FutD - archief

Nummer fida20091615
Bron Hoge Raad 10 april 2009 07/10432
Titel Met kunstwerk betreden van groene kanaal was smokkel
Samenvatting X kwam op 16 juni 2003 per vliegtuig vanuit Zwitserland als vliegtuigpassagier aan op Schiphol. In zijn handbagage zat een waardevolle pentekening die X had gekocht in de VS. In de aankomsthal liep X door het groene kanaal. Direct na het betreden van het groene kanaal en voordat hij de uitgang van de hal had bereikt, werd hij aangesproken door een douaneambtenaar met de vraag of hij iets had aan te geven. X beantwoordde de vraag ontkennend. De douaneambtenaar doorzocht de bagage van X en trof het kunstwerk aan. De Zwitserse douaneautoriteiten hadden tevoren de Nederlandse douaneautoriteiten erover geïnformeerd dat X zich op 16 juni 2003 voor de betreffende vlucht had ingecheckt met een pentekening in zijn bagage, die voor definitieve uitvoer uit Zwitserland was aangegeven. De Douanekamer van Hof Amsterdam was het met de inspecteur eens dat X BTW was verschuldigd wegens het onregelmatig binnenbrengen c.q. smokkel van goederen. X ging in cassatie. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof bevestigd. Voor goederen die in de bagage van een reiziger van buiten het grondgebied van de EU binnenkwamen, moest een douaneaangifte worden gedaan. Voor goederen die voldeden aan de in de artikelen 230 en 232 van de Uitvoeringsverordening CDW vermelde voorwaarden kon deze aangifte op de luchthaven Schiphol geschieden door het gebruik van het zogenoemde groen kanaal "niets aan te geven". Andere in de bagage meegevoerde goederen konden volgens de Hoge Raad niet op deze wijze worden aangegeven. Daarvoor moest een mondelinge of een schriftelijke aangifte worden gedaan. Als geen aangifte was gedaan, was sprake van invoer van deze goederen op het tijdstip waarop het groene kanaal werd betreden, dat wil zeggen op het tijdstip waarop de reiziger het bord met de aanduiding "niets aan te geven" of de kenbare, ter plaatse daartoe aangebrachte scheidslijn passeerde.
Tekst

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
10 april 2009
Nr. 07/10432

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 juni 2007,
nr. 04/3137 DK, betreffende een uitnodiging tot betaling van omzetbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Belanghebbende is bij aanslagbiljet van 25 juni 2003 uitgenodigd tot betaling van omzetbelasting. Het tegen die uitnodiging door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.

 Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 27 maart 2008 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is op 16 juni 2003 vanuit R, Zwitserland, als vliegtuigpassagier aangekomen op de luchthaven Schiphol. In zijn handbagage bevond zich een tekening van L (verder: het kunstwerk). Belanghebbende had het kunstwerk op 25 januari 2002 in de Verenigde Staten gekocht.

3.1.2. In de aankomsthal heeft belanghebbende op weg naar de uitgang de zogeheten groene doorgang (ook: het groene kanaal) betreden, aangewezen door borden met het opschrift 'Nothing to declare/Niets aan te geven'. Direct na het betreden van die doorgang en voordat hij de uitgang van de hal had bereikt, is hij aangesproken door een douaneambtenaar met de vraag of hij iets had aan te geven. Deze vraag is door belanghebbende in ontkennende zin beantwoord. Daarop heeft de douaneambtenaar de bagage van belanghebbende doorzocht en het kunstwerk aangetroffen. De Zwitserse douaneautoriteiten van de luchthaven te R hadden tevoren de Nederlandse douaneautoriteiten erover geïnformeerd dat belanghebbende zich op 16 juni 2003 voor de betreffende vlucht had ingecheckt met een tekening van L in zijn bagage, welke tekening voor definitieve uitvoer uit Zwitserland was aangegeven.

3.1.3. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van de invoer van het kunstwerk omzetbelasting verschuldigd is geworden en op die grond de onderwerpelijke uitnodiging tot betaling vastgesteld.

3.2.1. Het eerste middel bestrijdt 's Hofs oordeel dat het betreden van de groene doorgang in voorkomend geval reeds als binnenbrengen op onregelmatige wijze wordt aangemerkt en dat daarvoor niet nodig is dat de reiziger de groene doorgang geheel heeft doorlopen. Die visie zou, aldus het middel, tot gevolg hebben dat de hiervoor in 3.1.2 bedoelde vraag van de douaneambtenaar zinledig zou zijn, aangezien dan op dat tijdstip geen aangifte meer zou kunnen worden gedaan.

3.2.2. Het middel faalt. Voor goederen die in de bagage van een reiziger als belanghebbende van buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Zesde richtlijn Nederland binnenkomen, moet met het oog op vrijgave door de douane van die goederen om daarover binnen vermeld grondgebied te kunnen beschikken, een douaneaangifte worden gedaan. Voor goederen die voldoen aan de in de artikelen 230 en 232 van de Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek vermelde voorwaarden kan deze aangifte op de luchthaven Schiphol geschieden door het gebruik van een door de douaneautoriteiten aangegeven zogeheten groen kanaal "niets aan te geven". Andere in de bagage meegevoerde goederen kunnen niet op deze wijze worden aangegeven; hiervoor moet een mondelinge of een schriftelijke aangifte worden gedaan. Indien laatstbedoelde goederen Nederland worden binnengebracht zonder dat een mondelinge of een schriftelijke aangifte wordt gedaan waardoor zij onder een douaneregeling worden geplaatst, is sprake van invoer van deze goederen in de zin van artikel 1, aanhef en letter d, en artikel 18 van de Wet op het tijdstip waarop het groene kanaal wordt betreden, dat wil zeggen op het tijdstip waarop de reiziger het bord met de aanduiding "Niets aan te geven" dan wel de kenbare, ter plaatse daartoe aangebrachte scheidslijn (groene streep of iets dergelijks) passeert.

3.2.3. Het tweede middel kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

  4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2009.

Datum 20090410