| Tekst |
Rechtbank Leeuwarden
sector bestuursrecht,
belastingkamer
8 mei 2008
Nr.
AWB07/1792
Uitspraak als bedoeld in
afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het
geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
de heffingsambtenaar van de
gemeente Littenseradiel,
verweerder.
Procesverloop
1.1 Verweerder heeft
bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering
onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de
onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat #] te [B]
(hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari
2005, vastgesteld voor het kalenderjaar 2007 op €
246.000,--.
1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op
bezwaar van 15 juni 2007 de waarde verminderd tot een bedrag
van € 229.000,--.
1.3 Eiser heeft daartegen bij
brief van 24 juni 2007, ontvangen bij de rechtbank op 25 juli
2007, beroep ingesteld.
1.4 Verweerder heeft de op de
zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een
verweerschrift ingediend.
1.5 Eiser heeft vóór de
zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in
afschrift verstrekt aan verweerder.
1.6 Het onderzoek
ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008 te
Leeuwarden.
Eiser is daar in persoon verschenen,
vergezeld van zijn echtgenote. Namens verweerder zijn
verschenen R. Hamstra en B. Adema.
1.7 Eiser heeft ter
zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan
overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Verweerder
heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van
de bij deze pleitnota behorende
bijlagen.
Motivering
Feiten
Op grond van de
stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat
het volgende vast:
2.1 Eiser is gebruiker en
genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van
de onroerende zaak. De onroerende zaak is een vrijstaande
woning met berging. De inhoud van de woning is ongeveer 516m³
en de oppervlakte van het perceel is ongeveer
1.295m².
2.2 De gemeente Littenseradiel heeft in
november 2006 een bouwvergunning afgegeven voor het plaatsen
van een UMTS-zendmast of een andere op basis van
elektromagnetische straling werkende mast, op een afstand van
ongeveer 175 meter van eisers onroerende
zaak.
Geschil
3.1 In geschil is de waarde van de
onroerende zaak op de waardepeildatum.
3.2 Eiser is van
mening dat vanwege het afgeven door de gemeente
Littenseradiel van een bouwvergunning voor een
gezondheidsschadelijke UMTS-zendmast of een andere op basis
van elektromagnetische straling werkende zendmast, de waarde
van zijn onroerende zaak met minimaal 20% is gedaald. Eiser
bepleit derhalve een waarde van €
196.800,--.
3.3 Verweerder is van opvatting dat de
toekomstige plaatsing van een UMTS-zendmast in de nabijheid
van eisers onroerende zaak, geen waardeverminderende invloed
heeft. Verweerder houdt derhalve vast aan de bij de bestreden
beslissing vastgestelde waarde.
3.4 Partijen doen hun
standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn
aangevoerd in de van hen afkomstige
stukken.
Beoordeling van het geschil
4.1
Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan
een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het
tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de
waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend
indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat
waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in
gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden
de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij
aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest
geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest
biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn
betaald.
4.2 Indien een onroerende zaak in de twee jaren
voorafgaande aan het begin van het kalenderjaar waarvoor de
waarde wordt vastgesteld, een verandering in waarde ondergaat
als gevolg van een specifiek voor de onroerende zaak geldende
bijzondere omstandigheid, wordt, ingevolge artikel 18, derde
lid, onderdeel c, van de Wet WOZ, de waarde bepaald naar de
staat van die zaak bij het begin van het
kalenderjaar.
4.3 Op verweerder rust - bij betwisting -
de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 2005
niet hoger is vastgesteld dan de waarde in de zin van de Wet
WOZ. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde
verwijst verweerder onder meer naar de op 9 oktober 2007 door
B. Adema, registermakelaar-taxateur WOZ, werkzaam bij Tog
Nederland, opgemaakte matrix. In deze matrix is de waarde
getaxeerd op een bedrag van € 229.000,--.
4.4 De
onroerende zaak is getaxeerd aan de hand van een methode van
vergelijking met referentieobjecten, zoals genoemd in artikel
4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling
instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken. De
in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten komen goed
overeen met eisers onroerende zaak. Met de verschillen tussen
de vergelijkingsobjecten en eisers onroerende zaak in onder
andere inhoud, kaveloppervlakte, ligging, bouwjaar en
onderhoudstoestand is rekening gehouden, behoudens de hierna
te noemen omstandigheid die bij de vergelijkingsobjecten niet
aan de orde is.
4.5 De rechtbank gaat er, gelet op de
hiervoor onder punt 2.2 vermelde vaststaande feiten, vanuit
dat op 1 januari 2007 de onderhavige UMTS-zendmast nog niet
was geplaatst, maar dat op die datum de komst daarvan
waarschijnlijk was en dat dit op die datum algemeen bekend
was. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een bijzondere
omstandigheid als bedoeld onder hetgeen hiervoor onder punt
4.2 is overwogen. Zo deze omstandigheid een verandering in
waarde meebrengt, dient derhalve te worden uitgegaan van de
toestand van de onroerende zaak per 1 januari 2007 en de
waardepeildatum 1 januari 2005.
4.6 De rechtbank neemt
in aanmerking dat potentiële gegadigden bij de voorbereiding
van de koop van de onroerende zaak zich op de hoogte zullen
stellen van de betekenis van de plaatsing van de
UMTS-zendmast. Uit hetgeen eiser hieromtrent naar voren heeft
gebracht, onder meer door overlegging van onderzoeksgegevens,
acht de rechtbank het voorstelbaar dat potentiële gegadigden
alsdan zouden kunnen concluderen dat de (op 1 januari 2007 te
verwachten) hinder van een zodanige aard en omvang is dat zij
hiermee rekening zullen houden bij de bepaling van de door
hen aan de onroerende zaak te besteden prijs. De rechtbank is
dan ook van oordeel dat de hiervoor onder punt 4.5 beschreven
bijzondere omstandigheid een negatieve verandering in de
waarde van de onroerende zaak meebrengt, waarmee verweerder -
gelet op hetgeen hiervoor onder punt 4.5 is overwogen - bij
de onderhavige waardevaststelling ten onrechte geen rekening
heeft gehouden. De rechtbank acht verweerder derhalve niet
geslaagd in de op hem rustende bewijslast.
4.7 Naar het
oordeel van de rechtbank heeft eiser, met hetgeen hij heeft
aangevoerd, de door hem bepleite waarde van € 196.800,--
onvoldoende aannemelijk gemaakt.
4.8 Nu verweerder er
niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de hiervoor
onder punt 4.5 beschreven bijzondere omstandigheid geen
waardedrukkende invloed meebrengt en eiser de door hem
gestelde grootte van die waardedrukkende invloed niet
aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de rechtbank om de
waarde van de onroerende zaak te bepalen. Met inachtneming
van hetgeen eiser omtrent de aan de toekomstige plaatsing van
de UMTS-zendmast verbonden hinder naar voren heeft gebracht,
is de rechtbank van oordeel dat de waarde in goede justitie
dient te worden vastgesteld op een bedrag van €
210.000,--.
4.9 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat
eisers beroep doel treft.
Proceskosten
De
rechtbank ziet geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser
kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit
proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking
komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart
het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op
bezwaar;
- vermindert de vastgestelde waarde tot €
210.000,-- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het vernietigde besluit;
- gelast dat
de gemeente Littenseradiel het door eiser betaalde
griffierecht van € 39,-- vergoedt.
Deze
uitspraak is gedaan op 8 mei 2008 door mr. C.H. de Groot,
rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in
tegenwoordigheid van mr. E. Boskma, griffier.
|