| Nummer | fida20091650 |
|---|---|
| Bron | Arr.rb. Den Haag 18 februari 2009 AWB07/9523 |
| Titel | Uitzonderlijke grote oppervlakte van bierbrouwerijcomplex drukte WOZ-waarde |
| Samenvatting | De gemeente had het bierbrouwerijcomplex van BV X voor de WOZ per 1 januari 2003 vastgesteld op € 136.860.820. In beroep stelde BV X dat de gemeente de bij het complex behorende grond te hoog had gewaardeerd, omdat ander industrieel gebruik van de grond dan ten behoeve van een brouwerij en aanverwante bedrijven was uitgesloten. Verder was volgens BV X onvoldoende rekening gehouden met de uitzonderlijke omvang van haar perceel. Rechtbank Den Haag was het met BV X eens dat bij de bepaling van de waarde die het brouwerijcomplex in economische zin voor BV X zelf had, niet voorbij kon worden gegaan aan de bestemming en de uitzonderlijk grote oppervlakte van de grond. De gemeente had de waardebepaling van de grond niet onderbouwd met verkoopprijzen van vergelijkbare percelen of andere bruikbare marktgegevens. Aan de andere kant had BV X de door haar verdedigde grondwaarden volgens de Rechtbank ook onvoldoende onderbouwd. De Rechtbank stelde de WOZ-waarde van het brouwerijcomplex in goede justitie vast op € 128.750.000. |
| Tekst |
Rechtbank 's-Gravenhage
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X], gevestigd te [Z], eiseres, en de heffingsambtenaar van de gemeente [P], verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 15 november 2007 op het bezwaar van eiseres tegen de na te noemen beschikking en aanslagen. Zitting
1 Beslissing De rechtbank:
2 Gronden 2.1Verweerder heeft bij beschikkingen van 29 april 2007 de waarde van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: het brouwerijcomplex), [adres 2], [adres 3] en [adres 4] te [gemeente], op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op respectievelijk € 136.860.820 , € 129.000, € 784.000 en € 424.000. Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiseres opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2006. 2.2 Eiseres heeft tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ worden deze bezwaren geacht mede te zijn gericht tegen de aanslagen onroerende-zaakbelastingen. Bij uitspraak op bezwaar van 15 november 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. 2.3 Eiseres is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom van de onder 2.1. genoemde onroerende zaken. 2.4. In geschil is de waarde van de tot het brouwerijcomplex behorende grond (hierna: de grond). 2.5. Niet tussen partijen in geschil is dat het brouwerijcomplex een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ is. Nu dit gemeenschappelijke standpunt van partijen geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, sluit de rechtbank zich daarbij aan. 2.6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de waarde van
de grond op waardepeildatum voor een gedeelte, groot 475.000
m2, € 60 per m2 en voor het overige € 15 per m2
bedraagt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres
een taxatierapport van [taxatiebedrijf] b.v. en een door [B]
opgestelde berekening van de residuele grondwaarde
overgelegd, alsmede de taxatie-instructie Haven- en
industriegebied Gemeente Rotterdam, WOZ 2005 t/m 2008, en een
uittreksel uit het kadaster betreffende de levering van een
perceel grond te Goes op 8 april 2005. Voorts voert eiseres
-samengevat - het volgende aan.
2.7. Verweerder heeft verwezen naar een in het
verweerschrift opgenomen overzicht van het ministerie van
VROM van verkoopprijzen van grond op bedrijventerreinen
alsmede naar door verweerder aangevoerde gegevens over de
[biermerk 2] bierbrouwerij in [gemeente 2] en uitgifteprijzen
van bedrijfsterreinen aldaar.
2.8 Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend, welke waarde volgens het tweede lid van dat artikel dient te worden bepaald op de aldaar omschreven waarde in het economische verkeer. In afwijking van de in het tweede lid bedoelde waarde moet, volgens het derde lid van dat artikel, de waarde van een onroerende zaak, die niet tot woning dient, worden bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Daarbij moet rekening worden gehouden met de aard en bestemming van de zaak en de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. De vervangingswaarde wordt, ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (hierna: Uitvoeringsregeling), berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a van de Uitvoeringsregeling, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zou vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten. 2.9. Partijen nemen beide het standpunt in dat de waarde van het brouwerijcomplex moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ. Nu gesteld noch gebleken is dat, zou de waarde van het brouwerijcomplex op de voet van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ zijn bepaald, deze waarde hoger zou zijn dan de gecorrigeerde vervangingswaarde, sluit de rechtbank zich bij dit gemeenschappelijke standpunt van partijen aan. 2.10. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de
waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag
heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is
verweerder hierin niet geslaagd. Bij dit oordeel neemt de
rechtbank het volgende in aanmerking.
2.11. Nu verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast
heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiseres
aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar verdedigde waarde
niet te laag is. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze
vraag ontkennend te worden beantwoord. De rechtbank neemt bij
dit oordeel het volgende in aanmerking.
2.12. Nu geen van beide partijen erin is geslaagd het van haar gevergde bewijs te leveren, en ter zitting is gebleken dat de bereidheid om tot een compromissoire oplossing te komen bij hen ontbreekt, bepaalt de rechtbank de waarde van het brouwerijcomplex in goede justitie op € 128.750.000. De rechtbank neemt bij dit oordeel als uitgangspunt de door het Gerechtshof te 's-Gravenhage in zijn uitspraak van 15 december 2004 naar waardepeildatum 1 januari 1995 gehanteerde oppervlakten en waarden van de primaire en de restgrond. Rekening houdend met het tijdsverloop tussen 1 januari 1995 en 1 januari 2003, de door eiseres overgelegde berekening van de residuele grondwaarde die, hoewel zij, naar onder 2.11 is overwogen, de rechtbank niet van de juistheid van de door eiseres bepleite waarde overtuigt, meer elementen van een systematische waardebepaling in zich bergt dan de door verweerder overgelegde gegevens, en hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, heeft de rechtbank het uit de berekeningen van verweerder af te leiden aandeel van de grondwaarde in de gecorrigeerde vervangingswaarde van het brouwerijcomplex schattenderwijs zodanig verlaagd dat dit leidt tot de hiervoor genoemde gecorrigeerde vervangingswaarde van € 128.750.000. 2.13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. 2.14 Eiseres heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de kosten die zij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft moeten maken (hierna: proceskosten). De door eiseres geclaimde proceskosten bestaan uit uitgaven voor rechtsbijstand en het bedrag van € 3.249,20 dat eiseres aan [B] heeft betaald in verband met door deze gegeven adviezen. De rechtbank wijst het verzoek om veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres toe met dien verstande dat zij het bedrag van € 3.249,20 te hoog acht. Gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onderdeel b, laatste zinsnede, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, stelt de rechtbank de terzake te vergoeden kosten vast op € 2.000 waarbij de rechtbank rekening houdt met de omstandigheid dat de door [B] verleende diensten niet van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, zodat met een uurtarief van € 50 kan worden volstaan. De kosten van rechtsbijstand die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, stelt de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. L.M. de Loor-Alwin en mr. H. Ollermann in tegenwoordigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier. |
| Datum | 20090218 |