| Nummer | Fida20090627 | ||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Kenmerk | Hof Amsterdam 17 december 2008 0700562 | ||||||||||||||||||||
| Titel | Draaiboek rekeningenproject volgens Hof Amsterdam niet verder openbaar | ||||||||||||||||||||
| Samenvatting | X ging in beroep tegen navorderingsaanslagen IB met boeten
van 100%, die aan hem waren opgelegd omdat hij een
bankrekening bij de KB Lux zou hebben aangehouden. Hij
verzocht om openbaarmaking van het draaiboek en de
nieuwsbrieven van het rekeningenproject. In een
tussenuitspraak van 13 mei 2005 besliste de enkelvoudige
kamer van Hof Den Bosch dat de inspecteur het draaiboek en de
nieuwsbrieven moest overleggen. De inspecteur bleef weigeren
bepaalde passages leesbaar te maken, waarop de meervoudige
kamer van Hof Den Bosch op 22 september 2005 de
navorderingsaanslagen en boeten vernietigde. De Hoge Raad
verklaarde het cassatieberoep van de staatssecretaris
gegrond, omdat de enkelvoudige kamer geen kennis had genomen
van het gehele procesdossier. De Hoge Raad verwees de zaak
naar Hof Amsterdam. De eerste meervoudige belastingkamer van
Hof Amsterdam nam de zaak in behandeling en verwees die
vervolgens naar de derde meervoudige belastingkamer voor de
behandeling van het beroep van de inspecteur op artikel 8:29
Awb. Het gehele procesdossier werd daarbij aan de derde
meervoudige kamer ter beschikking gesteld. De derde
meervoudige kamer van Hof Amsterdam heeft op 17 december 2008
in een tussenuitspraak uitspraak gedaan in een artikel
8:29-procedure. Hof Amsterdam besliste dat de inspecteur
terecht had geweigerd de integrale versie van het draaiboek
en de nieuwsbrieven te overleggen. Beperking van de
kennisneming van de stukken door X tot de zogenoemde
Amsterdamse versie was volgens het Hof gerechtvaardigd.
Geheimhouding van bepaalde delen van het draaiboek en de
nieuwsbrieven was gerechtvaardigd vanwege het belang van de
Belastingdienst bij een effectieve controle en
controlestrategie en het belang van de privacy, zowel van
derden als van ambtenaren.
| ||||||||||||||||||||
| Tekst |
Gerechtshof te Amsterdam
TUSSENUITSPRAAK na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, op het beroep van [X] te [Z], belanghebbende, tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Tilburg, de inspecteur. 1. Loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft op 17 februari 2004 bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch beroep ingesteld tegen de uitspraak van de inspecteur betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1990, alsmede betreffende de navorderingsaanslag vermogensbelasting betreffende het jaar 1991. Dat gerechtshof heeft op 22 september 2005 uitspraak gedaan en daarbij, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard en de bestreden uitspraken op bezwaar alsmede de opgelegde navorderingsaanslagen met de daarin begrepen verhogingen vernietigd. 1.2. De staatssecretaris van Financiën heeft cassatieberoep ingesteld tegen deze uitspraak. De Hoge Raad heeft dit beroep op 10 augustus 2007 (nr. 42.715, BNB 2007/312) gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof te 's-Hertogenbosch vernietigd behoudens, voor zover hier van belang, de beslissing omtrent het griffierecht, en het geding ter verdere behandeling verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam. 1.3. De Eerste Meervoudige Belastingkamer van het Hof heeft de zaak in behandeling genomen en deze vervolgens verwezen naar de Derde Meervoudige Belastingkamer, uitsluitend ter behandeling van het door de inspecteur gedane beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat ertoe strekt te voorkomen dat de hierna onder 2 te vermelden stukken, het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, integraal in het geding dienen te worden gebracht (hierna: de 8:29-procedure). Aan de Derde Meervoudige Belastingkamer is het gehele procesdossier ter beschikking gesteld. 1.4. De griffier van dit Hof heeft belanghebbende en de inspecteur bij brief van 7 september 2007 in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest van de Hoge Raad. 1.5. Van de zijde van de
inspecteur is een brief van 11 september 2007 binnengekomen
met daarbij gevoegd een exemplaar van het Draaiboek en de
Nieuwsbrieven, zoals deze onder meer bij de tussenuitspraak
van 19 april 2006 in de zaak met kenmerknummer 04/04923 van
de Derde Meervoudige Belastingkamer ten behoeve van de
inspecteur waren gevoegd en waarin door het Hof was
aangegeven in hoeverre een beperking van de kennisneming van
die stukken door belanghebbende gerechtvaardigd is en na
herstel van enige (sporadische) kennelijke misslagen daarin
overeenkomstig de tussenuitspraak van de Rechtbank te Breda
van 3 januari 2007 (hierna: de Amsterdamse versie van
Draaiboek en Nieuwsbrieven).
