FutD - archief

Nummer fida20093041
Bron Hof Den Haag 30 juni 2009 BK-08/00034
Titel Schade aan woning door verslaafde leidde tot lagere WOZ-waarde
Samenvatting X ging in beroep tegen drie WOZ-beschikkingen van de gemeente Schiedam, omdat hij vond dat de gemeente de WOZ-waarden van de drie woningen te hoog had vastgesteld. Hij wees op het achterstallig onderhoud van de woningen en op het feit dat één van de woningen door een verslaafde aan verdovende middelen bewoond was geweest. De woning was ontruimd en had leeggestaan totdat de schade was hersteld. De herstelkosten bedroegen bijna € 24.000. Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond, waarop X in hoger beroep ging. Hof Den Haag stelde vast dat de gemeente naar aanleiding van het bezwaar van X ten aanzien van twee woningen aanzienlijke bedragen wegens achterstallig onderhoud in mindering had gebracht. De WOZ-waarden waren verminderd van respectievelijk € 122.000 en € 103.000 naar respectievelijk € 90.000 en € 85.000. De gemeente had volgens het Hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarden van die twee woningen niet te hoog waren vastgesteld. Bij de derde woning had de gemeente volgens het Hof echter geen rekening gehouden met de herstelkosten en de omstandigheid dat de woning lang leeg had gestaan. De WOZ-waarde van € 76.000 was te hoog. Het Hof stelde de WOZ-waarde in goede justitie vast op € 60.000.
Tekst

Gerechtshof te 's-Gravenhage
Sector belasting eerste meervoudige belastingkamer
30 juni 2009
Nr. BK-08/00034

UITSPRAAK

op het hoger beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2007, nummer WOZ 06/274-ZWI, betreffende na te noemen beschikkingen en aanslagen.

Beschikkingen, aanslagen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1. Bij in een biljet verenigde beschikkingen als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet), gedagtekend 28 februari 2005, heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Schiedam (hierna: de Inspecteur) de waarde van de na te melden onroerende zaken, alle gelegen te [Z], op de waardepeildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op:

[a-straat 1] € 122.000
[a-straat 2] € 103.000
[b-straat 1] € 76.000

In hetzelfde geschrift zijn aan belanghebbende wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaken aanslagen in de onroerendezaakbelastingen bekend gemaakt.

1.2. Bij brief van 31 maart 2005 heeft belanghebbende tegen de vorenvermelde beschikkingen bezwaar gemaakt, welke bezwaar door de Inspecteur op de voet van artikel 30 lid 2, van de Wet WOZ is aangemerkt als mede te zijn gericht tegen de aanslagen. De Inspecteur heeft:
- het bezwaar bij zes in een geschrift, gedagtekend 14 december 2005, verenigde uitspraken gegrond verklaard;
- de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] nader vastgesteld op € 90.000;
- de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 2] nader vastgesteld op € 85.000;
- de waarde van de onroerende zaak aan [b-straat 1] gehandhaafd;
- de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen betreffende de onroerende zaken aan de [a-straat 1] en de [a-straat 2] dienovereenkomstig verminderd.
Met betrekking tot het bezwaar tegen de aanslag in de onroerendezaakbelastingen betreffende de onroerende zaak aan [b-straat 1] heeft de Inspecteur geen beslissing genomen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 mei 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar is alleen de gemachtigde van belanghebbende verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1 Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in onderdeel 2 van haar uitspraak zijn vastgesteld, waarbij door de rechtbank belanghebbende als eiser is aangeduid.

3.2. Voorts merkt het Hof, op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, als vaststaand aan:

De onroerende zaak aan [b-straat 1] is bewoond geweest door een verslaafde aan verdovende middelen. Deze bewoner heeft veel overlast veroorzaakt en heeft schade aan de woning toegebracht. De woning is ontruimd en heeft daarna leeggestaan totdat de schade was hersteld. De herstelkosten bedroegen € 23.698,59. De woning was per 21 maart 2003 weer verhuurbaar.

Omschrijving geschil, standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil welke waarde per de waardepeildatum 1 januari 2003 aan de afzonderlijke onroerende zaken dient te worden toegekend. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur de waarde van die onroerende zaken te hoog heeft vastgesteld. De Inspecteur handhaaft zijn standpunt dat die waarden niet te hoog zijn vastgesteld.

4.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vaststelling van de waarde van de onroerende zaken aan de [a-straat 1], [a-straat 2] en [b-straat 1] op het bedrag dat voor de onderscheidene onroerende zaken per de waardepeildatum 1 januari 1999 is vastgesteld.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet moet de waarde van de onroerende zaken worden bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaken dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die door de meestbiedende koper zou worden besteed bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding. Ingevolge artikel 18 eerste lid van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

6.2. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarden heeft de Inspecteur verwezen naar de afzonderlijke taxatierapporten van [A], WOZ-taxateur. De afzonderlijke taxatierapporten vermelden voor de betreffende onroerende zaak de vergelijkingsobjecten, waarbij naast een foto van elk vergelijkingsobject de specifieke omstandigheden van het object in een matrixtabel zijn opgenomen, zoals de ligging, de inhoud van de opstal en de onderhoudstoestand ervan.

[a-straat 1]en [a-straat 2]

6.3. De Inspecteur heeft bij de heroverweging van de waarde een aanzienlijk bedrag wegens achterstallig onderhoud van de betreffende onroerende zaak in mindering gebracht. Hij heeft met het betreffende taxatierapport, de daarin opgenomen vergelijkingsobjecten en de gerealiseerde verkoopprijzen van deze onroerende zaken voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] en die aan de [a-straat 2] per 1 januari 2003 niet te hoog is vastgesteld.

[b-straat 1]

6.4. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de onroerende zaak lange tijd leeg heeft gestaan en dat sprake was van herstelkosten ten bedrage van € 23.698,59 voordat de woning per 21 maart 2003 weer verhuurbaar was. Hetgeen de Inspecteur hiertegen heeft aangevoerd - dat de onroerende zaak gewaardeerd dient te worden naar de toestand van het object op 1 januari 2005 - is gelet op het wettelijke uitgangspunt onjuist. Hieruit volgt dat de door de Inspecteur vastgestelde waarde te hoog is.

6.5. De door belanghebbende voorgestane waarde die door de Inspecteur per de waardepeildatum 1 januari 1999 voor een eerder tijdvak is vastgesteld, volgt het Hof niet. Gesteld noch gebleken is dat de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999 de waarde in het economisch verkeer per 1 januari 2003 representeert.

6.6. Aangezien geen van de partijen de door hem voorgestane waarde aannemelijk heeft gemaakt, stelt het Hof de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vast op € 60.000.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door de belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.288 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep (4 punten à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)).

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling van de zaak in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van € 37 respectievelijk € 106, in totaal € 143, aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij de waarde van de onroerende zaak [b-straat 1] is gehandhaafd op € 76.000;
- wijzigt de beschikking betreffende de onroerende zaak [b-straat 1] aldus, dat de waarde van die onroerende zaak wordt vastgesteld op € 60.000;
- vermindert de aanslag in de onroerendezaakbelastingen betreffende de onroerende zaak [b-straat 1] aldus, dat deze nader wordt berekend naar een heffingsmaatstaf van € 60.000;
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep en het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.288, onder aanwijzing van de gemeente Schiedam als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
- gelast de gemeente Schiedam aan belanghebbende een bedrag van € 143 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. baron van Knobelsdorff en J.V. van Noorle Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 30 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

Datum 20090630