FutD - archief

Nummer fida20091663
Bron Arr.rb. Den Bosch 14 april 2009 AWB08/278
Titel Rechter dwingt fiscus tot openheid in Van Lanschot-affaire
Samenvatting In het draaiboek BZN stond dat door de bevoegde autoriteiten van X in het kader van spontane gegevensuitwisseling op basis van EG-Richtlijn 77/799/EEG aan de FIOD-ECD gegevens waren verstrekt over Nederlandse ingezetenen met een bankrekening bij de Bank Van Lanschot Bankiers te Luxemburg. Fiscaal up to Date verzocht de staatssecretaris de documenten ter beschikking te stellen die betrekking hadden op deze gegevensuitwisseling door de bevoegde autoriteiten van land X. Het verzoek werd, ook na bezwaar, afgewezen. Thans heeft Rechtbank Den Bosch op het beroep van Fiscaal up to Date in gunstige zin beslist. Volgens de Rechtbank had de staatssecretaris de Belgische autoriteiten ten onrechte niet geconsulteerd over de vraag of zij instemden met verstrekking van de gegevens. De staatssecretaris had betoogd dat de Belgische autoriteiten uitdrukkelijk een beroep hadden gedaan op (geheimhouding krachtens) artikel 7 van de EG-Richtlijn, maar deze contacten hadden volgens de Rechtbank niet de strekking (gehad) te onderzoeken of de Belgische autoriteiten toestonden dat de desbetreffende gegevens konden worden verschaft onder de voorwaarden van artikel 7, lid 3, van de Richtlijn. Door dit onderzoek niet te verrichten was het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb. De Rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris ten onrechte geweigerd had het gevraagde openbaar te maken en droeg de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van Fiscaal up to Date. Daarbij merkte de Rechtbank op dat niet kon worden uitgesloten dat openbaarmaking van de gegevens van (mogelijke) belastingplichtigen met betrekking tot rekeningen bij een buitenlandse bank zou moeten plaatsvinden. Die gegevens moesten dan op grond van artikel 67, lid 1, AWR worden geanonimiseerd.
Tekst

Rechtbank ' s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht meervoudige kamer
14 april 2009
Nr.: AWB 08/278

UITSPRAAK

inzake

Fiscaal up to Date B.V.,
te Eindhoven,
eiseres,
gemachtigde mr. M.T.J.M.C. Ligtenberg,

tegen

de staatssecretaris van Financiën,
verweerder,
gemachitigde mr. W.J.G. van Duijn.

Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2007 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres om openbaarmaking van brieven en bijbehorende documenten inzake een gegevensuitwisseling betreffende Nederlandse ingezetenen met een rekening bij de Bank Van Lanschot Bankiers te Luxemburg.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 9 november 2007 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 26 mei 2008 heeft eiseres de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De zaak is behandeld op de zitting van 20 maart 2009. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, bijgestaan door R. Vleugels en drs. A.N.C. Ligtenberg. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden zijn weigering heeft gehandhaafd om de gevraagde documenten openbaar te maken.

2. Bij brief van 25 mei 2007 heeft eiseres het volgende verzoek gedaan:

"In het thans geheel leesbare draaiboek Bank Zonder Naam staat:

Door de bevoegde autoriteiten van X zijn in het kader van spontane gegevensuitwisseling op basis van Richtlijn 77/799/EG aan de FIOD-ECD Internationaal gegevens verstrekt inzake Nederlandse ingezetenen met een bankrekening bij de Bank Van Lanschot Bankiers te Luxemburg (...).

Ik verzoek u mij in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur de brief/brieven en bijbehorende documenten ter beschikking te stellen die betrekking hebben op deze gegevensuitwisseling."

3. De rechtbank gaat er op grond van hetgeen eiseres heeft aangevoerd van uit dat dit verzoek enerzijds betrekking heeft op correspondentie tussen de desbetreffende lidstaten en anderzijds op gegevens van belastingplichtigen met betrekking tot rekeningen bij een buitenlandse bank. Voorts gaat de rechtbank, als niet gesteld of anderszins aannemelijk geworden, er van uit dat eiseres zelf geen belastingplichtige is van wie gegevens bij de desbetreffende gegevensuitwisseling zijn betrokken.