1.6. Belanghebbende heeft bij brief van 4 oktober 2007 een "Memorie na verwijzing" aan het Hof gezonden. 1.7. Bij brieven van 6 juni 2008 en 23 juni 2008 heeft de gemachtigde zijn zienswijze omtrent de verwijzingsopdracht kenbaar gemaakt. 1.8. Ter zitting van de Derde Meervoudige Belastingkamer van 25 juni 2008 zijn de door belanghebbende ingestelde beroepen betreffende de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting voor de jaren 1990, 1994 en 1997, en in de vermogensbelasting voor de jaren 1991, 1995 en 1998, bij het Hof bekend onder de kenmerken P07/00562, 07/00616 en 07/00617, door het Hof gevoegd behandeld. De tot die procedures behorende stukken worden geacht in alle procedures in het geding te zijn ingebracht. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze tussenuitspraak is gehecht. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Het Hof beschouwt de feiten zoals die onder 2.1 tot en met 2.20 zijn vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch als vaststaand. Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd. 2.2. De inhoudsopgave van het Draaiboek luidt onder meer als volgt: "Voorwoord 1. Inleiding
2. Organisatorische aspecten
3. Feiten en kwalificatie
3.4.1. Inkomsten- en
vennootschapsbelasting
3.5.1 Informatieverplichtingen/omkering van
de bewijslast
4. Klantbehandeling
Het Draaiboek bevat 26 bijlagen, waaronder valutakoersen en rentepercentages, voorbeeldbrieven, wetsartikelen en de "[n]otitie rechtmatigheid". 2.3. De Nieuwsbrieven zijn
uitgegeven in de periode van 1 november 2001 tot en met 15
april 2003 en bevatten informatie voor alle deelnemers binnen
de Belastingdienst aan het
Rekeningenproject.
2.4. De pleitnota van de inspecteur ten behoeve van de zitting van de Derde Meervoudige Belastingkamer van 25 juni 2008, welke bij schrijven van 14 mei 2008 aan de gemachtigde en aan het Hof is toegezonden, vermeldt onder meer het volgende: "(...) [I]k
(geef) hieronder aan waarom ik mij voor de nog niet
overgelegde passages van Draaiboek en Nieuwsbrieven beroep op
gewichtige redenen als bedoeld in art 8:29
Awb.
Algemene beschrijving gronden voor het niet verstrekken van passages Ander
project:
Cijfermatige informatie:
Methoden en systematiek
Bij de beoordeling of de inspecteur aan
belanghebbende informatie moet verstrekken over methoden en
systematiek van de controle is van belang of die informatie
relevant is voor de beoordeling van het geschil.
Belanghebbende moet kunnen toetsen waarom de controle het
uiteindelijke resultaat, te weten de opgelegde aanslag, heeft
opgeleverd.
