| Nummer | fida20092587 |
|---|---|
| Bron | Hoge Raad 19 juni 2009 07/13267 |
| Titel | Fiscus behaalt nederlaag in strijd tegen pensioenvlucht |
| Samenvatting | De Belastingdienst mag aan emigranten geen conserverende aanslag meer opleggen over in Nederland opgebouwde pensioenaanspraken. Dit heeft de Hoge Raad op 19 juni 2009 beslist in een drietal arresten naar aanleiding van drie uitspraken van Hof Den Bosch waartegen de staatssecretaris in cassatie was gegaan. Hof Den Bosch had beslist dat het opleggen van een conserverende aanslag terzake van een pensioenaanspraak in strijd was met belastingverdragen en met de goede verdragstrouw. In cassatie had de staatssecretaris gesteld dat daar geen sprake van was, omdat de nieuwe woonlanden waarnaar de belastingplichtigen waren geëmigreerd het heffingrecht over de toekomstige pensioenuitkeringen of afkoopsommen daarvan hadden en de Nederlandse conserverende aanslag daar niets aan veranderde. In de arresten waarnaar de belastingadviespraktijk reikhalzend uitkeek, heeft de Hoge Raad de staatssecretaris in het ongelijk gesteld. Volgens de Hoge Raad is de fictie op grond waarvan de waarde van de opgebouwde pensioenrechten bij emigratie als loon in de Nederlandse heffing wordt betrokken op een ondeelbaar moment voorafgaand aan de emigratie, in strijd met de goede trouw die bij de uitleg en toepassing van een belastingverdrag in acht moet worden genomen. De zaken betroffen die van drie belastingplichtigen die in 2001 naar respectievelijk Frankrijk, Korea en de Filippijnen waren geëmigreerd. De inspecteur had conserverende aanslagen opgelegd naar de waarde in het economische verkeer van de tot het tijdstip van emigratie bij in Nederland gevestigde pensioenfondsen opgebouwde pensioenaanspraken die als loon in aanmerking waren genomen op grond van artikel 3.83, lid 1, juncto artikel 3.146, lid 3, Wet IB 2001. De Hoge Raad concludeerde dat artikel 3.83, lid 1, Wet IB 2001 wegens strijd met de aan de orde zijnde belastingverdragen buiten toepassing moest blijven. |
| Tekst |
Hoge Raad der Nederlanden
ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2007, nr. 06/00388, betreffende een aan X te Z, Australië (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een conserverende
aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij
uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep
in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan
dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Op of omstreeks 28 augustus 2001 heeft belanghebbende Nederland metterwoon verlaten om zich in Korea te vestigen. Op dat moment had belanghebbende aanspraken op pensioen bij het in Nederland gevestigde pensioenfonds A. De toekenning van de desbetreffende pensioenaanspraken was op grond van de wettelijke regelingen betreffende de loon- en inkomstenbelasting vrijgesteld. 3.1.2. Aan belanghebbende is een conserverende aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor het onderhavige jaar, welke aanslag (onder meer) betrekking heeft op de waarde in het economische verkeer van de tot het tijdstip van emigratie opgebouwde aanspraken op pensioen die als loon in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.83, lid 1, in verbinding met artikel 3.146, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). 3.2. Voor het Hof was in geschil of de toepassing van de in 3.1.2 vermelde wetsbepalingen strookt met het belastingverdrag tussen Nederland en Korea van 25 oktober 1978 (hierna: het Verdrag). Het Hof heeft - samengevat weergegeven - geoordeeld dat Nederland de waarde van de pensioenaanspraken alleen in de heffing mag betrekken wanneer dat bij verdrag is toegestaan, en dat van dit laatste geen sprake is aangezien het heffingsrecht over pensioenen exclusief aan de woonstaat, Korea, is toegewezen, waarbij het Hof klaarblijkelijk het oog heeft gehad op artikel 19 van het Verdrag. Het middel richt zich tegen dit oordeel. 3.3.1. Op grond van artikel 3.83, lid 1, van de Wet wordt de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling tot het loon van de belastingplichtige gerekend indien deze de (gewezen) werknemer is aan wie het pensioen is toegezegd en anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn. Op grond van artikel 3.146, lid 3, van de Wet wordt dit loon in geval van emigratie geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk aan de emigratie voorafgaat. 3.3.2. De omstandigheid dat het loon volgens de Nederlandse wetgeving geacht wordt te zijn genoten op een tijdstip waarop de belastingplichtige nog ingezetene van Nederland is, brengt in beginsel mee dat de (gewezen) werknemer ter zake van een heffing over dat loon geen beroep kan doen op rechten die op grond van een belastingverdrag toekomen aan inwoners van het land waarnaar hij zijn woonplaats verlegt. Een heffing die aangrijpt bij emigratie kan evenwel in strijd komen met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitlegging en toepassing van het belastingverdrag tussen de betrokken staten, als daarmee een voordeel wordt belast dat naar zijn werkelijke aard bezien - al dan niet potentieel - ter heffing is toegewezen aan de immigratiestaat. 3.4.1. Ten aanzien van (aanspraken op) pensioen bevat het Verdrag twee toewijzingsregels die achtereenvolgens voor toepassing in aanmerking kunnen komen en elkaar wederzijds uitsluiten, namelijk de artikelen 15 en 19. De toekenning van een aanspraak op pensioen is een beloning ter zake van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 15 van het Verdrag. Op grond van deze bepaling mag Nederland in een verdragssituatie (de waarde van) de aanspraak belasten, indien de dienstbetrekking in Nederland wordt uitgeoefend. Nederland stelt deze bate echter onvoorwaardelijk vrij van belasting wanneer sprake is van een pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Inkomsten die naderhand voortvloeien uit de toegekende aanspraak op pensioen, worden uitsluitend bestreken door artikel 19 van het Verdrag. 3.4.2. De regeling van artikel 3.83, lid 1, in verbinding
