| Nummer | fida20092589 |
|---|---|
| Bron | Hoge Raad 19 juni 2009 08/02288 |
| Titel | Fiscus behaalt nederlaag in strijd tegen pensioenvlucht |
| Samenvatting | De Belastingdienst mag aan emigranten geen conserverende aanslag meer opleggen over in Nederland opgebouwde pensioenaanspraken. Dit heeft de Hoge Raad op 19 juni 2009 beslist in een drietal arresten naar aanleiding van drie uitspraken van Hof Den Bosch waartegen de staatssecretaris in cassatie was gegaan. Hof Den Bosch had beslist dat het opleggen van een conserverende aanslag terzake van een pensioenaanspraak in strijd was met belastingverdragen en met de goede verdragstrouw. In cassatie had de staatssecretaris gesteld dat daar geen sprake van was, omdat de nieuwe woonlanden waarnaar de belastingplichtigen waren geëmigreerd het heffingrecht over de toekomstige pensioenuitkeringen of afkoopsommen daarvan hadden en de Nederlandse conserverende aanslag daar niets aan veranderde. In de arresten waarnaar de belastingadviespraktijk reikhalzend uitkeek, heeft de Hoge Raad de staatssecretaris in het ongelijk gesteld. Volgens de Hoge Raad is de fictie op grond waarvan de waarde van de opgebouwde pensioenrechten bij emigratie als loon in de Nederlandse heffing wordt betrokken op een ondeelbaar moment voorafgaand aan de emigratie, in strijd met de goede trouw die bij de uitleg en toepassing van een belastingverdrag in acht moet worden genomen. De zaken betroffen die van drie belastingplichtigen die in 2001 naar respectievelijk Frankrijk, Korea en de Filippijnen waren geëmigreerd. De inspecteur had conserverende aanslagen opgelegd naar de waarde in het economische verkeer van de tot het tijdstip van emigratie bij in Nederland gevestigde pensioenfondsen opgebouwde pensioenaanspraken die als loon in aanmerking waren genomen op grond van artikel 3.83, lid 1, juncto artikel 3.146, lid 3, Wet IB 2001. De Hoge Raad concludeerde dat artikel 3.83, lid 1, Wet IB 2001 wegens strijd met de aan de orde zijnde belastingverdragen buiten toepassing moest blijven. |
| Tekst |
Hoge Raad der Nederlanden
ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 april 2008, nr. 06/00391, betreffende een aan X te Z, Filippijnen (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een conserverende
aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij
uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep
in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan
dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Uitgangspunten in cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Op 16 april 2001 heeft belanghebbende Nederland metterwoon verlaten om zich op de Filippijnen te vestigen. Op dat moment had hij aanspraken op pensioen en lijfrenten bij het in Nederland gevestigde pensioenfonds B en aanspraken op lijfrenten bij de in Nederland gevestigde A. De toekenning van de desbetreffende pensioenaanspraken was op grond van de wettelijke regelingen betreffende de loon- en inkomstenbelasting vrijgesteld. De premies voor lijfrenten waren op grond van de wettelijke regelingen betreffende de inkomstenbelasting aftrekbaar. 3.1.2. Aan belanghebbende is een conserverende aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor het onderhavige jaar, welke aanslag in de eerste plaats betrekking heeft op de waarde in het economische verkeer van de tot het tijdstip van emigratie opgebouwde aanspraken op pensioen die als loon in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.83, lid 1, in verbinding met artikel 3.146, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Voorts heeft de aanslag betrekking op de waarde in het economische verkeer van de tot het tijdstip van emigratie opgebouwde aanspraken op lijfrenten die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.136, lid 1, in verbinding met artikel 3.137, lid 1, van de Wet. 3.1.3. Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft de Inspecteur bij ambtshalve genomen beschikking van 29 juni 2007 de conserverende aanslag verminderd tot een aanslag die is berekend op basis van de waarde van belanghebbendes pensioenaanspraken. 