De diverse methodieken om aangiften en verklaringen te toetsen aan de feiten die zich hebben voorgedaan zijn veelal ook toepasbaar buiten het rekeningenproject. In andere projecten worden methodieken van het rekeningenproject al gebruikt. Verstrekking van de passages die daarop betrekking hebben zijn op grond van controlestrategische redenen, zoals genoemd in de belangenafweging van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d van de Wob, onwenselijk. Het belang voor andere lopende en nog te starten projecten in combinatie met de mogelijkheid dat belanghebbenden bij verstrekking van die methoden kunnen anticiperen op de werkwijze van de inspecteur dan wel vroegtijdig kunnen herkennen hoe de inspecteur waarschijnlijk te werk zal gaan maakt dat het belang van geheimhouding zwaarder weegt dan het belang van verstrekking. Anticiperend gedrag van belanghebbenden is eveneens mogelijk indien informatie zou worden verstrekt waaruit kenbaar wordt waar het toezicht door de inspecteur toe wordt beperkt. Om dezelfde redenen is het onwenselijk informatie over de verwerking van de onderzoeksresultaten te verstrekken. Zichtbaar maken van interne logistieke trajecten (tijdens en na het feitenonderzoek) tot in een grote mate van detail maakt de eventuele kwetsbaarheid van die processen zichtbaar. Het is niet wenselijk dat belanghebbende tot in detail geïnformeerd wordt over de inrichting van werkprocessen en de werking van automatiseringssystemen, archiveringssystemen en mogelijkheden waar de Belastingdienst in het algemeen - dus ook buiten concrete projecten - gebruik van maakt. De financiële belangen van de staat en het belang van toezicht en controle door de overheid verhinderen additionele verstrekking van informatie over de methoden die de inspecteur hanteert om het toezicht uit te oefenen. Persoonlijke opvattingen
Privacy
derden
Toegepaste gronden per passage
De namen van medewerkers van de Belastingdienst zijn niet verstrekt maar zij zijn grotendeels wel op unieke wijze aangeduid. Indien de namen niet zijn verstrekt blijkt dit uit de tekst. Ik heb dit hieronder niet meer apart aangegeven. Draaiboek Rekeningenproject 1.2.1.
2.3.2.3.
3.2. en 3.3.
3.5.3.
3.5.8.
Nieuwsbrieven rekeningenproject Nieuwsbrief 1 H1
H7
Nieuwsbrief 2 H1
H3
H4
H7
Nieuwsbrief 3 H1
H4
H8
Nieuwsbrief 4 Inleiding
H1
H2
H5 en
H7
H9
Nieuwsbrief 5 Inleiding
H5
H9
H10 en 11 bestaan niet H12
Nieuwsbrief 6 H3
H6
H7
Nieuwsbrief 7 H6
H7
H14
H15
Nieuwsbrief 8 H9
H10
Nieuwsbrief 9 H9
H11
Nieuwsbrief 10 H3
H5
H9
Na Nieuwsbrief 10 zijn, ondanks de aankondiging, geen nieuwsbrieven meer verschenen." 2.5. In zijn pleitnota voor de zitting van 25 juni 2008 heeft de gemachtigde gereageerd op de pleitnota van de inspecteur, onder meer betogende dat het de facto onmogelijk is om inhoudelijk te reageren op de argumenten van de inspecteur, dat slechts gewezen kan worden op inconsistenties in de argumentatie dan wel kan worden opgemerkt dat de aangedragen argumenten niet als een beroep op zwaarwichtige redenen zijn te begrijpen. 3. Beoordeling van het geschil Vooraf 3.1
De uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch is,
evenals de daarin sub 2.17 aangehaalde tussenuitspraak van de
Negende Enkelvoudige Belastingkamer van dat gerechtshof, door
de Hoge Raad bij zijn arrest van 10 augustus 2007 vernietigd
omdat de enkelvoudige kamer, als de kamer die de beslissing
had genomen als bedoeld in het derde lid van artikel 8:29
Awb, ten onrechte geen kennis had genomen van het gehele
procesdossier, althans omdat uit de uitspraak van het
gerechtshof en uit de tussenuitspraak noch uit de stukken van
het geding van het tegendeel bleek, en de einduitspraak in
zoverre op de tussenuitspraak voortbouwde.
Inleiding 3.2. De Inspecteur heeft zich beroepen op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb. Zij is van mening dat er gewichtige redenen zijn om te weigeren een aantal passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven in het geding te brengen omdat naar haar mening sprake is van passages van met name controlestrategische aard die, bij inbreng in deze (of enige andere) procedure, de facto openbaar zouden worden en dat hierdoor een effectief toezicht door de Belastingdienst - ook in de toekomst en voor andere projecten - ernstig zou worden geschaad. 3.3. In deze
8:29-procedure is uitsluitend de vraag aan de orde of en in
hoeverre de inspecteur terecht heeft geweigerd (al) die
passages aan belanghebbende te openbaren.
