FutD - archief

Nummer fida20091935
Bron Hof Den Haag 1 mei 2009 BK-07/00421
Titel Verkrijging monument door natuurlijk persoon vrij van overdrachtsbelasting
Samenvatting X verkreeg in 2005 een (rijks)monumentenpand. Hij claimde op grond van het gelijkheidsbeginsel de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, p, WBR voor monumentenrechtspersonen. Volgens Rechtbank Den Haag was deze vrijstelling welbewust beperkt tot verkrijgingen door rechtspersonen die zich hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel stelden. Verkrijgingen door natuurlijke personen waren uitgezonderd, omdat de wetgever bij die verkrijgingen het kennelijk niet voldoende gewaarborgd vond dat de vrijstelling ten goede zou komen aan de instandhouding van het betreffende monument. X ging in hoger beroep en herhaalde dat sprake was van discriminatie omdat de vrijstelling gold ter bevordering van het instandhouden van monumenten, en dat daarbij niet van belang was of het monument in stand werd gehouden door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon. Hof Den Haag was het met X eens dat de beperking van de vrijstelling tot verkrijgingen door rechtspersonen tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling leidde. Volgens het Hof was niet duidelijk waarom bij rechtspersonen meer zekerheid zou bestaan met betrekking tot het oogmerk het monumentenpand in stand te houden dan bij natuurlijke personen. Het Hof besloot zelf in het rechtskort te voorzien, verklaarde het hoger beroep van X gegrond en verklaarde de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing op zijn verkrijging van het monumentenpand.
Tekst

Gerechtshof 's-Gravenhage
Sector belasting
1 mei 2009
Nummer BK-07 00421

UITSPRAAK

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 1 mei 2009

Op het beroep van X te Den Haag tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 mei 2007. nr. AWB06/2500. LJN: BA6948, betreffende het na te noemen op aangifte voldane bedrag.

Voldoening, bezwaar- en geding in eerste aanleg

1.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 60.000 aan overdrachtsbelasting voldaan. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden, belanghebbenden bezwaar tegen de voldoening afgewezen.

1 2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 24 maart 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1, Bij akte van levering, op 17 februari 2005 verleden voor notaris te Den Haag, en ingeschreven in het openbare register op 18 februari 2005, heeft belanghebbende de eigendom verkregen van het herenhuis met erf en tuin, plaatselijk bekend A te Den Haag. De koopprijs bedroeg € 1.000.000. Het pand is in zijn geheel gerangschikt als Rijksmonument.

3.2, Belanghebbende houdt zich zowel zakelijk als in privé bezig met het instandhouden van (rijks)monumenten. Hij heeft ook het onderhavige pand met dat oogmerk aangeschaft.

3.3. Ter zake van de verkrijging heeft belanghebbende op 25 maart 2005 € 60.000 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Bij brief van 30 maart 2005 heeft hij bezwaar gemaakt tegen het bedrag dat hij heeft voldaan, waarbij hij liet weten dat in de leveringsakte abusievelijk geen beroep was gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid. aanhef en onderdeel p, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. DeInspecteur heeft de vrijstelling niet verleend.

Omschrijving geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht de vrijstelling ter zake van de onderhavige verkrijging heeft geweigerd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4 2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie tussen verkrijging van monumenten panden door rechtspersonen en verkrijging ervan door natuurlijke personen. De vrijstelling is in de wet opgenomen ter bevordering van het instandhouden van monumenten. Of een monument in stand wordt gehouden door een rechtspersoon of door een natuurlijk persoon is niet van belang. Het hoger beroep strekt tot verlening van de vrijstelling.

4.3. De Inspecteur stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat voorliet verschil in behandeling in dezen tussen natuurlijke personen en rechtspersonen een redelijke rechtvaardiging bestaat. Hij stelt niet langer dat geen sprake is van gelijke gevallen. De Inspecteur concludeert tot ongegrond verklaring van het hoger beroep.

Overwegingen omtrent het geschil

5.1. Aan de wetgever komt op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

5.2. Overdrachtsbelasting wordt geheven van de verkrijger, ongeacht of deze een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. In het licht van de ratio van de onderhavige vrijstelling, bevordering van het behoud van monumenten, acht het Hof het verschil tussen natuurlijke personen en rechtspersonen niet van dien aard dat zou kunnen worden geoordeeld dat geen sprake isvan feitelijk en rechtens gelijke gevallen.