met artikel 3.146, lid 3, van de Wet voorziet niet in het
alsnog in de belasting betrekken van de indertijd
vrijgestelde aanspraak
,
maar belast de waarde in het economische verkeer van de
opgebouwde pensioenrechten op basis van een fictie. Aangezien
de pensioenaanspraak alleen bij de verkrijging ervan onder
artikel 15 van het Verdrag valt, kan de fictie uit de zojuist
vermelde wetsbepalingen niet bewerkstelligen dat de
belastingheffing wegens na die toekenning optredende
gebeurtenissen aan de werking van artikel 19 van het Verdrag
wordt onttrokken (vgl. HR 13 mei 2005,
3.4.3. Ten aanzien van de werking van artikel 19 van het
Verdrag moet verder worden vastgesteld dat de emigratie van
belanghebbende zonder de genoemde fictie tot gevolg heeft dat
alle inkomsten die uit pensioenaanspraken voortvloeien, zowel
pensioenen als soortgelijke beloningen, op grond van dit
artikel uitsluitend belastbaar zullen zijn in zijn woonland,
Korea. Een fictie op grond waarvan de waarde van de
opgebouwde pensioenrechten als loon in de Nederlandse heffing
wordt betrokken op een ondeelbaar moment voorafgaand aan de
emigratie, komt onder die omstandigheden in strijd met de
goede trouw die bij de uitleg en toepassing van het Verdrag
in acht dient te worden genomen (vgl. HR 5 september 2003,
nr. 37657,
3.5. Uit het hiervoor in 3.4 overwogene volgt dat toepassing van artikel 3.83, lid 1, van de Wet in het onderhavige geval wegens strijd met het bepaalde in artikel 19 van het Verdrag achterwege dient te blijven. Het middel faalt derhalve. 4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. 5. Beslissing De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2009. Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447. Beroepschrift in cassatie (gedeeltelijk opgenomen) Den Haag, 15 JAN 2008 Kenmerk: DGB 2007-6300 Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer F07/13267) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2007, nr. 06/00388, op een beroepschrift vanX te Q (gekozen domicilie). AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Naar aanleiding van uw brief van 7 december 2007 heb ik de
eer het volgende op te merken.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 3.83 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna Wet IB 2001) en artikel 19 van het belastingverdrag met Korea 1 (hierna: het verdrag), doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het door Nederland bij de emigratie van de belastingplichtige in aanmerking nemen van conserverend inkomen ter zake van pensioenen (conserverende aanslag) in strijd is met het verdrag. Toelichting op het cassatiemiddel Vastgestelde feiten en geschil Belanghebbende heeft Nederland op of omstreeks 28 augustus 2001 metterwoon verlaten en zich gevestigd in Korea. Hij heeft in de periode dat hij woonachtig was in Nederland een pensioenaanspraak opgebouwd bij de in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij A. Dit betreft een pensioen van de Stichting pensioenfonds B. De waarde van de aanspraak beliep per 21 augustus 2001 € 483.163,13. Over deze aanspraak is ten tijde van de opbouw van het pensioen op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, wet LB 1964 geen loonbelasting verschuldigd geweest. Ter zake van zijn emigratie is aan belanghebbende per 9 december 2004 een conserverende aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd als bedoeld in artikel 3.83, eerste lid, van de Wet IB 2001. De conserverende aanslag bedraagt per saldo € 185.627, uitgaande van een te conserveren inkomen van € 51.358 aan pensioenaanspraken en € 300.400 aan lijfrente en beroepspensioenen, waaronder het B pensioen. Daarbij zijn tevens bij beschikking heffings- en revisierente in rekening gebracht. Voor deze conserverende aanslag is aan belanghebbende automatisch uitstel van betaling verleend voor een periode van tien jaar, zonder dat daarvoor zekerheidsstelling wordt geëist. Bij beschikking van 9 december 2004 is aan belanghebbende uitstel van betaling verleend tot 31 december 2011. Het uitstel wordt beëindigd bij afkoop, vervreemding of anderszins niet regulier afwikkelen van het pensioenrecht binnen deze tien jaar. Overigens hebben zich tot op heden in casu geen handelingen voorgedaan die tot invordering van de conserverende aanslag hebben geleid. Bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2005 is de conserverende aanslag verminderd tot een bedrag van E 158.921 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, heffingsrente van E 23.387 en revisierente van € 60.080 2 . Geschil
Beroep in cassatie
Uitspraak Hof
Kort gezegd oordeelt het Hof met het vorenstaande dat Nederland met de invoering van de conserverende aanslag voor pensioenen in de Wet IB 2001 zijn heffingsrechten onder het verdrag in strijd met de verdragstrouw eenzijdig en posterieur heeft uitgebreid (treaty override).
