overeengekomen in een periode waarin de vermelde waardedaling tot aan de waardepeildatum zich (gedeeltelijk) nog moest voordoen, terwijl de heffingsambtenaar zoals gezegd met deze waardaling geen rekening heeft gehouden. De ter zitting door de heffingsambtenaar ingenomen stelling dat de genoemde waardedaling wellicht niet specifiek is geweest voor de gemeente Bloemendaal en zich wellicht in geheel Nederland heeft voorgedaan, doet aan de hiervoor weergegeven oordelen niet af. 2.5.7. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op
de juiste wijze rekening gehouden met de onder 2.5.6
vermelde, in onderlinge samenhang te beoordelen
omstandigheden door de vastgestelde woz-waarde - nu beide
partijen de door hen voorgestane waarde niet aannemelijk
hebben gemaakt - in goede justitie te verminderen tot €
2.500.000. Het Hof maakt deze beoordeling van de waarde van
de woning tot de zijne.
2.5.8. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de vergelijkingsobjecten welke zijn genoemd in het taxatierapport dat door belanghebbende in het geding is gebracht onvoldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiser. Naar 's Hofs oordeel hebben deze objecten een mindere uitstraling dan de woning; voorts is de inhoud van deze objecten aanzienlijk kleiner dan de woning. Het Hof kent voor de waardebepaling van de woning dan ook geen gewicht toe aan het door belanghebbende overgelegde taxatierapport, aangezien de daarin getaxeerde waarde mede is gebaseerd op de verkoopgegevens van deze objecten. 2.5.9. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de waardedaling in dit specifieke segment van de woningmarkt rond de waardepeildatum méér heeft belopen dan 10 procent op jaarbasis. 2.5.10. Belanghebbende verwijst naar een overzicht van het kadaster met een volledige staat van verkopen in Aerdenhout rond 1 januari 2003. Het Hof acht daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de door belanghebbende voorgestane waarde dient te worden gevolgd, nu dit overzicht alle transacties binnen de gemeente Aerdenhout behelst en niet slechts verkopen van woningen die vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende. De enkele stelling dat tussen maart 2003 en september 2003 geen transacties hebben plaatsgevonden die leidden tot een verkoopprijs van meer dan € 1.850.000 leidt evenmin tot het oordeel dat de door belanghebbende voorgestane waarde als juist dient te worden aanvaard. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de woz-waarde van de woning dient te worden vastgesteld op het door hem verdedigde bedrag. 2.6. Slotsom De slotsom is dat het hoger beroep en het incidentele hoger beroep ongegrond zijn. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd met verbetering van gronden, als hiervoor aangegeven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is vastgesteld op 5 september 2008 door mrs. O.B. Onnes, P.M.F. van Loon en H.E. Kostense, in tegenwoordigheid van mr. B.A.E.G. Geel-Cieraad als griffier. |
| Datum | 20091218 |