5.3. De beperking van de vrijstelling tot verkrijgingen door rechtspersonen die hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel hebben, is blijkens de wetsgeschiedenis ingegeven door de gedachte dat er "in geval van overdracht in de particuliere sector geen enkele zekerheid bestaat, dat de begunstiging in het belang van het monument ook wordt besteed".

5.4. Het Hof vermag niet in te zien dat bij rechtspersonen als zojuist bedoeld meer zekerheid bestaat omtrent de besteding van het door de vrijstelling bespaarde bedrag dan bij natuurlijke personen die zich een monumenten pand verschaffen met het oogmerk dat in stand te houden. De enkele omstandigheid dat een zodanige instandhouding statutair is vastgelegd geeft geen zekerheid dat de betreffende statutaire bepalingen worden nageleefd. Anderzijds geldt het toezicht op het onderhoud van monumenten panden in gelijke mate voor natuurlijke personen en voor rechtspersonen.

5.5. Het vorenoverwogene brengt mee dat de wetgever voor de beperking van de onderhavige vrijstelling tot verkrijgingen door vorenbedoelde rechtspersonen onvoldoende rechtvaardiging aanwezig heeft kunnen oordelen en door die beperking de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

5 6. Gegeven de vaststelling dat de onderhavige wettelijke regeling tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling leidt, staat het Hof voor de vraag of en zo ja op welke wijze de rechter dienaangaande effectieve rechtsbescherming kan bieden In dit geval kan een dergelijke bescherming niet daarin worden gevonden dat de discriminatoire regeling- verlening van de vrijstelling aan rechtspersonen met het oogmerk om monumenten panden in stand te laten - buiten toepassing wordt gelaten. Die oplossing zou immers belanghebbende niet baten. Dat doet de vraag rijzen of de rechter de effectieve rechtsbescherming kan bieden door op andere wijze in het door de regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien dan wel of hij zulks vooralsnog aan de wetgever dient over te laten. In zodanige situaties dienen, niet inachtneming van de aard van het rechtsgebied waar de vraag rijst, twee belangen tegen elkaar afgewogen te worden. Voor het zelf in het rechtstekort voorzien pleit dat de rechter daardoor aan de belanghebbende direct een effectieve bescherming kan bieden, maar ertegen pleit dat in de gegeven staatsrechtelijke verhoudingen de rechter bij zulk ingrijpen in een wettelijke regeling een terughoudende opstelling past.

5.7. Deze afweging zal in het algemeen ertoe leiden dat de rechter aanstonds zelf in het rechtstekort voorziet indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe zulks dient te geschieden.

5.8 Naar 's Hofs oordeel zijn hier niet ter opheffing van de discriminatie verschillende oplossingen denkbaar, waarbij de keuze daaruit mede afhankelijk is van algemene overwegingen van overheidsbeleid, maar doet zich hier de situatie voor waarin duidelijk is hoe de rechter in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort zou moeten voorzien. De uitwerking van de controle op de vrijgestelde rechtspersonen, welke is geregeld in artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 1971 is immers zonder meer toe te passen op natuurlijke personen die het oogmerk van instandhouding hebben, zij het met dien verstande dat het in die bepaling vervatte criterium van hoofdzakelijkheid voor zodanige verkrijgers zinledig is. Dit brengt mee dat de rechter aanstonds zelf in het rechtstekort behoort te voorzien, en wel door de vrijstelling op de verkrijging toe te passen.

5.9 Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep gegrond is.

Proceskosten en griffierecht

6.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.932 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (4 punten ŕ € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)).

6.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voorde rechtbank gestorte griffierecht van € 37, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 106 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- stelt de verkrijging vrij van overdrachtsbelasting,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op €1.932, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast de Staat aan belanghebbende een bedrag van € 143 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, voorzitter, J.W. baron van Knobelsdorff en J.J.J. Engel, leden.

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postma.

De beslissing op 1 mei 2009 in het openbaar uitgesproken.

proces-verbaal

Gerechtshof 's-Gravenhage
Sector belasting, eerste meervoudige belastingkamer
24 maart 2009
Nummer BK-07/0042l

Proces-verbaal van het verhandelde van de op 24 maart 2009 te Den Haag gehouden zitting van de eerste meervoudige belastingkamer in het hoger beroep van X te Den Haag tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 mei 2007, AWB 06/2500, betreffende de ongegrondverklaring door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden, van het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte van overdrachtbelasting van 25 maart 2005

Tegenwoordig zijn: mrs. P.J.J. Vonk, voorzitter, J.W. baron van Knobelsdorff en J.J.J. Engel, leden en mr. Y. Postma, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen. Verschenen zijn namens belanghebbende en namens de Inspecteur. De voorzitter opent het onderzoek ter zitting

De Inspecteur legt een pleitnota over, verstrekt daarvan afschrift aan de wederpartij en draagt die voor. De voorzitter deelt mee dat het gerechtshof de pleitnota tot de gedingstukken rekent.