Conserverende aanslag ter zake van pensioenaanspraken
'Met dit artikel wordt beoogd het genoten
belastingvoordeel bij pensioenopbouw terug te nemen afs het
pensioen wordt afgekocht, verpand e.d. In een periode waarin
de belastingplichtige niet langer In Nederland woont (het
belastingvoordeel bestaat uit toepassing van de omkeerregel
waardoor pensioenaanspraken niet tot het loon worden
gerekend, uitkeringen daarentegen zijn belast). (...)
Om voor uitstel van betaling In aanmerking te komen, zal de belastingplichtige tien jaar lang moeten aantonen dat het pensioenkapitaal voor het beoogde doel in stand blijft. Na afloop van de tienjaarsperiode wordt de aanslag buiten Invordering gesteld.' MvT, Kamerstukken 111998/99, 26 727, nr. 3, blz. 125. 'Evident Is dat een conserverende aanslag alleen zal
worden ingevorderd Indien zich een oneigenlijke handeling
voordoet. In de situatie waarin een reguliere uitvoering van
de pensioenregeling plaatsvindt zal niet tot invordering van
de conserverende aanslag worden overgegaan. Met de
conserverende aanslag Is slechts beoogd de Nederlandse
fiscale claim zeker te stellen. In de conserverende aanslag
worden, zoals hiervoor reeds is aangegeven, slechts die
aanspraken begrepen waarop reeds een Nederlandse fiscale
claim rust.'
Uit het vorenstaande volgt dat de systematiek van de conserverende aanslag bij pensioenaanspraken is bedoeld om te komen tot een coherent heffingssysteem aangaande pensioenen. Hierbij staat ook het territorialiteitsbeginsel, verbonden met een temporele component, centraal. De conserverende heffing ziet namelijk enkel op het deel van de pensioenaanspraak voor de opbouw waarvan een fiscale faciliteit is verleend. Nederland heft alleen ais de fiscale faciliëring van de aanspraak, inclusief de onbelaste aangroei van de aanspraak, plaats heeft gevonden tijdens de periode dat belanghebbende inwoner en belastingplichtige was in Nederland. Op grond van art. 3.83, derde lid, van de Wet IB 2001 wordt de waarde van de opgebouwde aanspraken verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste is gekomen van het belastbaar inkomen uit werk en woning. Dit is opgenomen om te voorkomen dat bij voortgezette pensioenopbouw de aanspraak die betrekking heeft op de periode waarin de belastingplichtige in het buitenland woont en werkt - het gedeelte waarop geen Nederlandse belastingclaims rusten - ook wordt begrepen in de grondslag voor de conserverende aanslag. Daarnaast zijn aan de conserverende aanslag elementen van een antiontgaansmaatregel te onderkennen. Zolang met het pensioen geen in de fiscale wetgeving gesanctioneerde handeling plaatsvindt (afkoop, vervreemding of anderszins niet reguliere afwikkeling van pensioen), waardoor de kwalificatie als pensioenvoorziening wijzigt, wordt de conserverende aanslag niet ingevorderd. Indien bijvoorbeeld de pensioenaanspraak wordt afgekocht, dan wordt de conserverende aanslag waarin de in Nederland opgebouwde aanspraken zijn begrepen vanwege het niet meer voldoen aan de voorwaarden alsnog ingevorderd. Van het belasten van de afkoopsom is ais zodanig echter geen sprake. 5 De conserverende aanslag bevat derhalve een anti-misbruikkarakter, waarvan een zekere prohibitieve werking uitgaat. In wezen gaat het bij een conserverende aanslag bij pensioen om het regulariseren van een voorheen onbelast gelaten aanspraak. Artikel 3.83 van de Wet IB 2001 bepaalt dat indien een binnenlandse belastingplichtige emigreert en met toepassing van de fiscale faciliteiten pensioen heeft opgebouwd, de economische waarde van de opgebouwde pensioenrechten tot het moment van emigratie tot het belastbare loon wordt gerekend. Via de systematiek van de conserverende aanslag wordt deze claim van de Nederlandse fiscus verzekerd en daadwerkelijk ingevorderd indien zich een besmette handeling voordoet. Als de pensioenregeling op reguliere wijze wordt uitgevoerd, leidt artikel 3.83 uiteindelijk dus niet tot een invordering. Aan het opleggen van de conserverende aanslag zijn voor belanghebbende in het kader van zijn emigratie, anders dan te worden geconfronteerd met een formele belastingschuld, feitelijk geen gevolgen verbonden 6 : uitstel van betaling is automatisch verleend voor een periode van tien jaren zonder dat daaraan voorwaarden zijn verbonden, geen zekerheidstelling is vereist en vaststaat dat het bedrag van de aanslag wordt kwijtgescholden na verloop van tien jaren waarvoor het uitstel geldt. Dat de waarde in het economisch verkeer van de opgebouwde aanspraak tot het loon gerekend wordt, betekent dat tevens het in de binnenlandse periode opgebouwde rendement bij de emigratie in aanmerking wordt genomen. Daarmee is echter niet beoogd te heffen over een (fictieve) afkoopsom. Het mede in de emigratieheffing betrekken van het in de binnenlandse periode opgebouwde rendement is gegrond op het niet belasten van de pensioenaanspraak in box 3 gedurende de binnenlandse belastingplicht. Met name om uitvoeringstechnische redenen wordt niet aangesloten bij het forfaitaire rendement dat, jaarlijks naar de standen in het desbetreffende jaar, in aanmerking zou genomen zijn indien de aanspraak daadwerkelijk onder box 3 zou zijn belast, maar bij de waarde in het economische verkeer ten tijde van de emigratie. Ze in dit kader ook de lopende procedure in het door mij ingestelde beroep tegen de uitspraak van Hof 's-Hertogenbosch van 11 april 2007, VN 2007/33.12, bij u bekend onder rolnr. 44 051. Goede trouw en treaty override Het Hof komt, kort gezegd, tot het oordeel dat Nederland het systeem van conserverende aanslag niet mag gebruiken ter waarborging van zijn heffingsrechten, aangezien Nederland op grond van artikel 19 van het verdrag het pensioen van belanghebbende in casu niet mag belasten. Het Hof miskent dat voor de alsnog belaste aanspraak geen sprake is van een heffingsrecht van de toekomstige woonstaat. De voorheen onbelast gelaten aanspraak is loon uit dienstbetrekking uit de Nederlandse periode. Deze aan de Nederlandse periode toe te rekenen looncomponent wordt in het kader van de regularisatie alsnog belast. Er is geen sprake van pensioen dan wel een afkoopsom van pensioen die wordt belast. Het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen en/of afkoopsommen van pensioen na de emigratie blijft gewoon bij het woonland (Korea) liggen. Van enige uitholling van die rechten is dan ook geen sprake. Alleen in die gevallen waarin de opgebouwde aanspraken niet langer dienen als oudedagsvoorziening en dus zijn aan te merken ais reguliere loonaanspraken, wordt de opbouw van deze aanspraken over de Nederlandse periode belast. Allereerst wil ik opmerken dat bij emigratie pensioenaanspraken geacht worden te zijn genoten onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn. Het opleggen van een conserverende aanslag over een beclaimde pensioenaanspraak vormt geen schending van het door Nederland gesloten bilaterale verdrag met Korea, omdat de heffing aangrijpt op het laatste moment waarop de belastingplichtige nog inwoner van Nederland is en het verdrag derhalve niet van toepassing is. Het belastbare feit doet zich immers voor in de binnenlandse periode, zodat geen sprake is van een grensoverschrijdende situatie waarop het belastingverdrag zou kunnen zien. Van treaty ovenide is geen sprake. Ik verwijs hierbij naar de parlementaire behandeling bij de invoering van de conserverende aanslag bij pensioenen: De leden van de fractie van de WD vragen om een reactie op
de kritiek dat het opleggen van een conserverende aanslag een
niet aanvaardbare vorm van treaty-override Is. Onze reactie
hierop luidt ais volgt. Om te kunnen beoordelen of sprake Is
van treatyoverride moet een duidelijk onderscheid worden
gemaakt tussen heffingsrechten die worden opgelegd aan
inwoners van de eigen staat, in dit geval Nederland, en
hetfingsrechtan die worden opgelegd aan inwoners van de
andere verdragsstaat. Voor de toepassing van
belastingverdragen is dit onderscheid namelijk van wezenlijke
betekenis als het gaat om toedeling van heffingsrechten. In
dit verband is het van belang de regeling van de
conserverende aanslag in twee categorieën te onderscheiden,
te weten de conserverende aanslag die aan een inwoner van
Nederland kan worden opgelegd (artikel 3.3.4 en 3.8.5), en de
conserverende aanslag die aan een Inwoner van een andere
staat kan worden opgelegd (artikel 7.2.1). Een conserverende
aanslag die wordt opgelegd aan een inwoner van Nederland
bijvoorbeeld omdat hij zijn pensioenkapitaal overdraagt aan
een buitenlandse verzekeraar dan wel met een opgebouwd
pensioenkapitaal emigreert, is niet in strijd met de
toedeling van heffingsrechten in het verdrag met het land
waarde verzekeraar is gevestigd of waarnaar de
belastingplichtige emigreert aangezien de aanslag slechts
betrekking heeft op de binnenlandse periode: de gehele gang
van zaken speelt zich af in binnenlandse verhoudingen.
Verdragstoepassing is niet aan de orde. Iets anders is als
aan een Inwoner van de andere verdragsstaat een conserverende
aanslag wordt opgelegd met toepassing van artikel 7.2.1
bijvoorbeeld omdat in Nederland opgebouwd pensioenkapitaal
aan een buiten Nederland gevestigde verzekeraar wordt
overgedragen. In dat geval is de aanslag opgelegd over de
buitenlandse periode, en zal, Indien het belastingverdrag
daarover aanleiding toe geeft. Nederland terugbeden. In belde
gevallen is treaty-0verrlde dan niet aan de orde?