3.4. In de pleitnota van de gemachtigde voor de zitting van 25 juni 2008 heeft belanghebbende zijn standpunt nader doen motiveren en daarbij doen aangeven voor welke geschilpunten de hiervoor bedoelde, vooralsnog niet aan hem geopenbaarde passages van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven in het bijzonder relevant zijn. Het wettelijke kader 3.5. Het Hof stelt
voorop dat uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb volgt dat
de inspecteur gehouden is "de op de zaak betrekking
hebbende stukken" aan het Hof te zenden. Onder de op de
zaak betrekking hebbende stukken moet, gelet ook op de
wetsgeschiedenis van artikel 8:42 van de Awb (MvA,
Kamerstukken II 1992-1993, 22 495, nr. 6, p. 53), worden
verstaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Op de
zaak betrekking hebbende stukken zijn stukken die, naar volgt
uit het arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs.
43.448 en 43.791, BNB 2008/161 en 162, bij de besluitvorming
van de inspecteur een rol hebben gespeeld dan wel daarbij van
enig belang kunnen zijn (geweest). Dit betekent niet dat elk
'8:42-stuk' voor een beslissing van het tussen partijen
bestaande geschil daadwerkelijk relevant behoeft te zijn. Het
is (uiteraard) evenmin zo dat uitsluitend '8:42-stukken' voor
een beslissing van het tussen partijen bestaande geschil
relevant kunnen zijn.
3.6. De vraag of een stuk een '8:42-stuk' is, dient op grond van dat stuk in zijn geheel en met inachtneming van het overheersende karakter van dat stuk te worden beantwoord. Tussen partijen is niet langer in geschil, en het Hof onderschrijft die opvatting, dat een '8:42-stuk' niet deels als een zodanig stuk kan worden bestempeld. Het Hof is voorts met partijen van oordeel dat een dergelijk stuk wel op grond van artikel 8:29 van de Awb (deels) kan worden geheimgehouden. 3.7. Het voorgaande vindt mede bevestiging in de wetsgeschiedenis van artikel 8:42 Awb (zie onder meer de nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, nr. 25 175, nr. 5, p. 16-17) welke - voor zover hier van belang - als volgt luidt: "De commissie heeft uit de memorie van
toelichting (blz. 16) afgeleid dat ons standpunt zou zijn dat
stukken die wel op het geschil betrekking hebben, maar die de
inspecteur liever geheim wil houden voor de
belastingplichtige, niet zijn aan te merken als 'op de zaak
betrekking hebbende stukken' en daarom niet aan de rechter
behoeven te worden overgelegd. Hier nu is sprake van een
misverstand. In de memorie van toelichting hebben wij tot
uitdrukking willen brengen dat de inspecteur alle stukken die
bij het nemen van het bestreden besluit een rol hebben
gespeeld, aan de rechter en aan de wederpartij ter
kennisneming beschikbaar moet stellen.
3.8. Naar het oordeel van het Hof noopt het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, Rome, 4 november 1950, (hierna: EVRM) bepaalde niet tot een andere of verdergaande uitleg van artikel 8:42 van de Awb dan in hiervoor bedoelde zin. 3.9.1. Als uitzondering op de hoofdregel dat de op de zaak betrekking hebbende stukken ('8:42-stukken') en de (overige) relevante stukken ('8:45-stukken') kenbaar moeten zijn voor alle procespartijen, is in artikel 8:29, eerste twee leden, van de Awb, het volgende bepaald: "1. Partijen die verplicht zijn
inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen,
indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van
inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of
de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen
nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de
stukken.