4. Het wettelijk kader luidde op de datum van het bestreden besluit als volgt.

5. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977, betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoritetten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, bepaalde accijnzen en heffingen op verzekeringspremies (77/799/EG, hierna: de Richtlijn) verstrekken de bevoegde autoritetten van de lidstaten elkaar overeenkomstig deze Richtlijn alle inlichtingen die hun van nut kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belastingschuld op het gebied van de belastingen naar het inkomen en het vermogen.

6. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn deelt de bevoegde autoritett van elke lidstaat, zonder voorafgaand verzoek, de in artikel 1, eerste lid, bedoelde inlichtingen waarvan zij kennis draagt mede aan de bevoegde autoritett van iedere andere belanghebbende lidstaat indien in een lidstaat in verband met inlichtingen die door de bevoegde autoritett van een andere lidstaat zijn verstrekt, gegevens naar voren komen, die voor de vaststelling van de belastingschuld in deze andere lidstaat van nut kunnen zijn.

7. Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Alle inlichtingen waarover een lidstaat uit hoofde van deze richtlijn beschikt, worden in deze lidstaat geheim gehouden op dezelfde wijze als geschiedt met de gegevens die deze lidstaat verkrijgt uit hoofde van de eigen nationale wetgeving. Hoe dan ook mogen deze inlichtingen:

- alleen aan die personen ter kennis worden gebracht die bij de vaststelling van de belastingschuld of bij de administraiieve controle in verband met de vaststelling van de belastingschuld rechtstreeks betrokken zijn;

- alleen worden onthuld in gerechtelijke procedures of in procedures waarbij administratieve sancties worden toegepast, ingesteld met het oog op of in verband met de vaststelling van of de controle inzake de vaststelling van de belastingschuld, en alleen aan die personen die rechtstreeks bij deze procedures betrokken zijn; deze inlichtingen mogen echter tijdens openbare rechtszittingen of bij rechterlijke uitspraken worden vermeld, indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, daar geen bezwaar tegen maakt op het moment dat zij de inlichtingen in eerste instantie verstrekt;

- in geen geval worden gebruikt voor andere doeleinden dan fiscale doeleinden of gerechtelijke procedures of procedures waarbij administraiieve sancties worden toegepast, ingesteld met het oog op of in verband met de vaststelling van of de controle inzake de vaststelling van de belastingschuld.

8. Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Richtlijn kan in afwijking van het bepaalde in lid 1 de bevoegde autoritett van de inlichtingen verstrekkende lidstaat toestaan dat in de lidstaat die de inlichtingen ontvangt, deze ook voor andere doeleinden worden gebruikt, indien de wetgeving van de inlichtingen verstrekkende lidstaat in het eigen land een gelijksoortig gebruik onder overeenkomstige omstandigheden toestaat.

9. Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de Awr) is het een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting.

10. Ingevolge het tweede lid van laatstgenoemd artikel kan de Minister een ontheffing verlenen van dat verbod.

11. Artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) luidt voor zover hier van belang als volgt:

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;
(..);
e. de eerbiediging van de persooniijke levenssfeer;
(..).

12. De standpunten van partijen luiden, zakelijk weergegeven, als volgt.

13. Verweerder heeft zijn weigering, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 januari 2002 (LJN AV5641), primair gebaseerd op de in artikel 7 van de Richtlijn voorgeschreven geheimhoudingsverplichting, zodat aan de weigeringsgronden van de Wob niet kan worden toegekomen. Voorts heeft verweerder aangegeven dat het in het verlengde van artikel 7 van de Richtlijn liggende artikel 67 van de Awr evenzeer aan openbaarmaking van de gevraagde informatie in de weg staat. Zou wel aan de uitzonderingsgronden van de Wob worden toegekomen dan zal bij een te maken belangenafweging aan de belangen verwoord in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a en onder e, van de Wob aanmerkelijk meer gewicht moeten worden toegekend dan aan het belang dat met openbaarmaking van de documenten is gemoeid.

14. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de Richtlijn in het kader van haar verzoek geen enkele rol kan spelen, nu de Richtlijn in dit geval niet kan worden beschouwd als een de Wob terzijde zettende bijzondere regeling. Zou dit anders zijn, dan heeft artikel 7 van de Richtlijn hooguit als relatieve weigeringsgrond te gelden en moet worden vastgesteld dat verweerder deze niet of nagenoeg niet heeft gemotiveerd. Dit klemt te meer nu verweerder zelfs niet de mogelijkheid van een samenvatting of van een minimale verstrekking van de cruciale naakte feiten heeft overwogen. Voorts meent eiseres dat artikel 67 van de Awr enkel ziet op de belangen van de belastingplichtige, zodat informatie die niet direct tot individuele belastingplichtigen is terug te voeren gewoon onder de Wob valt. Gelet hierop is op onderhavig verzoek, volgens eiseres, de Wob van toepassing. De door verweerder in dit kader aangevoerde weigeringsgronden voldoen niet. Dat de betrekkingen van Nederland met andere staten in gevaar zouden komen is op geen enkele wijze gebleken, nu vaststaat dat verweerder de Belgische autoriteiten in het geheel niet heeft geconsulteerd over de vraag of de Belgische autoriteiten tegen openbaarmaking bezwaar heeft. Verweerder heeft voor de Belgische autoritetten beslist. Voorts vallen onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob enkel de privacybelangen van individuele belastingplichtigen en niet ook de privacybelangen van degenen die beroepshalve in de stukken voorkomen. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat zou dienen te worden getoetst naar de huidige situatie.

15. De rechtbank overweegt als volgt.

16. Bij de beoordeling van de zaak stelt de rechtbank voorop dat, anders dan eiseres lijkt te menen, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling artikel 67 van Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling vormt, welke prevaleert boven de algemene openbaarmakingsregeling van de Wob. Dit betekent dat uitsluitend indien en voor zover artikel 67 van de Awr niet van toepassing is, rechtstreekse toetsing aan de bepalingen van de Wob kan plaatsvinden.

17. Voor zover eiseres met haar ter zitting ingenomen standpunt heeft willen stellen dat de rechtbank het bestreden besluit zou dienen te toetsen aan de hand van de thans bestaande feiten en het thans geldende recht, faalt deze stelling. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient, behoudens uitzonderingen welke zich hier niet voordoen, als toetsingsdatum de datum van het bestreden besluit, in dit geval 6 december 2007, te worden gehanteerd.

18. Bij de verdere beoordeling van deze zaak zal de rechtbank een onderscheid maken tussen enerzijds de correspondentie tussen de lidstaten en anderzijds gegevens van (mogelijke) belastingplichtigen met betrekking tot rekeningen bij een buitenlandse bank.

19. Met betrekking tot de correspondentie tussen staten aangaande de onderhavige gegevensuitwisseling oordeelt de rechtbank na kennisneming van die correspondentie op de voet van artikel 8:29 van de Awb als volgt. Deze correspondentie op zichzelf betreft niet inlichtingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn. Evenmin is sprake van gegevens nopens de persoon of de zaken van een ander als bedoeld in artikel 67 van de Awr. Dit betekent dat voor wat betreft de correspondentie de Wob van toepassing is. Verweerder heeft in zoverre, zij het subsidiair, dan ook terecht getoetst aan de bepalingen van de Wob.

20. Verweerder heeft als toepasseiijke weigeringsgronden in artikel 10, tweede lid, van de Wob de onder a en onder e genoemde weigeringsgronden aangevoerd. Met betrekking tot de onder a genoemde weigeringsgrond is de rechtbank - gezien de inhoud van de correspondentie - van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten opweegt tegen het belang van openbaarmaking van deze correspondentie.

21. Met betrekking tot de onder e genoemde weigeringsgrond constateert de rechtbank dat de desbetreffende correspondentie, behoudens de namen en zakelijke contactgegevens van de ambtenaren die de correspondentie voeren, geen gegevens bevat aangaande de persoonlijke levenssfeer van personen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ook het door verweerder aangevoerde belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in redelijkheid niet kan opwegen tegen het belang van openbaarmaking van de correspondentie.