3.2. Voor het Hof was in geschil of de toepassing van de in 3.1.2 vermelde wettelijke regeling met betrekking tot de emigratieheffing voor belastingplichtigen met pensioenaanspraken strookt met het belastingverdrag tussen Nederland en de Filippijnen van 9 maart 1989 (hierna: het Verdrag). Het Hof heeft - samengevat weergegeven - geoordeeld dat Nederland de waarde van de pensioenaanspraken alleen in de heffing mag betrekken wanneer dat bij verdrag is toegestaan, en dat van dit laatste geen sprake is aangezien het heffingsrecht over pensioenen exclusief aan de woonstaat, de Filippijnen, is toegewezen, waarbij het Hof klaarblijkelijk het oog heeft gehad op artikel 18 van het Verdrag. Het middel richt zich tegen dit oordeel. 4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel 4.1.1. Op grond van artikel 3.83, lid 1, van de Wet wordt de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling tot het loon van de belastingplichtige gerekend indien deze de (gewezen) werknemer is aan wie het pensioen is toegezegd en anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn. Op grond van artikel 3.146, lid 3, van de Wet wordt dit loon in geval van emigratie geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk aan de emigratie voorafgaat. 4.1.2. De omstandigheid dat het loon volgens de Nederlandse wetgeving geacht wordt te zijn genoten op een tijdstip waarop de belastingplichtige nog ingezetene van Nederland is, brengt in beginsel mee dat de (gewezen) werknemer ter zake van een heffing over dat loon geen beroep kan doen op rechten die op grond van een belastingverdrag toekomen aan inwoners van het land waarnaar hij zijn woonplaats verlegt. Een heffing die aangrijpt bij emigratie kan evenwel in strijd komen met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitlegging en toepassing van het belastingverdrag tussen de betrokken staten, als daarmee een voordeel wordt belast dat naar zijn werkelijke aard bezien - al dan niet potentieel - ter heffing is toegewezen aan de immigratiestaat. 4.1.3. Ten aanzien van (aanspraken op) pensioen bevat het Verdrag twee toewijzingsregels die achtereenvolgens voor toepassing in aanmerking kunnen komen en elkaar wederzijds uitsluiten, namelijk de artikelen 15 en 18. De toekenning van een aanspraak op pensioen is een beloning ter zake van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 15 van het Verdrag. Op grond van deze bepaling mag Nederland in een verdragssituatie (de waarde van) de aanspraak belasten, indien de dienstbetrekking in Nederland wordt uitgeoefend. Nederland stelt deze bate echter onvoorwaardelijk vrij van belasting wanneer sprake is van een pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Inkomsten die naderhand voortvloeien uit de toegekende aanspraak op pensioen, worden uitsluitend bestreken door artikel 18 van het Verdrag. 4.1.4. De regeling van artikel 3.83, lid 1, in verbinding met artikel 3.146, lid 3, van de Wet voorziet niet in het alsnog in de belasting betrekken van de indertijd vrijgestelde aanspraak , maar belast de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde pensioenrechten op basis van een fictie. Aangezien de pensioenaanspraak alleen bij de verkrijging ervan onder artikel 15 van het Verdrag valt, kan de fictie uit de zojuist vermelde wetsbepalingen niet bewerkstelligen dat de belastingheffing wegens na die toekenning optredende gebeurtenissen aan de werking van artikel 18 van het Verdrag wordt onttrokken (vgl. HR 13 mei 2005, nr. 39610, BNB 2005/233). 