3.9.2. De rechter beslist of de in het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb bedoelde weigering of beperking van de kennisname door de wederpartij gerechtvaardigd is (derde lid). Ingeval de weigering gerechtvaardigd wordt geacht, vervalt de verplichting om het desbetreffende stuk in het geding te brengen (vierde lid); ingeval gerechtvaardigd wordt geacht dat alleen de rechter van het stuk kennisneemt, kan hij slechts met toestemming van de wederpartij(en) mede op de grondslag van dat stuk uitspraak doen (vijfde lid). 3.9.3. Bij de Eerste evaluatiewet Awb, Stb. 2002, 53, is aan het genoemde vijfde lid een volzin toegevoegd, luidende: "Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer." De memorie van toelichting terzake luidt als volgt: "Artikel 8:29, eerste lid, maakt het voor
partijen mogelijk om in geval van gewichtige redenen stukken
of inlichtingen achter te houden of alleen aan de rechtbank
te verschaffen. Ingevolge het derde lid van dat artikel
beslist de rechtbank of die weigering dan wel de beperking
van de kennisneming gerechtvaardigd is.
3.10. Uit dit citaat begrijpt het Hof dat de vraag of een '8:42-stuk' of een '8:45-stuk' op de voet van artikel 8:29 van de Awb (deels) geheim mag worden gehouden, idealiter - steeds - door een andere (belasting)kamer dient te worden beslist dan de (belasting)kamer die de hoofdzaak zal beslissen, dat het bij wet voorschrijven van deze werkwijze voor de rechterlijke macht echter te bezwaarlijk werd geacht en dat daarom - enkel - ingeval geheimhouding gerechtvaardigd wordt geacht èn de wederpartij geen toestemming geeft het desbetreffende stuk mede in de beoordeling van het geschil te betrekken, is bepaald dat de zaak - alsnog - naar een andere kamer moet worden verwezen. Naar de Hoge Raad heeft overwogen in het eerdergenoemde arrest van 10 augustus 2007, verzet de wet zich niet ertegen dat de (belasting)kamer die de hoofdzaak in behandeling heeft genomen de zaak verwijst naar een andere (belasting)kamer opdat deze (in dat stadium: bij uitsluiting van de eerstbedoelde kamer) kennis neemt van de '8:29-stukken' en vervolgens de 8:29-vraag beantwoordt. In het onderhavige geval heeft de Eerste Meervoudige Belastingkamer van het Hof dan ook zonder meer de behandeling van de 8:29-procedure naar de Derde Meervoudige Belastingkamer kunnen verwijzen, juist teneinde te voorkomen dat de Eerste Meervoudige Belastingkamer mogelijk - afhankelijk van het oordeel inzake de 8:29-vraag - niet over de hoofdzaak zou kunnen beslissen. Daarbij spreekt overigens vanzelf dat de Derde Meervoudige Belastingkamer in de 8:29-procedure over het volledige procesdossier heeft kunnen beschikken. 3.11. De procedure die op de voet van artikel 8:29 van de Awb wordt gevoerd, gaat ervan uit dat het desbetreffende ('8:42-' of '8:45-') stuk - in overeenstemming met het elementaire beginsel van een goede procesorde (hoor en wederhoor) - in beginsel in zijn geheel moet worden ingebracht en dat uitsluitend zwaarwichtige redenen van de zijde van de partij die dat stuk zou moeten inbrengen kunnen rechtvaardigen dat zulks niet gebeurt. Zwaarwichtige redenen kunnen niet zijn gelegen in de omstandigheid dat die partij dat stuk niet relevant acht. Partijen hebben immers in de fase van de rechtsstrijd waarin een partij een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb doet, hun standpuntbepaling nog niet afgerond en het is dan ook primair aan de wederpartij om te (kunnen) beoordelen of (een bepaalde passage van) een '8:42-' of een '8:45-stuk' relevant is. 3.12. Voorzover de gemachtigde zich erop heeft
beroepen dat, nu in casu een bestuurlijke boete is opgelegd,
- reeds - artikel 6 van het EVRM een algehele openbaarmaking
van Draaiboek en Nieuwsbrieven vereist, althans een minder
vergaande beperking van die openbaarmaking toestaat dan
voorzien in artikel 8:29 van de Awb, verwerpt het Hof dat
standpunt. Uit de arresten van het EHRM van 16 februari 2000,
nr. 28901/95 en nr. 29777/96, BNB 2000/259 en 260 (zaak Rowe
en Davis en zaak Fitt) volgt dat (overheids)belangen zoals de
nationale veiligheid, de bescherming van getuigen tegen de
dreiging van represailles, en de geheimhouding van
opsporingsmethoden, moeten worden afgewogen tegen het recht
van degene tegen wie een criminal charge is ingebracht om
kennis te nemen van relevant bewijsmateriaal, dat dat recht van de verdediging niet
verder mag worden beperkt dan strikt noodzakelijk is en dat
de toetsing òf dwingende redenen bestaan om informatie voor
de verdediging achter te houden, aan de nationale rechter is
voorbehouden. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden
gezegd dat de in artikel 8:29 van de Awb voorziene procedure
met de voorgaande, door het EHRM geformuleerde regels in
strijd is. Hierbij is mede in aanmerking te nemen dat het Hof
desnodig de 8:29-procedure in zoverre ook overeenkomstig die
regels uitlegt.