22. Uit het voorgaande volgt dat voor wat betreft de onderhavige correspondentie verweerder ten onrechte geweigerd heeft deze openbaar te maken.

23. Met betrekking tot de gegevens van (mogelijke) belastingplichtigen met betrekking tot rekeningen bij een buitenlandse bank stelt de rechtbank in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2005, LJN AU1783, het volgende voorop. Gelet op de strekking van artikel 7 van de Richtlijn, welke bepaling slechts ruimte biedt voor kennisgeving aan bepaalde personen onder bepaalde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat die bepaling is geïmplemeneeerd in artikel 67 van de Awr. Op grond hiervan en nu de Wob naar vaste jurisprudentie, in geval van openbaarmaking op voet van die wet, strekt tot openbaarmaking aan een ieder en selectieve informatieverstrekking aan bijvoorbeeld alleen de belastingplichtige zelf niet toestaat, is, behoudens in het zich hier niet voordoende geval waarin de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen van toepassing is, artikel 67 van de Awr het toetsingskader voor de beoordeling van verzoeken om kennisneming van op voet van de richtlijn uitgewisselde informatie. Verweerder dient verzoeken daartoe op richtlijnconforme wijze te beoordelen.

24. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet de Belgische autoritetten heeft geconsulteerd over de vraag of deze autoriteiten kunnen instemmen met verstrekking van de desbetreffende gegevens aan eiseres. Verweerder heeft in reactie daarop betoogd dat er wel contacten met de Belgische autoriteiten zijn geweest en dat deze autoritetten daarbij uitdrukkelijk een beroep hebben gedaan op (geheimhouding krachtens) artikel 7 van de Richtlijn. De rechtbank heeft met verweerder geconstateerd dat er contacten zijn geweest met de Belgische autoriteiten. Deze contacten hebben echter niet de strekking (gehad) te onderzoeken of de Belgische autoriteiten toestaan dat de desbetreffende gegevens ook worden verschaft aan eiseres, onder de voorwaarden als in artikel 7, derde lid, van de Richtlijn genoemd. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder heeft onderzocht of de in dit artikellid genoemde uitzonderingsmogelijkheid zich voordoet.

25. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder uit een oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit wel gehouden dit onderzoek te verrichten. Door na te laten dit onderzoek te verrichten is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

26. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb en artikel 10, tweede lid, van de Wob. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard, zodat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen op het door eiseres gemaakte bezwaar. Daarbij merkt de rechtbank op dat, in het geval mocht blijken dat aan de in artikel 7, derde lid, van de Richtlijn genoemde voorwaarden wordt voldaan, niet valt uit te sluiten dat openbaarmaking van de desbetreffende gegevens van (mogelijke) belastingplichtigen met betrekking tot rekeningen bij een buitenlandse bank zou dienen plaats te vinden. In dat geval moet gelet op artikel 67, eerste lid, van de Awr anonimisering van deze gegevens geboden worden geacht.

27. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt €322,00;

• wegingsfactor 1.

De rechtbank zal de Staat der Nederlanden aanwijzen als de rechtspersoon die de proceskosten aan eiseres dient te vergoeden.

28. De rechtbank zal voorts bepalen dat door de Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën) aan eiseres het door haar gestorte griffierecht van € 285,00 dient te worden vergoed.

29. De rechtbank heeft in de overwegingen van deze uitspraak meerdere beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als eiseres niet wil berusten in de verwerping van deze beroepsgronden, is het nodig dat zij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instelt. Als zij dit nalaat, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de in deze uitspraak verworpen beroepsgronden.

30. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën) aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 285,00 te vergoeden;

- veroordeett verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten welke zijn vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne, voorzitter, mr. P.H.C.M. Schoemaker en mr. A.H.N. Kruijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. J.J.M. Goosen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009.