4.1.5. Ten aanzien van de werking van artikel 18 van het Verdrag moet verder worden vastgesteld dat de emigratie van belanghebbende zonder de genoemde fictie tot gevolg heeft dat alle inkomsten die uit pensioenaanspraken voortvloeien, zowel pensioenen als soortgelijke beloningen, op grond van dit artikel uitsluitend belastbaar zullen zijn in zijn woonland, de Filippijnen. Een fictie op grond waarvan de waarde van de opgebouwde pensioenrechten als loon in de Nederlandse heffing wordt betrokken op een ondeelbaar moment voorafgaand aan de emigratie, komt onder die omstandigheden in strijd met de goede trouw die bij de uitleg en toepassing van het Verdrag in acht dient te worden genomen (vgl. HR 5 september 2003, nr. 37657, BNB2003/380). Daaraan kan niet afdoen dat belanghebbende op het moment waarop de Wet het belastbare feit fingeerde nog in Nederland woonde. Nu de toewijzing van de heffingsbevoegdheid op basis van artikel 18 van het Verdrag onmiddellijk daarna van toepassing werd, wordt de werking van die toewijzing door de onderhavige fictie immers evenzeer op een onaanvaardbare wijze doorkruist als bij een soortgelijke fictie die aanknoopt bij gebeurtenissen op een moment waarop de belastingplichtige niet (meer) in Nederland woont. 4.2. Uit het hiervoor in 4.1 overwogene volgt dat toepassing van artikel 3.83, lid 1, van de Wet in het onderhavige geval wegens strijd met het bepaalde in artikel 18 van het Verdrag achterwege dient te blijven. Het middel faalt derhalve. 5. Beoordeling van het incidentele beroep Nu het incidentele beroep alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, behoeft het geen behandeling. 6. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het Hof de aanslag, zoals die was verminderd bij de ambtshalve genomen beschikking, vermeld in 3.1.3, had moeten vernietigen. Nochtans heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank, waarbij de aanslag is verminderd, bevestigd. 7. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 8. Beslissing De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2009. Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447. Beroepschrift in cassatie (gedeeltelijk opgenomen) Den Haag, 26 MEI 2008 Kenmerk: DGB 2008-2462 Beroepschrift in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof te s-Hertogenbosch van 22 april 2008, nr. 06/00391, inzake X te Z (Filippijnen), domicilie te Q betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001. Van deze uitspraak is op 22 april 2008 een afschrift aan de Belastingdienst/P toegezonden. AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Als middel van cassatie draag ik voor: Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 3.83 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna Wet IB 2001) en de artikelen 15 en 18 van de overeenkomst van 9 maart 1989 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filippijnen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Trb. 1989, 57 (hierna: het verdrag), doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het door Nederland bij de emigratie van de belastingplichtige in aanmerking nemen van conserverend inkomen ter zake van pensioenen (conserverende aanslag) in strijd is met het verdrag. Toelichting op het cassatiemiddel
Vastgestelde feiten en geschil
Ter zake van zijn emigratie is aan belanghebbende per 9 december 2004 een conserverende aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd als bedoeld in de artikelen 3.83, eerste lid, en artikel 3.136, eerste lid, van de Wet IB 2001. De conserverende aanslag bedraagt per saldo € 265.479, uitgaande van een te conserveren inkomen van € 441.240aan pensioenaanspraken en € 69.296 aan lijfrente aanspraken. Daarbij zijn tevens bij beschikking heffings- en revisierente in rekening gebracht. Voor deze conserverende aanslag is aan belanghebbende automatisch uitstel van betaling verleend voor een periode van tien jaar, zonder dat daarvoor zekerheidsstelling wordt geëist. Het uitstel wordt beëindigd bij afkoop, vervreemding of anderszins niet regulier afwikkelen van het pensioenrecht binnen deze tien jaar. De lijfrente-uitkeringen van A zijn per oktober 2002 beëindigd en de flexibele pensioenuitkeringen van B zijn per 1 januari 2003 beëindigd. Op grond van het Belastingplan 2006 is de in de conserverendeaanslag begrepen heffingsrente met