De onderhavige zaak 3.13. De Eerste Meervoudige Belastingkamer heeft de 8:29-procedure verwezen met de opdracht dat de Derde Meervoudige Belastingkamer zich eerst uitlaat over de vraag of het Draaiboek en/of de Nieuwsbrieven als 8:42-stuk zijn aan te merken en dat zij vervolgens de vraag naar de gerechtvaardigdheid van het verzoek om (bepaalde passages uit) het Draaiboek en de Nieuwsbrieven geheim te houden beantwoordt. 3.14. Partijen hebben beide geconcludeerd dat zowel Draaiboek als Nieuwsbrieven als een 8:42-stuk zijn aan te merken. Nu dit gezamenlijke standpunt geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting volgt het Hof partijen hierin. Het Hof neemt voorts in aanmerking dat '8:42'-stukken (naar zijn opvatting) ondeelbaar zijn (r.o. 3.4) en dat, nu belanghebbende (op de voet van artikel 8:45 van de Awb) de inspecteur en vervolgens, bij dier weigering, het Hof heeft verzocht om Draaiboek en Nieuwsbrieven in het geding te (doen) brengen en tussen partijen ook niet in geschil is dat die stukken voor de besluitvorming in de zaak van belanghebbende relevant (kunnen) zijn, naar volgt uit de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, - ook reeds - uit hoofde van het verzoek van belanghebbende een beoordeling op de voet van artikel 8:29 Awb moet plaatsvinden. 3.15. Naar het oordeel van het Hof dienen Draaiboek en Nieuwsbrieven vanwege het belang van een eerlijk proces in beginsel in hun geheel en integraal aan belanghebbende te worden geopenbaard, tenzij zwaarwichtige redenen (gedeeltelijke) geheimhouding op de voet van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen. 3.16. Het Hof stelt hierbij voorop
dat in de (fiscaal)bestuursrechtelijke procedure, met
betrekking tot welke de wetgever heeft voorgeschreven dat het
bestuursorgaan alle relevante stukken moet inbrengen, uit
eigen beweging (artikel 8:42 van de Awb) of omdat de rechter
daarom vraagt (artikel 8:45 van de Awb), sprake is van een
'verzwaard' belang van de belastingplichtige en dat de
afweging van dit 'verzwaarde' belang bij informatie,
tegenover het belang van het bestuursorgaan, in beginsel
dient uit te vallen in het voordeel van het eerstgenoemde
belang, (zeer) bijzondere omstandigheden daargelaten.
Blijkens zowel bewoordingen als wetsgeschiedenis van artikel
8:29, tweede lid, van de Awb (Memorie van toelichting, Tweede
Kamer, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 119 en 120) is de
omstandigheid dat een bestuursorgaan een verzoek om
informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur
(hierna: de WOB) zou kunnen afwijzen, daarbij niet
doorslaggevend.