A A N G E T E K E N D

Rechtbank Den Bosch
Sector bestuursrecht
Postbus 90125
5200 MA Den Bosch

Den Haag, 26 maart 2008

Onderwerp: Motivering van het Wob-beroep inzake Bank zonder Naam/Land X

Uw kenmerk: procedurenummer abb 08/278

Ons kenmerk: 2008-03-26/WOB/ML

Zeer geachte heer/mevrouw,

Op 19 december 2007 heb ik, handelend namens Fiscaal up to Date BV, bij de rechtbank Breda pro forma beroep ingediend tegen een Wob-beslissing op bezwaar van het ministerie van Financiën van 6 december 2007 (kenmerk DGB 2007-03186). Deze zaak is inmiddels bij uw rechtbank in behandeling onder opgemeld kenmerk. U bezit al het pro forma beroep, de bestreden beslissing op bezwaar en de machtiging aan mij.

Bij deze lever ik de gronden voor het beroep.

Allereerst kom ik in beroep tegen het zeer marginale karakter van beslissen en heroverwegen. Vooral de zorgvuldigheid en het motiveren zijn minder dan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist. Zo is er niet serieus overwogen te komen tot ambtelijk beperkte verstrekkingsvormen, en ook niet tot levering van de naakte feiten binnen het gevraagde. Eigenlijk wordt volstaan met een verwijzing naar Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) en worden voor de vorm nog wat Wob-weigergronden subsidiair aangevoerd. Deze manier van beslissen kan alleen als de zorgvuldigheid en de motivering die de Awb voorschrijven betracht wordt. Zo had op zijn minst duidelijk onderbouwd moeten worden dat indien de Richtlijn een weigerende werking heeft dat die dan niet alleen voor de integrale verstrekking van het opgevraagde geldt, maar ook voor samenvattingen en/of verstrekking van naakte feiten uit het opgevraagde. Hier wordt in de voorliggende beslissing op bezwaar op geen enkele manier op ingegaan.

Voorts wordt totaal niet onderbouwd waarom het opgevraagde überhaupt onder de Richtlijn valt. Als iets een lex-specialiswerking heeft ten opzichte van de Wob dan dient dit wel aangetoond te worden, simpel stellen dat iets zo is, is niet valide. Ook niet indien verweerder wijst op jurisprudentie die veel specifieker is dan wat hier opgevraagd wordt en dus geen werking naar deze zaak heeft.

De basisregel is dat indien er een vertrouwelijkheid overeengekomen is deze de Wob alleen dan opzijzet indien die regeling expliciet een lex specialis stutus ten opzichte van de Wob heeft, wat hier niet het geval is. In een dergelijk geval moet het kaliber van de overeengekomen vertrouwelijkheid gewogen worden ten opzichte van het algemeen belang zoals omschreven in Awb en Wob. In die gevallen is de overeengekomen vertrouwelijkheid, en daarbij is irrelevant dat die in een Richtlijn opgeschreven is, niet meer dan een relatieve weigergrond.

De recente onthullingen rond grensoverschrijdende belastingconstructies verkeer tonen glashelder aan dat dit stuk overheidsactiviteit langs overheids- en parlementaire weg onvoldoende controle kent. Het gaat daarom niet aan de bewijs- en rechtzoekende burger die via de middelen die de Wob hem verschaft, de extra-parlementaire controle, te belemmeren in taken die overheid en parlement onvoldoende invullen.

Mijn mening is dat de Richtlijn in het kader van dit verzoek geen enkele werking heeft. Allereerst niet omdat in deze zaak de Richtlijn geen lex specialis is. Op de tweede plaats niet, omdat verweerder nagelaten heeft de aan de Richtlijn gerelateerde weigering valide, dus met de zorgvuldigheid en de motiveringsdiepte die Awb en Wob vereisen, in te brengen. Deze gebreken zijn zo ernstig dat formeel eigenlijk geen sprake is van weigeren op basis van de Richtlijn.

Subsidiair ben ik van mening dat de Richtlijn in mijn zaak nooit een hogere status kan hebben dan die van relatieve weigergrond. Gelet op het algemeen belang, het belang van de belastingbetaler bij toegang tot en controle op dit soort constructies ben ik van mening dat het kaliber van de relatieve weigergrond "de Richtlijn" als die al valide ingebracht was, tekortschiet en dat het gevraagde dus integraal, meer subsidiair ambtelijk beperkt, meest subsidiair samengevat verstrekt moet worden. Met in alle gevallen minimaal de verstrekking van de cruciale naakte feiten.