Zie in dit kader ook de uitspraak van Rechtbank Haarlem van 26 april 2007, nr. 06/4218, LJN:BA4789. Het ging in die zaak om een geval waarin de belanghebbende in 2002 naar de verenigde Staten van Amerika is geëmigreerd. Ter zake van die emigratie werd aan hem een conserverende aanslag opgelegd. Het geconserveerde inkomen bestond - net als in het onderhavige geval - uit aanspraken ingevolge een pensioenregeling. Rechtbank Haarlem heeft de conserverende aanslag in stand gelaten. De benadering van rechtbank Haarlem is ook in casu toepasselijk. Ook in de onderhavige zaak is de emigratieheffing gebaseerd op de reële vermogenstoename in de periode van binnenlandse belastingplicht, die in de heffing wordt betrokken op. Althans vlak voor, het moment waarop belanghebbende ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Aldus komt men ook niet toe aan verdragstoepassing. Uw Raad 7 heeft ten aanzien van de conserverende heffing ter zake van aanmerkelijk-belangaandelen voor de toepassing van de BRK 8 reeds geoordeeld dat het belastbare feit voor de exitheffing plaatsvindt op een tijdstip voordat de a.b.-houder inwoner wordt van de andere verdragsstaat en dus op een moment waarop het verdrag formeel nog niet van toepassing is. '3.3.1. Artikel 20a, lid 8, aanhef en letter!, van de Wet
bepaalt dat onder een vervreemding van aandelen wordt
begrepen het anders dan door overlijden ophouden binnenlands
belastingplichtig te zijn. In artikel 25, lid 8, van de
Invorderingswet 1990 wordt bepaald dat voor de aldus
verschuldigde belasting uitstel van betaling kan worden
verleend, dat onder meer beeindigd wordt ingeval de
desbetreffende aandelen worden vervreemd. Voorts bepaalt
artikel 28. lid 2, van de Invorderingswet 1990 dat het na
tien jaar nog op de aanslag openstaande bedrag zal worden
kwijtgescholden. De gehele regeling komt erop neer dat de
belasting met name betaald moet worden Indien binnen de
tienjaarsperiode de desbetreffende aandelen worden vervreemd.
Hierdoor wordt de vraag opgeroepen of de regeling, hoewel
deze de waardestijging van de aandelen belast op een tijdstip
gelegen voor de emigratie van de aandeelhouder, dus op een
tijdstip waarop de BRK voor hem nog niet geldt, In strijd
komt met artikel 12 van de BRK, welke bepaling de heffing
over voordelen uit vervreemding van aandelen genoten door een
natuurlijk persoon in beginsel toewijst aan het woonland.
Uw Raad heeft in dit arrest duidelijk aangegeven dat de conserverende aanslag wordt opgelegd op 'een tijdstip gelegen voor de emigratie van de aandeelhouder, dus op een tijdstip waarop de BRK voor hem nog niet geldt ' . Artikel 12 BRK staat er derhalve niet aan in de weg dat Nederland tot het moment waarop een aanmerkelijkbelanghouder van Nederland naar de Nederlandse Antillen emigreert' mag heffen over de waardestijging van de aandelen. Uitgaande hiervan stel ik mij op het standpunt dat dit arrest eveneens betekenis heeft voor de conserverende aanslag ter zake van pensioen in de onderhavige verdragsrelatie Nederland-Korea. Immers, zowel in de situatie van een emigrerende a.b.-houder als in de onderhavige situatie van een emigrerende pensioengerechtigde wordt een conserverende aanslag opgelegd op het moment voorafgaand aan de emigratie. In dat geval staat het verdrag er niet aan in de weg dat Nederland heft over de tot het moment van emigratie opgebouwde pensioenaanspraak van een belastingplichtige. Dit wordt niet anders nu het moment van invordering van de conserverende aanslag is uitgesteld totdat een besmette handeling plaatsvindt. Zie in dit verband ook Peters 9 en De Soeten 10 . Laatstgenoemde heeft voor de conserverende aanslag ter zake van winst uit aanmerkelijk belang opgemerkt dat 'ten aanzien van de voorgestelde afrekening bij emigratie van de aandeelhouder kan geconcludeerd worden dat een beroep op een belastingverdrag teneinde deze heffing te vermijden niet aan de orde zal zin. De heffing vindt plaats voordat c.q. op het moment dat de belastingplichtige Nederland verlaat, dat wil zeggen op het laatste moment van binnenlandse belastingplicht Er is nog geen sprake van het zijn van inwoner van het andere land, en het belastingverdrag komt dus niet aan de orde.' Verschillen met uw arrest van 5 september 2003, BNB 2003/380 (Singaporearrest) 11 In het Singapore-ar r est heeft Uw Raad in het kader van goede trouw jegens de verdragspartner geoordeeld dat Nederland niet door middel van het opnemen van een fictief genietingsmoment in de nationale wetgeving, het heffingsrecht van een andere