Artikel 8:29 Awb in casu 3.17. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de inhoud van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven en heeft deze met inachtneming van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover (mogelijk) zwaarwichtige redenen van de inspecteur en/of de Belastingdienst om aan die kennisneming beperkingen te stellen. Eerst indien naar het oordeel van het Hof de door de inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende, is sprake van een gerechtvaardigd belang van de inspecteur en/of de Belastingdienst bij geheimhouding. 3.18. Bij de hiervoor bedoelde belangenafweging heeft het Hof de volgende, naar zijn oordeel gerechtvaardigde belangen van de Belastingdienst bij geheimhouding onderkend: (i) het
belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en
controlestrategie, waaronder begrepen een effectieve en
efficiënte interne werkwijze; en
Het Hof acht geheimhouding van deze categorieën van informatie meer in het bijzonder om de volgende redenen gerechtvaardigd. 3.19.1. Passages uit het Draaiboek
en de Nieuwsbrieven aan welke belanghebbende (alsmede iedere
belastingplichtige) inzichten kan ontlenen over de wijze
waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en
onderzoekt, dan wel - mede in dit verband - haar
werkprocessen inricht en logistiek organiseert, worden niet
geopenbaard. Deze ten behoeve van het toezicht en de
controle(strategie) geheim te houden informatie omvat
bijvoorbeeld scenario's betreffende de opsporing van
belastingplichtigen en klantbehandeling, voorschriften en
tips over de toe te passen tactiek en methodiek om aangiften
en verklaringen van belastingplichtigen te toetsen, alsmede
informatie betreffende dossiervorming en
automatiseringssystemen. Deze strategieën en werkwijzen zijn
in beginsel ook toepasbaar buiten het KB-Lux project en
overstijgen daarmede de omvang van dit project, terwijl
voorts voor de hand liggend is te achten dat zij ook
daadwerkelijk worden gebruikt in andere, al dan niet
vergelijkbare projecten en/of individuele gevallen.
3.19.2. Om redenen van privacy worden
persoonsnamen en andere persoonlijke (identiteits-) gegevens
niet prijsgegeven.
3.19.3. Met betrekking tot anekdotes en andere in de Nieuwsbrieven opgetekende ervaringen en meningen van (groepen van) belastingambtenaren is het Hof van oordeel dat er geen zwaarwichtige redenen voor een beperkte kennisneming aanwezig zijn. Ter zake van deze geschreven uitingen kan weliswaar worden gezegd dat de privacy van de schrijvers ervan in zekere mate wordt geschonden - zij zullen allicht niet ermee hebben gerekend dat die uitingen buiten de kring van de Belastingdienst zouden geraken -, doch het Hof acht deze betrekkelijk geringe schending van de privacy tegenover het belang van belanghebbende bij kennisneming van de desbetreffende uitingen van minder gewicht; zulks temeer, nu de betrokken schrijvers niet als zodanig identificeerbaar (zullen) zijn. 3.20. Ten slotte zijn in met name het Draaiboek nog passages onderkend die zo specifiek op andere, nog lopende, vergelijkbare 'rekeningenprojecten' (niet zijnde het KB-Lux project) betrekking hebben dat bij een afweging van belangen moet worden geoordeeld dat de betrekkelijk geringe relevantie ervan voor (de beslechting van) het onderhavige geschil en een potentieel doch op zichzelf minder concreet belang bij kennisneming van die passages door belanghebbende ondergeschikt moeten worden geacht aan het - overeenkomstig 3.17 gewogen - belang van de Belastingdienst bij geheimhouding daarvan met het oog op die nog lopende, vergelijkbare projecten. 3.21.1. De hiervoor bedoelde, geheim te houden informatie moet worden onderscheiden van de informatie welke ziet op het door de Belastingdienst in het KB-Lux project gevoerde beleid ter zake van (aspecten van) opsporing en navordering, alsmede van administratief-rechtelijke en strafrechtelijke vervolging. Deze beleidsmatige informatie dient naar het oordeel van het Hof zonder meer aan belanghebbende bekend te worden gemaakt. Belanghebbende moet immers (zoals iedere belastingplichtige) in staat worden gesteld te toetsen of hij in overeenstemming met het aldaar geformuleerde beleid is behandeld. Tot deze categorie informatie rekent het Hof ook de tussentijdse cijferoverzichten en passages met andere statistische gegevens inzake de voortgang van het KB-Lux project, alsmede de informatie betreffende de renseignementen en de overige kwantitatieve (inclusief geografische) informatie betreffende het project. De omstandigheid dat die informatie (naar het Hof begrijpt) met name is bedoeld voor, en gebruikt ten behoeve van de aansturing van het KB-Lux project door de leiding van de Belastingdienst, leidt niet tot een ander oordeel. 