Integrale verstrekking geweigerd

Gelet op het marginale karakter van de beslissing op bezwaar herhaal ik inzake integrale verstrekking hier het reeds bij bezwaar ingebrachte in grote lijnen. Hierbij komen, subsidiair naast de hiervoor al genoemde, nog enkele verstrekkingsvormen voor. Vormen die niet mijn voorkeur hebben maar wel kunnen leiden tot antwoord op het in verzoek beoogde.

De methodiek van de Wob brengt met zich mee dat indien integrale verstrekking geweigerd wordt door een verweerder gepoogd moet worden toch zoveel mogelijk aan het gevraagde te beantwoorden. In deze zaak had dat langs de volgende lijnen gekund en gemoeten:

1. Er had uitputtend nagedacht moeten worden over beperkte verstrekkingsvormen. Dat kan zijn anonimisering en wel tot het niveau waarop geen herleidbaarheid naar personen, en meer subsidiair tot organisaties, overheden of landen meer mogelijk is. Bovendien is het zo dat diverse onderdelen van het gevraagde zich verschillend tot de Wob verhouden. Zo is er nogal een verschil tussen bijvoorbeeld gegevens herleidbaar op individuele belastingplichtigen, of gegevens van of herleidbaar op banken of andere instellingen, of gegevens van landen (bijvoorbeeld welk land schuilgaat achter land X). De Wob beoogt reconstructie van beleid te faciliteren daaronder is uiteraard ook begrepen de omvang, context, voorbereiding en uitvoering.

2. Indien een document zelf niet leverbaar is dan kan de document-omgeving, de papertrail, vaak een oplossing leveren. Documenten rondom de gegevensuitwisseling en vooral ervoor en erna, maar ook managementinformatie op basis van de uitwisseling. De Wob tekst spreekt nadrukkelijk ook over voorbereiding en uitvoering van beleid. De informatie bedoeld in dit punt bevindt zich grotendeels in bestaande documenten, maar is deels ook op te vatten als een samenvatting zoals bedoeld in de Wob.

3. Weigering op de genoemde gronden betekent gelet op vaste jurisprudentie niet dat dan maar helemaal niets verstrekt hoeft te worden. In de ogen van de Raad van State kunnen de naakte feiten nagenoeg altijd verstrekt worden.

4. Uit niets blijkt dat land X inderdaad niet wil dat het gevraagde openbaar wordt. De beslissing volstaat met wijzen naar rechtspraak gebaseerd op zaken met internationale kanten. Dat is veel te marginaal. Dit is vooral ook een probleem omdat het gevraagde zoals onder punt 1 aangegeven meerdere lagen kent, lagen die zich verschillend tot de Wob, tot de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), tot de Richtlijn verhouden, én lagen die ook in de ogen van de overheid van land X zich verschillend tot de openbaarheid verhouden. Bovendien gaat het hier zeer waarschijnlijk om een land met een eigen Freedom of Information Act. In zulk een situatie is het bepaald vreemd om namens dat land te denken en niet door te geleiden.

Artikel 67 van de AWR

De weigergrond ex artikel 67 van de AWR beoogt alleen de belangen van een belastingplichtige af te schermen. De AWR heeft geen lex-specialiswerking naar de Wob. De Belastingdienst valt voor alles dat niet direct de dossiers van individuele belastingplichtigen betreft gewoon onder de Wob.

Het gevraagde valt dus daar waar het niet een herleidbaarheid op individuele dossiers heeft direct onder de Wet openbaarheid van bestuur Daar waar die herleidbaarheid er wel is, kan het gevraagde verstrekt worden indien, subsidiair zo geanonimiseerd dan wel samengevat is dat die herleidbaarheid uit de te verstrekken stukken is.

Artikel 10.2.a van de Wob

Namens een derde land beslissen zonder dit land daadwerkelijk te consulteren kan niet. En al helemaal niet als dat land een eigen Freedom of Information Act heeft; en het gevraagde bovendien ook nog lagen kent die zich verschillende verhouden tot de Richtlijn.