terugwerkende kracht van rechtswege vervallen. Rechtbank en Hof hebben geoordeeld dat de conserverende aanslag voor zover die ziet op de pensioenaanspraken ten tijde van de emigratie verminderd dient te worden. Het te conserveren inkomen is verminderd tot het bedrag van lijfrente-aanspraken ad ê 69.296. De revisierente dient dan overeenkomstig te verminderen. Geschil Voor het Hof was in geschil of de litigieuze conserverende aanslag en de beschikkingen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Het Hof acht de beslissing van de Rechtbank Breda 1 niet onjuist en heeft geoordeeld dat Nederland het systeem van conserverende aanslagen slechts mag gebruiken indien en voor zover Nederland op grond van het verdrag heffingsrechten heeft. Die rechten mag Nederland met dat systeem waarborgen door het vaststellen van de belastingschuld met uitgestelde invordering. Nu het heffingsrecht over het onderhavige pensioen echter bij artikel 18 van het verdrag exclusief aan de Filippijnen is toegewezen, mag Nederland voor deze en dergelijke inkomsten het systeem van conserverende aanslagen niet gebruiken. Beroep in cassatie Het beroep in cassatie richt zich tegen het oordeel van het Hof over de onverenigbaarheid van de conserverende aanslag met het verdrag. Uitspraak Hof Het Hof komt tot het oordeel dat de wettelijke regeling van de conserverende aanslag feitelijk ertoe leidt dat Nederland eenzijdig het heffingsrecht over pensioenuitkeringen en soortgelijke beloningen van inwoners van de Filippijnen - gedeeltelijk - naar zich toetrekt, terwijl in het verdrag is opgenomen dat de heffing over dergelijke uitkeringen exclusief aan de Filippijnen is toegewezen. Door het opleggen van een conserverende aanslag handelt Nederland naar de mening van het Hof in strijd met de bepalingen van het verdrag en met de goede trouw die Nederland, mede krachtens het bepaalde in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, Trb. 1977, 169, jegens de verdragspartner is verschuldigd. De omstandigheid dat in de Wet I;B 2001 de belastingheffing over de pensioenuitkeringen door de wetsficties van artikel 3.83, 3.136 en 3.146 is vormgegeven als het genieten van inkomen op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de emigratie, doet hier niets aan af. Voor het oordeel of de heffing in strijd is met het verdrag dient uitgegaan te worden van de feitelijke situatie. Kort gezegd oordeelt het Hof met het vorenstaande dat Nederland met de invoering van de conserverende aanslagvoor pensioenen en lijfrenten in de Wet IB 2001 zijn heffingsrechten onder het verdrag in strijd met de verdragstrouw eenzijdig en posterieur heeft uitgebreid (treaty overvide). Voorts oordeelt het Hof dat Nederland door bij de conserverende aanslag rekening te houden met latere waardedalingen in feite heft op het moment van een eventuele latere afkoop. Heffing over dergelijke afkoopsommen is op grond van het ar r est HR 13 mei 1987, nr. 24 315, BNB 1987/207 toegewezen aan de woonstaat en derhalve niet aan Nederland.
Conserverende aanslag ter zake van pensioenaanspraken
'Met dit artikel wordt beoogd het genoten
belastingvoordeel bij pensioenopbouw terug te nemen als het
pensioen wordt afgekocht, verpand e.d. in een periode waarin
de belastingplichtige niet langer in Nederland woont (het
belastingvoordeel bestaat uit toepassing van de omkeerregel
waardoor pensioenaanspraken niet tot het loon worden
gerekend, uitkeringen daarentegen zijn belast). (...)
'Evident is dat een conserverende aanslag alleen zal
worden ingevorderd indien zich een oneigenlijke handeling
voordoet. In de situatie waarin een reguliere uitvoering van
de pensioenregeling plaatsvindt zal niet tot invordering van
de conserverende aanslag worden overgegaan. Met de
conserverende aanslag is slechts beoogd de Nederlandse
fiscale claim zeker te stellen. In de conserverende aanslag
worden, zoals hiervoor reeds is aangegeven, slechts die
aanspraken begrepen waarop reeds een Nederlandse fiscale
claim rust.'