staat mag uithollen of ontgaan. Anders dan in het Singapore-arrest gaat het in het onderhavige geval om een belanghebbende die ten tijde van het opleggen van de conserverende aanslag inwoner van Nederland is en tevens zijn pensioenaanspraak in Nederland fiscaal gefacilieerd heeft opgebouwd (Nederland is zowel woonstaat als bronstaat). Van een grensoverschrijdende situatie is derhalve nog geen sprake. Voorts greep het toenmalige artikel 11c van de Wet op de loonbelasting 1964 aan bij de afkoop van het pensioen en wordt thans op grond van artikel 3.83 van de Wet IB 2001 de in de binnenlandse periode opgebouwde aanspraak alsnog in de heffing betrokken. Belastingverdragen zien in beginsel niet op inkomsten die een inwoner van een land geniet uit bronnen in dat land (binnenlandse situatie). Zoals hierboven reeds is uiteengezet onder "Goede trouw en treaty override" is het verdrag hier niet van toepassing. Bovendien vervalt de Nederlandse aanslag als de afwikkeling van het pensioen regulier verloopt, zodat ook in dat geval geen sprake is van een verschuiving van heffingsrechten. Geen fictief voordeel Voorts is er bij het opleggen van een conserverende aanslag geen sprake van het belasten van een fictief voordeel. Naar mijn mening wordt met de conserverende heffing geen fictieve, maar een reële, temporeel en territoriaal aan de Nederlandse periode toe te rekenen en ten laste van Nederland fiscaal gefacilieerd opgebouwde aanspraak in aanmerking genomen. 12 Het is in overeenstemming met het fiscale temtorialiteitsbeginsel en het coherentiebeginsel dat een staat in de nationale wetgeving de belastingheffing en de wijze van inning over belastbare aanspraken en waardeaangroei, die zijn ontstaan tijdens het verblijf van een inwoner op nationaal grondgebied en gedurende die periode fiscaal gefacilieerd ten laste van die staat zijn opgebouwd, mag voorschrijven. De omstandigheid dat de invordering van het bedrag dat is vastgesteld bij vertrek van de betrokken belastingplichtige naar het buitenland, alleen plaatsvindt bij bepaalde toekomstige handelingen, doet hier niet aan af. Naar mijn mening valt evenwel niet in te zien dat, indien Nederland bevoegd is bij emigratie te heffen over de opgebouwde pensioenaanspraken tot het moment van emigratie, deze bevoegdheid zou vervallen indien Nederland in voorkomende gevallen uitstel, en mogelijk zelfs afstel, van betaling zou verlenen voor de verschuldigde belasting. Indien Nederland het "meerdere' mag, is het 'mindere' naar mijn mening zeker toegestaan. Met het uitstel worden mogelijke liquiditeitsproblemen voorkomen door voor de invordering aan te sluiten bij het tijdstip van realisatie bij het uitvoeren van een besmette handeling. Verder kan een regeling inhoudende een heffing bij emigratie met een mogelijkheid tot uitstel van betaling tot zich een niet geoorloofde handeling voordoet, niet zonder meer gelijk worden gesteld met een regeling die pas voorziet in heffing (het constateren van een belastbaar feit) bij die latere handeling. Dit zou voorbijgaan aan de uitdrukkelijke keuze van de wetgever voor een eindafrekening bij emigratie en de duidelijke bewoordingen van de wettekst. Tevens is de uitwerking afwijkend. Zo wordt het behaalde voordeel bij de emigratieheffing vastgesteld op de onmiddellijk voorafgaande aan de emigratie opgebouwde pensioenaanspraak inclusief de onbelaste aangroei van die aanspraak. Latere waardeaangroei na emigratie tot bijvoorbeeld het daadwerkelijke tijdstip van afkoop, wordt in het kader van de conserverende aanslag niet meegenomen. Verdrag Nederland - Korea Zoals hiervoor is verdedigd, verzet het verdrag zich er
niet tegen dat Nederland door middel van een conserverende
aanslag de pensioenaanspraak van belanghebbende, die is
ontstaan tijdens zijn verblijf op Nederlands grondgebied en
gedurende die periode fiscaal gefacilieerd ten laste van
Nederland heeft opgebouwd, mag belasten. Vaststaat dat een
conserverende aanslag als de onderhavige alleen wordt
opgelegd aan binnenlands belastingplichtigen die Nederland
metterwoon verlaten en dat belanghebbende op grond van
artikel 3.146 Wet IB 2001 geacht wordt onmiddellijk
voorafgaand aan zijn emigratie de voorheen onbelast gebleven
pensioenaanspraak als nog fiscaal belast te hebben genoten.
Belanghebbende is ten tijde van de heffing over de
pensioenaanspraak nog inwoner van Nederland. Omdat de
conserverende aanslag is opgelegd op het moment voorafgaand
aan de emigratie, is er derhalve nog geen sprake van een
grensoverschrijdende situatie.