Verweerder stelt dat land X uitdrukkelijk aangegeven heeft dat geweigerd moet worden. Maar dit wordt niet valide onderbouwd, zo ontbreekt een kopie van die mening van land X, waarmee niet controleerbaar is of dit inderdaad aangegeven is en of dit slaat op situaties als de onderhavige. Voorts stelt verweerder dat ik tot nu niet nader onderbouwd heb dat consultatie van land X inzake mijn verzoek nodig was geweest. Op zich was dat niet nodig geweest, maar dan alleen in indien de verweerder zelfstandig beslist had op mijn verzoek. Verweerder heeft er echter voor gekozen om de beslissing te onderbouwen met de mening van land X, zonder deze expliciet te leveren. Verweerder heeft niet het recht namens land X te beslissen en al helemaal niet als voor mij niet controleerbaar is wat de mening van land X is. Zodra verweerder mede namens een derde partij een standpunt inneemt dan dient alles dat dit controleerbaar maakt integraal onderdeel van de beslissing te zijn. Dat is nagelaten.

Artikel 10.2.e van de Wob

Deze weigergrond kan alleen een werking hebben als de privacy belangen van individuele belastingplichtigen in het geding zijn. Dit Wob verzoek omvat primair iets dat hier, en zeker subsidiair zoals al omstandig toegelicht, niet aan raakt. Voor zover het gaat om de privacybelangen van anderen dan individuele belastingplichtigen, bijvoorbeeld de belangen van hen die in hun beroepshalve functioneren in de stukken voorkomen dan hebben artikel 67 van de AWR en artikel 10.2.e van de Wob nadrukkelijk geen enkele werking zoals de jurisprudentie overvloedig aangeeft.

Verlof ex artikel 8.29 van de Awb

Hierbij vraag ik u om voor uw eigen weging alle documenten van belang voor deze zaak op te vragen. Ik verleen u hierbij verlof voor vertrouwelijke kennisname overeenkomstig artikel 8.29 van de Awb.

Resumé

Ik vraag u om een grondige heroverweging en ga daarbij uit van een zo niet integrale verstrekking van het gevraagde dan toch wel subsidiair een amper beperkte. Recente onthullingen rond grensoverschrijdende belastingzaken tonen aan dat meer controle, desnoods via deze misschien wat onvriendelijke weg, nodig is.

Hoogachtend,

Mw. mr. M.T.J.M.C. Ligtenberg

Hoofdredacteur Fiscaal up to Date

Roger Vleugels

Journalism
Basics & Investigative journalism &
The end of journalism

Freedom of information
Courses & litigation

Intelligence
Forensic intelligence analyst & researcher

The Fringe journals
Editor and publisher of Fringe Intelligence and Fringe Spitting, two -free of charge- email journals on intelligence, freedom of information and more

Address, contact, etc.
Korfoedreef 213
3562 SL Utrecht
The Netherlands

Telephone: +31 30 261 6351
Mobile phone: +31 6 2152 5790
Email: roger.vleugels@planet.nl
Chamber of Commerce: 30153114

Dutch Payments
Postbank: 3432010

Foreign Payments
IBAN: NL 31 PSTB 0003 4320 10
BIC: PSTBNL21

Utrecht, 20 maart 2009

Onderwerp Pleitnota Fiscaal up to Date vs MinFin inzak Wob-procedure Bank Zonder Naam / Land X

Uw kenmerk 08 / 278

Zeer geachte rechters en griffier,

In deze zaak gaat het om afscherming van gegevens in relatie tot de belastingdienst. Uitgangspunt van verweerder in welke zaak dan ook over belastingen is altijd de vooronderstel-ling dat wat dan ook dat aan belastingen gerelateerd is niet onder de Wob valt laat staan dat het openbaar gemaakt moet worden.

Er worden afspraken opgevoerd, in deze zaak De Richtlijn, die een lex specialis werking zouden hebben, er wordt verwezen naar meningen van buitenlanden, artikel 67 van de Awr bedoeld voor -terechte- afscherming van individuele natuurlijke personen wordt een generale weigerwerking toegedicht, en zo meer.
Er wordt gewezen op jurisprudentie waarbij amper getoetst wordt of die ontstaan is in een werkelijk vergelijkbare zaak en of die in het huidige tijdsgewricht nog wel valide kan zijn.
Dat laatste wil ik vandaag kort toelichten.