Uit het vorenstaande volgt dat de systematiek van de conserverende aanslag bij pensioenaanspraken is bedoeld om te komen tot een coherent heffingssysteem aangaande pensioenen. Hierbij staat ook het territorialiteitsbeginsel, verbonden met een temporele component, centraal. De conserverende heffing ziet namelijk enkel op het deel van de pensioenaanspraak voor de opbouw waarvan een fiscale faciliteit is verleend. Nederland heft alleen als de fiscale faciliëring van de aanspraak, inclusief de onbelaste aangroei van de aanspraak, plaats heeft gevonden tijdens de periode dat belanghebbende inwoner en belastingplichtige was in Nederland. Op grond van art. 3.83, derde lid, van de Wet IB 2001 wordt de waarde van de opgebouwde aanspraken verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste is gekomen van het belastbaar inkomen uit werk en woning. Dit is opgenomen om te voorkomen dat bij voortgezette pensioenopbouw de aanspraak die betrekking heeft op de periode waarin de belastingplichtige in het buitenland woont en werkt - het gedeelte waarop geen Nederlandse belastingclaims rusten - ook wordt begrepen in de grondslag voor de conserverende aanslag. Daarnaast zijn aan de conserverende aanslag elementen van een anti-ontgaansmaatregel te onderkennen. Zolang met het pensioen geen in de fiscale wetgeving gesanctioneerde handeling plaatsvindt (afkoop, vervreemding of anderszins niet reguliere afwikkeling van pensioen), waardoor de kwalificatie als pensioenvoorziening wijzigt, wordt de conserverende aanslag niet ingevorderd. Indien bijvoorbeeld de pensioenaanspraak wordt afgekocht, dan wordt de conserverende aanslag waarin de in Nederland opgebouwde aanspraken zijn begrepen vanwege het niet meer voldoen aan de voorwaarden alsnog ingevorderd. Van het belasten van de afkoopsom is als zodanig echter geen sprake. 3 De conserverende aanslag bevat derhalve een anti-misbruikkarakter, waarvan een zekere prohibitieve werking uitgaat. In wezen gaat het bij een conserverende aanslag bij pensioen om het regulariseren van een voorheen onbelast gelaten aanspraak. Artikel 3.83van de Wet IB 2001 bepaalt dat indien een binnenlandse belastingplichtige emigreert en met toepassing van de fiscale faciliteiten pensioen heeft opgebouwd, de economische waarde van de opgebouwde pensioenrechten tot het moment van emigratie tot het belastbare loon wordt gerekend. Via de systematiek van de conserverende aanslag wordt deze claim van de Nederlandse fiscus verzekerd en daadwerkelijk ingevorderd indien zich een besmette handeling voordoet. Als de pensioenregeling op reguliere wijze wordt uitgevoerd, leidt artikel 3.83 uiteindelijk dus niet tot een invordering. Aan het opleggen van de conserverende aanslag zijn voor belanghebbende in het kader van zijn emigratie, anders dan te worden geconfronteerd met een formele belastingschuld, feitelijk geen gevolgen verbonden 4 : uitstel van betaling is automatisch verleend voor een periode van tien jaren zonder dat daaraan voorwaarden zijn verbonden, geen zekerheidstelling is vereist en vaststaat dat het bedrag van de aanslagwordt kwijtgescholden na verloop van tien jaren waarvoor het uitstel geldt. Dat de waarde in het economisch verkeer van de opgebouwde aanspraak tot het loon gerekend wordt, betekent dat tevens het in de binnenlandse periode opgebouwde rendement bij de emigratie in aanmerking wordt genomen. Daarmee is echter niet beoogd te heffen over een (fictieve) afkoopsom. Het mede in de emigratieheffing betrekken van het in de binnenlandse periode opgebouwde rendement is gegrond op het niet belasten van de pensioenaanspraak in box 3 gedurende de binnenlandse belastingplicht. Met name om uitvoeringstechnische redenen wordt niet aangesloten bij het forfaitaire rendement dat, jaarlijks naar de standen in het desbetreffende jaar, in aanmerking zou genomen zijn indien de aanspraak daadwerkelijk onder box 3 zou zijn belast, maar bij de waarde in het economische verkeer ten tijde van de emigratie. Zie in dit kader ook de lopende procedure in het door mij ingestelde beroep tegen de uitspraak van Hof 's-Hertogenbosch van 11 april 2007, VN 2007/33.12, bij u bekend onder rolnr. 44 051.