In dit kader dient te worden bedacht dat de belastingverdragen "slechts° voorzien in toewijzingsregels voor de verschillende inkomsten waarbij de heffingsrechten worden verdeeld. Het bepaalt niet de wijze waarop de bronstaat het te belasten bedrag van de inkomsten uit pensioen vaststelt, noch schrijft het voor op welke wijze de woonstaat dubbele belasting van inkomsten uit buitenlands pensioen dient te voorkomen. Dat is een aangelegenheid die door het interne recht van de bronstaat respectievelijk de woonstaat wordt beheerst. Het is dan aan de nationale wetgeving van de betrokken staat om te bepalen in hoeverre en op welke wijze een aan die staat toegewezen inkomensbestanddeel in de heffing wordt betrokken. Bij deze toewijzingsregels ligt de nadruk in eerste instantie op de positie van de bronstaat; de bronstaat is alleen bevoegd tot heffing indien bepaalde inkomsten expliciet aan deze staat worden toegewezen. De woonstaat kan in beginsel het gehele wereldinkomen volgens zijn eigen nationale wetgeving in de heffing betrekken, maar dient voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor de inkomensbestanddelen die in overeenstemming met het verdrag in de bronstaat mogen worden belast. Indien echter twee landen een bepaald inkomensbestanddeel dat ter heffing is toegewezen aan de woonstaat naar nationaal recht op verschillende momenten in de heffing betrekken, dan kan zich bij een tussentijdse emigratie van de belastingplichtige de situatie voordoen dat de inkomst (deels) in beide landen wordt belast. Het belastingverdrag laat zich eenvoudigweg niet uit over de vraag wie de sterkste claim heeft op de pensioenaanspraak voor emigratie. 13 Artikel 23 OESO-modelverdrag (artikel 23 belastingverdrag met Korea) biedt voor deze "multiple residence taxation°-problematiek slechts gedeeltelijk een oplossing door te bepalen dat de woonstaat voorkoming van dubbele belasting moet verlenen met betrekking tot de inkomensbestanddelen die primair in de bronstaat mogen worden belast. In feite zijn de belastingverdragen ook niet gericht op het oplossen van dergelijke situaties van multiple residence taxation. Zie in dit verband par. 4.1 - 4.3 van het OESO-commentaar op artikel 23A1B OESO-modelverdrag en de onderdelen 37 tot en met 46 (multiple residence taxation) van het OESO-rapport "Cross-border income tax issues arising from employee stock option plans 14 . Overigens houdt Nederland In de spiegelbeeldige situatie wel rekening met het buitenlandse pensioen. Indien bijvoorbeeld een inwoner van Nederland ter zake van zijn werkzaamheden uit vroegere buitenlandse dienstbetrekking een uitkering ingevolge een buitenlandse pensioenregeling ontvangt, wordt deze uitkering integraal in box 1 in de belastingheffing betrokken, voor zover over de waarde van de aanspraken niet een met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting vergelijkbare heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden. Dit is neergelegd in artikel 3.82, onderdeel b, van de Wet IB 2001. In de spiegelbeeldige situatie waarin belanghebbende als Koreaanse immigrant naar Nederland verhuist en in Korea een pensioen heeft opgebouwd waarover Korea geen fiscale faciliteit heeft verleend of de fiscale faciliteit heeft teruggenomen, zal dit meebrengen dat Nederland voor de heffing van de inkomstenbelasting deze uitkering buiten beschouwing laat. Voorwaarde is wel dat de uitkering op grond van een pensioenregeling ais bedoeld in art. 1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 (dat is een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, die naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd) plaatsvindt, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en omvang overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. Het Nederlandse systeem is derhalve coherent. Conclusie ten aanzien van de verdragstrouw Zoals hierboven is verdedigd, is bij het opleggen van een conserverende aanslag alsmede het (eventueel) invorderen ervan na emigratie, geen sprake van treaty override. Nederland handelt niet in strijd met de goede trouw jegens de verdragspartner, evenmin haalt Nederland op ongeoorloofde wijze eenzijdig het heffingsrecht over pensioen naar zich toe. De tekst en context van het verdrag verzetten zich niet tegen het door Nederland bij een inwoner op een ondeelbaar moment voor emigratie in de heffing betrekken van de waarde in het economische verkeer van de tot dat moment in Nederland onbelast gebleven pensioenaanspraak. Europees recht Wanneer het door mij voorgestelde middel tegen de uitspraak slaagt, komt de vraag aan de orde of de opgelegde conserverende aanslag in stnjd is met het EG-recht. In verband met het feit dat deze problematiek ook in andere zaken, die bij u in behandeling zijn reeds aan de orde is gesteld, ga ik op dit punt ook in deze zaak in. In het kader van de beoordeling van de EG-rechtelijke houdbaarheid van de conserverende aanslag kan het arrest HvJ EG, 7 september 2007, C-407/07 (zaak N), BNB 2007/22c' van belang zijn. Uit dit arrest leid ik af dat een aan een aanmerkelijk belanghouder opgelegde conserverende aanslag bij emigratie over de waardeaangroei in de binnenlandse periode onder voorwaarden verenigbaar is met het EG-recht. Het HvJ EG stelt als voorwaarden dat - (1) er geen verplichting bestaat zekerheid te stellen ter verkrijging van uitstel van betaling en dat - (2) volledig rekening wordt gehouden met waardeverminderingen die na emigratie van de betrokken belastingplichtige kunnen optreden. Dat op het moment van het verleggen van