| Nummer | Fida20090617 |
|---|---|
| Bron | Arr.rb. Breda 22 januari 2009 083278 |
| Titel | Incidenteel dividend mocht in volgend jaar niet tot voorlopige aanslag leiden |
| Samenvatting | X ontving in 2007 EUR 150.000 dividend van BV Y waarvan hij alle aandelen hield. X had terzake van dat dividend om een voorlopige aanslag (VA) IB verzocht. Dat leidde tot een VA over 2007, maar in januari 2008 ook tot een VA over 2008. X ging tegen de VA over 2008 in bezwaar omdat het dividend in 2007 incidenteel was geweest. Aan het bezwaar werd door de inspecteur tegemoet gekomen, maar de inspecteur kwam niet tegemoet aan het verzoek van X om een proceskostenvergoeding. X ging in beroep. Rechtbank Breda besliste dat uit artikel 23 Uitvoeringsregeling AWR volgde dat de inspecteur bij het opleggen van een VA over een zekere marge beschikte. De Rechtbank vond dat de inspecteur die marge in het geval van X had overschreden omdat uit het dividendverleden van BV Y bleek dat het uitkeren van dividend en het genieten van dat dividend door X, niet gebruikelijk was en dat X in 2007 een incidentele bate had genoten. De Rechtbank hechtte daarbij waarde aan de eenmalige, uitsluitend voor het jaar 2007 geldende verlaging van het tarief als bedoeld in artikel 2.12 Wet IB 2001. De Rechtbank besliste dat de inspecteur, door zich bij het opleggen van de VA over 2008 uitsluitend te baseren op de VA 2007, niet zorgvuldig had gehandeld. De Rechtbank kende X een vergoeding van EUR 80,50 toe voor het bezwaarschrift en EUR 322 voor de beroepsprocedure. |
| Tekst |
Rechtbank Breda
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te
[woonplaats],
en de inspecteur
van de Belastingdienst,
Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar
Zitting
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbenden gemachtigde, alsmede de inspecteur. 1. Beslissing De
rechtbank:
2. Gronden 2.1. Belanghebbende houdt sinds 1990 alle aandelen in [BV] (hierna: de vennootschap). Over de jaren 2001 tot en met 2006 is door de vennootschap geen dividend uitgekeerd. Belanghebbende heeft in die jaren evenmin uit andere hoofde inkomen uit aanmerkelijk belang genoten. In 2007 heeft belanghebbende uit de vennootschap een dividend van € 150.000 genoten. In verband hiermee heeft belanghebbende om een voorlopige aanslag over 2007 verzocht. Met dagtekening 30 augustus 2007 is een voorlopige aanslag 2007 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 57.015. 2.2. Met dagtekening 31 januari 2008 is aan belanghebbende over het jaar 2008 eveneens een voorlopige aanslag naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 57.015 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend. Bij de uitspraak op bezwaar is de voorlopige aanslag verminderd tot nihil. Het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen. In geschil is of dit terecht is. 2.3. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende. Dit voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 2.4. Vast staat dat de voorlopige aanslag onjuist is, dat die onjuistheid niet aan eiser is te wijten en dat de onderhavige voorlopige aanslag is herroepen. Gelet op het voorgaande moet worden beoordeeld of het herroepen van de voorlopige aanslag is geschied wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 2.5. Hierbij is het karakter van de voorlopige aanslag van belang. Artikel 13, eerste lid, van de AWR bepaalt over de voorlopige aanslag
voor zover hier van belang - het volgende:
2.6. Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen betreffende de voorlopige aanslag volgt dat de inspecteur bij het opleggen van een voorlopige aanslag over een zekere marge beschikt. 2.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in het onderhavige geval vorenbedoelde marge overschreden. Uit het onder 2.1 genoemde dividendverleden kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders dan worden geconcludeerd dan dat het uitkeren van dividend door de vennootschap en het genieten daarvan door belanghebbende niet gebruikelijk is en dat belanghebbende in 2007 een incidentele bate heeft genoten. Daarnaast hecht de rechtbank in dit verband waarde aan de door de wetgever doorgevoerde eenmalige, uitsluitend voor het jaar 2007 geldende, verlaging van het tarief als bedoeld in artikel 2.12 Wet IB. Gezien de achtergrond van die verlaging, namelijk het bieden van een fiscale compensatie aan directeuren-groot aandeelhouders voor het feit dat zij in 2007 een te hoge bijdrage voor de Zorgverzekeringswet moesten betalen, mocht worden verwacht dat juist in het jaar 2007 incidentele dividenduitkeringen zouden plaatsvinden teneinde die compensatie ook daadwerkelijk te effectueren. Gelet op het eerdergenoemde dividendverleden bezien in samenhang met het feit van de hierboven vermelde eenmalige tariefsverlaging en het bedrag van de voorlopige aanslag dat in absolute zin aanzienlijk is, heeft de inspecteur, door zich voor het opleggen van de voorlopige aanslag 2008 kennelijk uitsluitend te baseren op de gegevens betreffende de voorlopige aanslag over 2007, niet de zorgvuldigheid betracht die van hem onder deze omstandigheden mag worden verwacht. De rechtbank hecht in dit kader tevens belang aan het feit dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard niet te weten hoe de voorlopige aanslag is berekend. De omstandigheid dat het opleggen van voorlopige aanslagen een massaal proces is, doet naar het oordeel van de rechtbank aan al het vorenoverwogene niet af. 2.8. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank de inspecteur op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 80,50 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 161 en een wegingsfactor van 0,5 voor het gewicht van de zaak). Gelet op de eenvoud van de zaak is de rechtbank van oordeel dat de zaak onder voornoemd besluit moet worden aangemerkt als licht, zodat voor het gewicht van de zaak een factor 0,5 is gehanteerd. 2.9. De rechtbank vindt tevens aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van eerdergenoemd besluit vastgesteld op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak). Gelet op de eenvoud van de zaak is de rechtbank van oordeel dat de zaak onder voornoemd besluit moet worden aangemerkt als licht, zodat voor het gewicht van de zaak een factor 0,5 is gehanteerd. Deze uitspraak is gedaan op 22 januari 2009 door mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier. |
| Datum | 20090122 |