Goede trouw en treaty override
Het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen en/of afkoopsommen van pensioen na de emigratie blijft gewoon bij het woonland (Filippijnen) liggen. Van enige uitholling van die rechten is dan ook geen sprake. Alleen in die gevallen waarin de opgebouwde aanspraken niet langer dienen als oudedagsvoorziening en dus zijn aan te merken als reguliere loonaanspraken, wordt de opbouw van deze aanspraken over de Nederlandse periode belast. Allereerst wil ik opmerken dat bij emigratie pensioenaanspraken geacht worden te zijn genoten onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn. Het opleggen van een conserverende aanslag over een beclaimde pensioenaanspraak vormt geen schending van het door Nederland gesloten bilaterale verdrag met de Filippijnen, omdat de heffing aangrijpt op het laatste moment waarop de belastingplichtige nog inwoner van Nederland is en het verdrag derhalve niet van toepassing is. Het belastbare feit doet zich immers voor in de binnenlandse periode, zodat geen sprake is van een grensoverschrijdende situatie waarop het belastingverdrag zou kunnen zien. Van treaty override is geen sprake. Ik verwijs hierbij naar de parlementaire behandeling bij de invoering van de conserverende aanslag bij pensioenen: De leden van de fractie van de WD vragen om een reactie op
de kritiek dat het opleggen van een conserverende aanslag een
niet aanvaardbare, vorm van treaty-override is. Onze reactie
hierop luidt als volgt. Om te kunnen beoordelen of sprake is
van treatyoverride moet een duidelijk onderscheid worden
gemaakt tussen heffingsrechten die worden opgelegd aan
inwoners van de eigen staat, in dit geval Nederland, en
heffingsrechten die worden opgelegd aan inwoners van de
andere verdragsstaat. Voor de toepassing van
belastingverdragen is dit onderscheid namelijk van wezenlijke
betekenis als het gaat om toedeling van heffingsrechten. In
dit verband is het van belang de regeling van de
conserverende aanslag in twee categorieën te onderscheiden,
te weten de conserverende aanslag die aan een inwoner van
Nederland kan worden opgelegd (artikel 3.3.4 en 3.8.5), en de
conserverende aanslag die aan een inwoner van een andere
staat kan worden opgelegd (artikel 7.2.1). Een conserverende
aanslag die wordt opgelegd aan een inwoner van Nederland
bijvoorbeeld omdat hij zijn pensioenkapitaal overdraagt aan
een buitenlandse verzekeraar dan wel met een opgebouwd
pensioenkapitaal emigreert, is niet in strijd met de
toedeling van heffingsrechten in het verdrag met het land
waarde verzekeraar is gevestigd of waarnaar de
belastingplichtige emigreert aangezien de aanslag slechts
betrekking heeft op de binnenlandse periode: de gehele gang
van zaken speelt zich af in binnenlandse verhoudingen.
Verdragstoepassing is niet aan de orde. Iets anders is als
aan een inwoner van de andere verdragsstaat een conserverende
aanslag wordt opgelegd met toepassing van artikel 7.2.1
bijvoorbeeld omdat In Nederland opgebouwd
pensioenkapitaalaaneen buiten Nederland gevestigde
verzekeraar wordt overgedragen. In dat geval is de aanslag
opgelegd over de buitenlandse periode, en zal, indien het
belastingverdrag daarover aanleiding toe geeft, Nederland
terugtreden. In beide gevallen is treaty-override dan niet
aan de orde.'
Zie in dit kader ook de uitspraak van Rechtbank Haarlem van 26 april 2007, nr. 06/4218, LJN:BA4789. Het ging in die zaak om een geval waarin de belanghebbende in 2002 naar de verenigde Staten van Amerika is geëmigreerd. Ter zake van die emigratie werd aan hem een conserverende aanslag opgelegd. Het geconserveerde inkomen bestond - net als in het onderhavige geval - uit aanspraken ingevolge een pensioenregeling. Rechtbank Haarlem heeft de conserverende aanslag in stand gelaten. De benadering van rechtbank Haarlem is ook in casu toepasselijk. Ook in de onderhavige zaak is de emigratieheffing gebaseerd op de reële vermogenstoename in de periode van binnenlandse belastingplicht, die in de heffing wordt betrokken op. Althans vlak voor, het moment waarop belanghebbende ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Aldus komt men ook niet toe aan verdragstoepassing. Dat bij waardedaling van de pensioenaanspraak