Partijen voeren ieder het woord en verklaren, in aanvulling op of in afwijking van de standpunten die blijkens de gedingstukken door de desbetreffende partij zijn ingenomen dan wel in antwoord op vragen van het gerechtshof, - zakelijk weergegeven - als volgt:

De gemachtigde:

Hij heeft de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de wet waarbij de vrijstelling voor monumenten in de Wet op belastingen van rechtsverkeer is opgenomen geraadpleegd. De reden van de wetgever om de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij de overdracht van monumenten panden destijds te beperken tot rechtspersonen en deze niet te verlenen aan natuurlijke personen is gelegen in de omstandigheid dat niet voldoende "borging" aanwezig werd geacht dat de begunstiging, door laatstgenoemden in het belang van het monument zou worden besteed. Het is onduidelijk waaruit de "borging" bij rechtspersonen bestaat en waarom deze bij rechtspersonen beter is verzekerd dan hij natuurlijke personen in de private sector. Natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen beide de instandhouding van monumenten tot doel hebben. Gelijke gevallen worden ongelijk behandeld en hiervoor is geen redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond aan te wijzen. Een rechtspersoon kan ook in de private sector optreden. Bij belanghebbende is de waarborg voor het instandhouden van het monument evenzeer aanwezig als bij een stichting die zich tot doel stelt de instandhouding van het monumenten pand. Belanghebbende heeft een aantal monumentenpanden in eigendom en houdt zich zowel in privé als via een door hem beheerste vennootschap bezig met het instandhouden van (rijks)monumenten van het Nederlands erfgoed. Zo is belanghebbende directeur en aandeelhouder van Y BV. Deze vennootschap verricht de restauratie aan de plafonds van het monumentale Theater en het Concertgebouw in A. Verder houdt deze vennootschap zich bezig met de restauratie van een pand aan de eveneens in A. Het onderhavige pand aan de in Den Haag waarvoor thans vrijstelling is verzocht, is niet bestemd als eigen woning. Het criterium "hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel hebben" kan niet worden aangelegd bij natuurlijke personen. Dat is een criterium dat specifiek geldt bij rechtspersonen. Dat belanghebbende zich ten doel stelt de instandhouding van (rijks)monumenten is af te leiden uit de feitelijke werkzaamheden die hij in zijn dagelijks leven verricht.

De gemachtigde laat het Hof en de Inspecteur een boek, een brochure en een tijdschrift zien waaruit van de door de vennootschap van belanghebbende verrichte werkzaamheden aan genoemde gebouwen blijkt Het Hof neemt inzage in deze stukken. De gemachtigde deelt mee de brochure over te willen leggen, verstrekt aan de Inspecteur een exemplaar en deelt mee aan het Hof alsnog een exemplaar te zullen zenden.

De Inspecteur :

De natuurlijke persoon die directeur en aandeelhouder is van de rechtspersoon die zich de instandhouding van monumentenpanden tot doel stelt, kan niet worden vereenzelvigd met een rechtspersoon. Het hoofdzakelijkheidscriterium kan bij een natuurlijk persoon niet worden aangelegd. Bij een rechtspersoon wordt aan de hand van de statutaire doelomschrijving en de jaarstukken nagegaan of wordt voldaan aan de eis dat het monument in stand wordt gehouden. Is dat niet het geval, dan is na een beschikking van de minister van Financiën de belasting binnen een tijdvak van 25 jaren na de verkrijging alsnog verschuldigd. De termijn van vijf jaren voor naheffing gaat in op de datum van de bekendmaking van die beschikking. Bij verkoop van het monumentenpand dient binnen drie jaren een nieuw pand te zijn verworven. Bij staking wordt niet meer aan de doelstelling voldaan.

Nadat partijen te kennen hebben gegeven niets meer te willen aanvoeren, sluit de voorzitter het onderzoek ter zitting en deelt hij mee dat het gerechtshof schriftelijk uitspraak zal doen op 1 mei 2009.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is ondertekend


Datum 20090501