de woonplaats een belastingschuld ontstaat, die niet op dat moment zou zijn ontstaan indien de woonplaats niet verlegd was, ontmoedigde N volgens het HvJ EG weliswaar zijn woonplaats naar het buitenland te verleggen, maar het is volgens het HvJ EG vanwege het gerechtvaardigde heffingsbelang over de waardeaangroei in de binnenlandse periode wel gerechtvaardigd om op een niet bezwarende wijze een conserverende aanslag op te leggen. De verplichting tot het doen van aangifte op het tijdstip van emigratie kan volgens het HvJ EG evenmin als onevenredig worden beschouwd. Na de aanpassingen van het Nederlandse systeem naar aanleiding van het arrest HvJ EG 11 maart 2004, C-9/02 (Lasteyrie du Saillant), BNB 2004/258c wordt automatisch uitstel van betaling verleend en wordt rekening gehouden met waardedalingen na emigratie. Daarmee heeft Nederland voldaan aan de door het HvJ EG in het arrest in de zaak N gestelde voorwaarden. Naar algemeen verwacht mag worden zal het HvJ EG onder deze omstandigheden geen schending van het gemeenschapsrecht aannemen. Ook A-G Wattel in zijn eerdergenoemde conclusie bij de zaak met roinr. 42 702, V-N 2007/4.13) betoogt: '5.16. Het HvJ EG gaat niet met zoveel woorden in op het huidige Nederlandse stelsel. Uit zowel het arrest als de conclusie volgt echter dat het huidige stelsel, na de in 4.9 hierboven genoemde aanpassingen naar aanleiding van de zaak De Lasteyrie, de EG-Verdragstoets kan doorstaan, mede nu niet valt in te zien op welke (nog) minder bezwarende wijze de in de Nederlandse periode aangegroeide waarde kan worden belast De Nederlandse conserverende a.b.-aanslag bij emigratie is inmiddels immers slechts een voor bezwaar vatbaar emigratiegeleidebrlelje dat de belanghebbende verwittigt welke latentie de fiscus op het moment van emigratie aanwezig acht en voornemens is te belasten ingeval van realisatie binnen tien jaar. Door de boven (4.9) genoemde wetswijziging wordt uitstel automatisch en onvoorwaardelijk verleend en behoeft geen zekerheid gesteld te worden. Bovendien wordt rekening gehouden met post.emigrationele waardevermindering: kwijtschelding wordt verleend op het moment van werkelijke vervreemding en is gelijk aan 25% van de waardedaling; hetzelfde tarief als voor de thuisblijver. Hiermee worden emigranten en niet-emigranten In een gelijke positie gebracht. « Voorts in de Europese Commissie van mening dat het onder omstandigheden niet strijdig is met het EG-verdrag een emigratieheffing op te leggen. Ik leid dat af uit het rapport °Communication on Exit taxation and the need for co-ordination of Member States' tax policies", van 19 december 2006, COM(2006) 825 final. In dit verband kan nog worden gewezen op de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 augustus 2006, VN 2007/17.4. Daar oordeelt de rechtbank dat een conserverende aanslag ter zake van aanspraken op overheidspensioen bij emigratie niet in strijd is met het belastingverdrag met België en het gemeenschapsrecht. De rechtbank motiveert dat als volgt "4.13. In dit verband merkt de rechtbank het volgende op. Aan het opleggen van de conserverende aanslag zijn voor belanghebbende in het kader van haar emigratie zowel wettelijk als feitelijk, geen gevolgen verbonden. Van een afschrikwekkende werking of een belemmering is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu feitelijke invordering van de conserverende aanslag zich, niet voordoet, automatisch uitstel van betaling is verleend voor een periode van 10 jaren zonder dat daaraan voorwaarden zijn verbonden, is afgezien van het eisen van enige zekerheidstelling en vaststaat dat het bedrag van de aanslag wordt kwijtgescholden na verloop van de 10 jaren waarvoor het uitstel geldt (artikel 28, tweede lid, invorderingswet 1990 juncto artikel 4 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990). De omstandigheid dat de hier genoemde kwijtschelding niet automatisch geschiedt doch slechts op schriftelijk verzoek van de belanghebbende Is naar het oordeel van de rechtbank voor de belastingplichtige ten tijde van de emigratie niet van zodanig gewicht dat daaruit een afschrikwekkende werking of een belemmering voortvloeit als hiervoor bedoeld.' Uiteraard moet in ieder afzonderlijk geval worden bezien of sprake is van evenredigheid tussen de concrete resterende belemmering en het legitieme doel van de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid en voorkoming van dubbele belasting. Die toets wordt in dit geval echter ruimschoots doorstaan. Bij het opleggen van de litigieuze . conserverende aanslag is conform de toen geldende regelgeving geen zekerheid verlangd ter zake van het automatisch verleende uitstel van betaling. Er is slechts belasting geheven over het deel van de pensioenaanspraak dat in de periode voorafgaand aan de emigratie is opgebouwd. Met waardedalingen na emigratie wordt op basis van het ten tijde van het opleggen van de conserverende aanslag reeds geldende artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 juncto artikel 1f, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 aanstonds rekening gehouden. Ten tijde van het opleggen van de conserverende aanslag was derhalve geen sprake van belemmeringen als bedoeld in het arrest N. Dat betekent dat deze aanslag niet in strijd met het EG-recht is. Dat lijkt ook de opvatting van A-G Wattel in zijn eerder genoemde conclusie in de zaak met rolnr. 42 702. Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven. DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
VOETNOTEN BEROEPSCHRIFT:
|
| Datum | 20090619 |