na emigratie een gedeelte van de conserverende aanslag wordt kwijtgescholden, omdat een emigrant anders tegen een hogere heffing zou aanlopen dan een belastingplichtige die in Nederland blijft wonen, betekent niet zoals het Hof in r.o. 4.7. heeft geoordeeld dat daarmee in werkelijkheid wordt geheven op het moment van de afkoop zelf. In de eerste plaats verliest het Hof hierbij uit het oog dat geen rekening wordt gehouden met (de vaker voorkomende) waardestijging van de aanspraak na emigratie. In de tweede plaats is deze redenering impliciet door de Hoge Raad verworpen in het arrest HR 24 oktober 2003, nr. 37 565, BNB 2004/257. In die zaak had A-G Van Kalmthout geconcludeerd dat door de uitgestelde invordering in feite werd geheven op het moment waarop de besmette realisatiehandeling werd verricht. De Hoge Raad nam deze benadering niet over. Uw Raad 5 heeft ten aanzien van de conserverende heffing ter zake van aanmerkelijk belangaandelen voor de toepassing van de BRK 6 reeds geoordeeld dat het belastbare feit voor de exitheffing plaatsvindt op een tijdstip voordat de a.b.-houder inwoner wordt van de andere verdragsstaat en dus op een moment waarop het verdrag formeel nog niet van toepassing is. '3.3.1. Artikel 20a, lid 6, aanhef en letter i, van de Wet
bepaalt dat onder een vervreemding van aandelen wordt
begrepen het anders dan door overlijden ophouden binnenlands
belastingplichtig te zijn. In artikel 25, lid 6, van de
Invorderingswet 1990 wordt bepaald dat voor de aldus
verschuldigde belasting uitstel van betaling kan worden
verleend, dat onder meer beëindigd wordt ingeval de
desbetreffende aandelen worden vervreemd. Voorts bepaalt
artikel 26, lid 2, van de Invorderingswet 1990 dat het na
tien jaar nog op de aanslag openstaande bedrag zal worden
kwijtgescholden. De gehele regeling komt erop neer dat de
belasting met name betaald moet worden indien binnen de
tienjaarsperiode de desbetreffende aandelen worden vervreemd.
Hierdoor wordt de vraag opgeroepen of de regeling, hoewel
deze de waardestijging van de aandelen belast op een tijdstip
gelegen voor de emigratie van de aandeelhouder, dus op een
tijdstip waarop de BRK voor hem nog niet geldt, in strijd
komt met artikel 12 van de BRK, welke bepaling de heffing
over voordelen uit vervreemding van aandelen genoten door een
natuurlijk persoon in beginsel toewijst aan het woonland.
Uw Raad heeft in dit arrest duidelijk aangegeven dat de conserverende aanslag wordt opgelegd op 'een tijdstip gelegen voor de emigratie van de aandeelhouder, dus op een tijdstip waarop de BRK voor hem nog niet geldt'. Artikel 12 BRK staat er derhalve niet aan in de weg dat Nederland Tot het moment waarop een aanmerkelijkbelanghouder van Nederland naar de Nederlandse Antillen emigreert' mag heffen over de waardestijging van de aandelen. Uitgaande hiervan stel ik mij op het standpunt dat dit arrest eveneens betekenis heeft voor de conserverende aanslag ter zake van pensioen in de onderhavige verdragsrelatie Nederland-Filippijnen. Immers, zowel in de situatie van een emigrerende a.b.-houder als in de onderhavige situatie van een emigrerende pensioengerechtigde wordt een conserverende aanslag opgelegd op het moment voorafgaand aan de emigratie. In dat geval staat het verdrag er niet aan in de weg dat Nederland heft over de tot het moment van emigratie opgebouwde pensioenaanspraak van een belastingplichtige. Dit wordt niet anders nu het moment van invordering van de conserverende aanslag is uitgesteld totdat een besmette handeling plaatsvindt. Zie in dit verband ook Peters '7 en De Soeten 8 . Laatstgenoemde heeft voor de conserverende aanslag ter zake van winst uit aanmerkelijk belang opgemerkt dat "ten aanzien van de voorgestelde afrekening bij emigratie van de aandeelhouder kan geconcludeerd worden dat een beroep op een belastingverdrag teneinde deze heffing te vermijden niet aan de orde zal zijn. De heffing vindt plaats voordat c.q. op het moment dat de belastingplichtige Nederland verlaat, dat wil zeggen op het laatste moment van binnenlandse belastingplicht. Er is nog geen sprake van het zijn van inwoner van het andere land, en het belastingverdrag komt dus niet aan de orde.°
