| Nummer | fida20091232 |
|---|---|
| Bron | Hof Den Haag 13 januari 2009 BK-08/00066 |
| Titel | Deplorabele staat van garage en tuinmuurtjes drukten WOZ-waarde fors |
| Samenvatting | De gemeente Borsele had de vrijstaande woning van X per 1 januari 2005 vastgesteld op € 320.000. X ging in beroep en bepleitte een waarde van maximaal € 243.000. Hof Den Haag besliste dat de door de gemeente aangedragen verkoopprijzen van de referentieobjecten de waarde van de woning van X onvoldoende onderbouwden. Verder had de gemeente volgens het Hof onvoldoende rekening gehouden met uit de door X overgelegde foto's blijkende onderhoudsgebreken van de garage en de deplorabele toestand van de (af)scheidingsmuurtjes rondom de tuin. Anderzijds had X de door hem bepleite waarde ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hij had geen taxatierapport overgelegd en had slechts verwezen naar de WOZ-waarde zoals die voor het vorige waarderingstijdvak was vastgesteld en daar 10% bij opgeteld. De WOZ-waarde van het vorige tijdvak met als waardepeildatum 1 januari 2003 kon niet als uitgangspunt gelden, omdat de waarde voor elk tijdvak aan de hand van marktgegevens rond de waardepeildatum moest worden bepaald. Het Hof stelde de WOZ-waarde in goede justitie vast op € 280.000. |
| Tekst |
Gerechtshof te 's-Gravenhage
UITSPRAAK op het hoger beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 28 december 2007, nummer AWB 07/940, betreffende de hierna vermelde beschikking. Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De heffingsambtenaar van de gemeente Borsele (hierna: de Inspecteur) heeft bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z voor het jaar 2007 en naar de waardepeildatum 1 januari 2005 vastgesteld op € 320.000. In het desbetreffende geschrift is ook een aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2007 bekend gemaakt. 1.2. Bij uitspraak op het door belanghebbende tegen de beschikking gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Loop van het geding 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106. 2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. Belanghebbende heeft vervolgens op 10 juli 2008 een nader stuk ingediend, waarop door de Inspecteur bij brief van 27 oktober 2008 schriftelijk is gereageerd. 2.4. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en gebruiker van de aan de a-straat 1 te Borssele gelegen onroerende zaak (hierna: de onroerende zaak). 3.2. De onroerende zaak betreft een vrijstaande woning van het bouwjaar 1967, met een inhoud van ongeveer 442 m³ en met aanbouw, kantoor en garage. Het perceel kent een oppervlakte van ongeveer 643 m². 3.3. De garage vertoont tekenen van ernstig achterstallig onderhoud. In en rondom de tuin zijn op diverse plaatsen scheidingsmuurtjes aangebracht die in meer of mindere mate zijn vervallen. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 4.1. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum (hierna: de waarde). 4.2. Belanghebbende staat een waarde voor van maximaal € 243.000. 4.3. De Inspecteur houdt staande dat de waarde € 320.000 is. 4.4. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen, wordt verder verwezen naar de stukken van het geding. Conclusies van partijen 5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vaststelling van de waarde op een bedrag van maximaal € 243.000. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Overwegingen omtrent het geschil 6.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet moet de waarde van de onderhavige tot woning dienende onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die door de meestbiedende koper zou worden besteed bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding. 6.2. Op de Inspecteur rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde van de onroerende zaak niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde heeft de Inspecteur als bijlage bij het verweerschrift voor de rechtbank een taxatierapport in het geding gebracht, in welk taxatierapport de waarde van de onroerende zaak is bepaald op € 320.000. In het rapport wordt een viertal referentieobjecten vermeld en worden de verschillende componenten van de vastgestelde waarde afzonderlijk weergegeven. Verder is in het rapport een "matrix prijs m3" opgenomen alsmede een zogenoemde grondstaffel. Tot slot zijn in het rapport nog enkele aanvullende verkopen vermeld van onroerende zaken in de gemeente Borsele. 6.3. Het Hof acht de Inspecteur niet geslaagd in de op hem
rustende bewijslast van de door hem vastgestelde waarde. Het
Hof neemt hierbij in aanmerking dat de door de Inspecteur
aangedragen verkoopprijzen van de referentieobjecten de
vastgestelde waarde onvoldoende onderbouwen. Onvoldoende
inzichtelijk is hoe tot de vastgestelde waarden is gekomen.
De aan de onderdelen garage, aanbouw woonruimte en kantoor
toegekende waarden kunnen niet uit de aangedragen
verkoopprijzen worden herleid. Tevens is onvoldoende inzicht
verschaft in de wijze waarop, gelet op de aard, de ligging en
het bouwjaar van de panden, een verband kan worden gelegd
tussen de in het rapport vermelde verkoopcijfers uit 2004 van
de referentieobjecten en de in geding zijnde waarde van de
onroerende zaak. Het Hof merkt daarbij op dat bij de bepaling
van de waarde van de onroerende zaak - afgezien van de
hiervoor vermelde onderdelen daarvan - de "matrix prijs
m3"en de grondstaffel aan de basis zijn gelegd, maar
niet inzichtelijk is gemaakt waarop de prijzen, zoals vermeld
in de matrix en de grondstaffel, zijn gebaseerd. Anders dan
de Inspecteur kennelijk meent, kunnen de aanvullende
verkoopcijfers daartoe niet dienen nu deze zonder
uitzondering zijn gerealiseerd in 2006 en mitsdien op
tijdstippen die te ver verwijderd zijn gelegen van de
waardepeildatum. Eén en ander klemt te meer nu bij de
uitsplitsing van de verkoopcijfers van de referentieobjecten
prijzen tot uitdrukking worden gebracht die - in meer of
mindere mate maar steeds in neerwaartse zin - afwijken van de
prijzen zoals opgenomen in de matrix en grondstaffel.
6.4. Ter ondersteuning van de door hem bepleite waarde heeft belanghebbende geen taxatierapport overgelegd. Hij heeft de door hem voorgestane waarde onderbouwd met een verwijzing naar de voor het vorige waarderingstijdvak vastgestelde waarde op 1 januari 2003 van de onroerende zaak, zijnde € 230.000 en deze aangepast aan de door hem schattenderwijs op 10 procent bepaalde stijging van de gemiddelde verkoopprijs in Borssele. Afgezien van een rekenfout die belanghebbende daarbij maakt (110 procent van € 230.000 = € 253.000, en niet € 243.000) is het Hof dienaangaande van oordeel dat de waarde van de onroerende zaak van het vorige tijdvak met als waardepeildatum 1 januari 2003 niet als uitgangspunt kan dienen voor de thans vast te stellen waarde. Voor elk tijdvak dient de waarde van een onroerende zaak aan de hand van marktgegevens rond de waardepeildatum te worden bepaald. De door belanghebbende bepleite waarde sluit naar het oordeel van het Hof evenmin aan bij de transactiecijfers van de referentieobjecten. Derhalve is ook de door belanghebbende voorgestane waarde niet aannemelijk geworden. 6.5. Aangezien de door de Inspecteur noch de door belanghebbende voorgestane waarde als juist kan worden aanvaard, bepaalt het Hof die nwaarde, met inachtneming van al hetgeen partijen hebben aangevoerd, in goede justitie op € 280.000. Proceskosten en griffierecht 5.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt. 5.2. Wel dient aan belanghebbende het voor van de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 39, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 106 te worden vergoed. Beslissing Het Gerechtshof:
Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, J.W. Savelbergh en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. |
| Datum | 20090113 |