In dit pleidooi ga ik niet al het eerder op schrift door cliënt ingebrachte herhalen; dat dient hier als herhaald en ingelast beschouwd te worden.

De diverse crises waar we momenteel inzitten leiden er onder meer toe dat de visie op toezicht op de financiële wereld, op bankgeheim, op transparantie rond financiële afspraken zodanig aan het opschuiven zijn dat al een feit is dat alle bestaande toezichtconstructies, afspraken tussen landen, typen afscherming, en daarmee ook alle jurisprudentie daarmee samenhangend, structureel zullen veranderen in de richting van meer controle, meer toezicht, meer toegang, meer transparantie.

Sterker nog ook bij regeringen, ook de onze, heeft inmiddels de mening postgevat dat indien er meer controle, toezicht, toegang en transparantie was geweest dit een ingrijpend gunstige in de zin van beperkende invloed op de huidige crises gehad zou hebben.

Relevant voor deze zaak is binnen dit geheel het inzicht dat de bestaande manier van afwegen de niet juiste is. Verweerder besteedt geen aandacht aan dit veranderende beeld, komt niet ten opzichte van bestaande verweren, gebaseerd op ingesleten gebruiken, op De Richtlijn, op jurisprudentie niet tot voortschrijdend inzicht.

Dat is vreemd en onvoldoende. Als je ziet dat landen als Zwitserland hun bankgeheim inperken, zelfs dwars door de mening van hun eigen Hoge Raad in dan kun je nu niet meer volstaan met je baseren op inzichten, afspraken en jurisprudentie die ouder is dan 1 jaar.

Wat ik u namens cliënt vraag is een grondige heroverweging van al het namens verweerder ingebrachte in dit licht.

Het mag zo zijn dat de Belgische autoriteiten zich begin deze eeuw nadrukkelijk op de werking van De Richtlijn beriepen, maar in het licht van het veranderde tijdsbeeld, van een beleid met meer transparantie juist inzake dit soort gegevens is dat een niet zo maar zonder meer nog valide uitgangspunt.

Het klopt dat mijn cliënt inmiddels enige kennis draagt van het gevraagde, maar dat betekent niet dat het procesbelang daarmee verdampt is.
De kennis die mijn cliënt draagt komt van een derde en kan onvolledig zijn. Mijn cliënt be-houdt daarmee het belang tot zo integraal mogelijke verstrekking.

Zoals gezegd ga ik nu niet herhalen wat eerder ingebracht is. Toch wil ik een punt noemen. De door verweerder aangehaalde Richtlijn en jurisprudentie gelden voor zo ver ze heden nog een werking mogen hebben alleen voor een integrale verstrekking van het gevraagde. Cliënt heeft meermaals aangegeven subsidiair ook in ambtelijke beperkte verstrekking met als meest subsidiaire positie een verstrekking van de naakte feiten sec geïnteresseerd te zijn.

Het verweer komt aanvullend met weigeringen gebaseerd op Wob art. 10.2.b en art 10.2.d. Dat is niet te volgen. Die eerste weigergrond geldt alleen voor de periode waarin een beleid of afspraak of contract nog niet vastgesteld is. Vanaf de vaststelling, vanaf de finale handtekening is die weigergrond verdampt en heeft eenieder het recht om zich te verdiepen in alle ins and outs. Dit kan een financieel nadeel voor de staat opleveren in die zin dat een wel zich er verdiepende burger preciezer weet hoe te handelen, maar dat levert geen afschermgrond zoals geleverd kan worden door Wob art 10.2.b.
De tweede weigergrond, Wob art 10.2.d, wordt sinds midden jaren negentig niet meer gebruikt om controle en toezicht uitkomsten af te schermen, slechts methodieken worden nog afgeschermd, maar dat is hier niet aan de orde.

Kortom ik vraag u om een heroverweging rekening houdend met het in het voordeel van het algemeen belang [en daarmee in het voordeel van mijn cliënt] veranderde tijdsbeeld. Ik vraag u om integrale verstrekking van het gevraagde. Subsidiair vraag ik u om een zo beperkt mogelijke beperkte verstrekking.

Roger Vleugels

Datum 20090414