Verschillen met uw arrest van 5 september 2003, BNB
2003/380 (Singapore-arrest)
9
Geen fictief voordeel
Verdrag Nederland - Filippijnen
In dit kader dient te worden bedacht dat de belastingverdragen "slechts° voorzien in toewijzingsregels voor de verschillende inkomsten waarbij de heffingsrechten worden verdeeld. Het bepaalt niet de wijze waarop de bronstaat het te belasten bedrag van de inkomsten uit pensioen vaststelt, noch schrijft het voor op welke wijze de woonstaat dubbele belasting van inkomsten uit buitenlands pensioen dient te voorkomen. Dat is een aangelegenheid die door het interne recht van de bronstaat respectievelijk de woonstaat wordt beheerst. Het is dan aan de nationale wetgeving van de betrokken staat om te bepalen in hoeverre en op welke wijze een aan die staat toegewezen inkomensbestanddeel in de heffing wordt betrokken. Bij deze toewijzingsregels ligt de nadruk in eerste instantie op de positie van de bronstaat; de bronstaat is alleen bevoegd tot heffing indien bepaalde inkomsten expliciet aan deze staat worden toegewezen. De woonstaat kan in beginsel het gehele wereldinkomen volgens zijn eigen nationale wetgeving in de heffing betrekken, maar dient voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor de inkomensbestanddelen die in overeenstemming met het verdrag in de bronstaat mogen worden belast. Indien echter twee landen een bepaald inkomensbestanddeel dat ter heffing is toegewezen aan de woonstaat naar nationaal recht op verschillende momenten in de heffing betrekken, dan kan zich bij een tussentijdse emigratie van de belastingplichtige de situatie voordoen dat de inkomst (deels) in beide landen wordt belast. Het belastingverdrag Iaat zich eenvoudigweg niet uit over de vraag wie de sterkste claim heeft op de pensioenaanspraak voor emigratie. 11 Artikel 23 OESO-modelverdrag (artikel 22 belastingverdrag met de Filippijnen) biedt voor deze "multiple residence taxation°-problematiek slechts gedeeltelijk een oplossing door te bepalen dat de woonstaat voorkoming van dubbele belasting moet verlenen met betrekking tot de inkomensbestanddelen die primair in de bronstaat mogen worden belast. In feite zijn de belastingverdragen ook niet gericht op het oplossen van dergelijke situaties van multiple residence taxation. Zie in dit verband par. 4.1 - 4.3 van het OESO-commentaar op artikel 23A/B OESO-modelverdrag en de onderdelen 37 tot en met 46 (multiple residence taxation) van het OESO-rapport "Cross-border income tax issues arising from employee stock option plans" 12 . Overigens houdt Nederland in de spiegelbeeldige situatie wel rekening met het buitenlandse pensioen. Indien bijvoorbeeld een inwoner van Nederland ter zake van zijn werkzaamheden uit vroegere buitenlandse dienstbetrekking een uitkering ingevolge een buitenlandse pensioenregeling ontvangt, wordt deze uitkering integraal in box 1 in de belastingheffing betrokken, voor zover over de waarde van de aanspraken niet een met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting vergelijkbare heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden. Dit is neergelegd in artikel 3.82, onderdeel b, van de Wet IB 2001. In de spiegelbeeldige situatie waarin belanghebbende als Filippijnse immigrant naar Nederland verhuist en in de Filippijnen een pensioen heeft opgebouwd waarover de Filippijnen geen fiscale faciliteit hebben verleend of de fiscale faciliteit hebben teruggenomen, zal dit meebrengen dat Nederland voor de heffing van de inkomstenbelasting deze uitkering buiten beschouwing laat. Voorwaarde is wel dat de uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in art. 1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 (dat is een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, die naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd) plaatsvindt, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en omvang overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. Het Nederlandse systeem is derhalve coherent.
Conclusie ten aanzien van de verdragstrouw
Conclusie ten aanzien moment van heffing
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven. DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
VOETNOTEN BEROEPSCHRIFT:
|
| Datum | 20090619 |