3.21.2. Gelet op hetgeen de gemachtigde in dit verband in zijn pleitnota overigens nog heeft gesteld overweegt het Hof dat de weggelaten tekst in paragraaf 2.3.2.3 van het Draaiboek inzicht geeft in de (historische) gegevens waarover de Belastingdienst nog wel en niet meer beschikt, dat de in paragraaf 3.5.3 van het Draaiboek weggelaten tekst (anders dan belanghebbende meent) informatie geeft over de wijze waarop ten aanzien van belastingplichtigen die weigerachtig zijn hun medewerking aan de Belastingdienst te verlenen, de voor het standpunt van de Belastingdienst benodigde informatie is vergaard en dat de in paragraaf 3.5.8 van het Draaiboek weggelaten tekst interne instructies betreft om een tip te beoordelen. Mitsdien behoort de hier aan de orde zijnde informatie tot het strategische domein van de opsporing en controle welke (zoals hiervoor in 3.19.1 is geoordeeld) niet aan belastingplichtigen behoeft te worden geopenbaard. Dit heeft evenzeer te gelden voor hetgeen is weggelaten in de paragrafen 4 tot en met 4.4 van het Draaiboek. Belanghebbenden stelling dat deze passages relevant zijn voor de beoordeling of in concreto jegens belanghebbende beleidsconform is gehandeld, ontbeert feitelijke grondslag. Het vorenstaande geldt mutatis mutandis eveneens voorzover gemachtigde ter motivering van diens bezwaren tegen geheimhouding van passages in de Nieuwsbrieven heeft verwezen naar hetgeen hij heeft gesteld bij de onderdelen 2.3.2.3 en 4 tot en met 4.4 van het Draaiboek. Met betrekking tot
belanghebbenden bezwaren tegen het weglaten van onderdelen
van H9 van Nieuwsbrief 8, van H10 (het Hof leest: H11) van
Nieuwsbrief 9 en van H5 althans, naar het Hof begrijpt, H10
van Nieuwsbrief 10 overweegt het Hof dat deze passages zozeer
mede het selecteren van de in de automatische systemen van de
Belastingdienst in te voeren informatie betreffen dat ook
deze ook onder het geheim te houden strategische domein
vallen.
3.22. Bij zijn voorgaande oordelen heeft het Hof in aanmerking genomen dat de informatie die benodigd is om de methode van identificatie van belanghebbende alsmede de hoogte en de berekening van de aan hem opgelegde aanslag te toetsen, door de inspecteur is overgelegd en dat zij daarbij die gehanteerde methode en berekening ook voldoende heeft gemotiveerd en gedocumenteerd. In zoverre kan ook niet worden gezegd dat het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te rekenen beginsel van fair play zich in casu verzet tegen geheimhouding als hiervoor bedoeld. Slotsom 3.23. Met inachtneming van al het vorenstaande komt het Hof tot de slotsom dat een beperking van de kennisneming van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven door belanghebbende gerechtvaardigd moet worden geacht en dat de inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld in de onderhavige procedure te kunnen volstaan met overlegging van de Amsterdamse versie van die stukken. 3.24. Het Hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. 3.25. Voor de goede orde merkt het Hof nog op dat tegen een tussenuitspraak als de onderhavige geen beroep in cassatie openstaat. 4. Beslissing Het Hof: - stelt vast dat de inspecteur terecht heeft
geweigerd de integrale versie van het Draaiboek en de
Nieuwsbrieven aan belanghebbende over te leggen en dat een
beperking van de kennisneming van die stukken tot de
Amsterdamse versie als bedoeld in 1.5 van deze
tussenuitspraak door belanghebbende gerechtvaardigd moet
worden geacht;
Deze tussenuitspraak is vastgesteld op 17 december 2008 door mr. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, mr. J. den Boer en mr. E.F. Faase, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. | ||||||||||||||||||||
| Datum | 20081217 | ||||||||||||||||||||