FutD - archief

Nummer Fida20081973
Bron Belastingdienst 14 mei 2008 Publicatienummer onbekend
Titel Handhavingsconvenant Centrale Branchevereniging Wonen
Samenvatting Vorig week berichtten wij over het convenant dat de Belastingdienst heeft gesloten met de Centrale Branchevereniging Wonen (CBW). In het convenant wordt voor de CBW-leden per 1 januari 2009 vooraf zekerheid gegeven over de zelfstandigenstatus van freelancers, de BTW over aanbetalingen en het afwaarderen van voorraden. Thans beschikken wij over de volledige tekst van het convenant.
Tekst

Convenant Centrale Branchevereniging
Wonen 2008-2009

CBW/Belastingdienst


Inhoudsopgave

 

Convenant Centrale Branchevereniging Wonen 2008-2009

Inleiding

1 Uitgangspunten
2 Afspraken tussen de Belastingdienst en de branchevereniging
3 Toezicht
4 Looptijd, periodieke evaluatie en beëindiging
5 Inwerkingtreding

Annex 1
Winstbelasting
- Voorraad of inventaris
- Garantievoorziening

Omzetbelasting
- Aanbetalingen
- Schadevergoeding
Loonheffingen
- Verklaring Arbeidsrelatie (VAR)
- Personeelskortingen (producten uit eigen bedrijf)
- Maaltijdvergoeding

Bijlage 1: Voorbeeld opdrachtbevestigingsbrief

Bijlage 2: Waardering van voorraden door detaillisten op het gebied van textiel, kleding,
schoenen, meubelen en stoffering


Convenant Centrale Branchevereniging Wonen 2008-2009

Partijen

de Centrale Branchevereniging Wonen (CBW), gevestigd Arnhemse Bovenweg 100 te Zeist,

in deze vertegenwoordigd door de voorzitter, de heer J. Koster en de vice-voorzitter de heer

M.A. Kop,

en

de Belastingdienst,

in deze vertegenwoordigd door de Directeur-generaal, mevrouw mr. J. Thunnissen,

sluiten een convenant.

Inleiding

In dit convenant worden de uitgangspunten en de wijze waarop partijen met elkaar om wensen te gaan vastgelegd. Partijen werken met elkaar samen op basis van wederzijds vertrouwen, begrip en transparantie, gericht op het onderhouden en versterken van de bereidheid om aan fiscale verplichtingen te voldoen en op effectief toezicht met betrekking tot de in dit convenant opgenomen fiscale onderwerpen. Zij identificeren gezamenlijk fiscale onderwerpen en bepalen daarover snel en actueel een standpunt binnen de kaders van wet-, regelgeving en jurisprudentie, ten einde de rechtszekerheid te vergroten. Partijen streven naar het gezamenlijk vormgeven van effectief en efficiënt toezicht op de naleving van deze standpunten.

1           Uitgangspunten

- Rechten en verplichtingen op basis van wet- en regelgeving zijn en blijven zonder enige beperking van toepassing.
- Partijen spreken de intentie uit hun onderlinge relatie te baseren op vertrouwen, begrip en transparantie.
- Partijen streven naar het bevorderen van een correcte uitvoering van fiscale regelgeving binnen de branche met betrekking tot de in dit convenant opgenomen fiscale onderwerpen (zie inleiding).
- Centraal staan rechtszekerheid, het onderhouden en versterken van de bereidheid om aan fiscale verplichtingen te voldoen en effectief toezicht.
- Partijen bevorderen dat zo veel mogelijk ondernemers uit de branche individueel aangeven het convenant te willen onderschrijven.
- Partijen leggen actief de in de branche gesignaleerde fiscale onderwerpen aan elkaar voor.
- Partijen verstrekken daarbij binnen wet- en regelgeving zonder terughoudendheid en zonder voorbehoud inzicht in de feiten en omstandigheden.
- Partijen streven naar het gezamenlijk duiden van de fiscale gevolgen van de gesignaleerde onderwerpen in de branche zoals opgenomen in de inleiding en het vormgeven van toezicht op de naleving hiervan.
- Partijen treden ten minste 1 maal per jaar met elkaar in overleg om dit convenant te actualiseren.
Het geactualiseerde convenant wordt gepubliceerd in oktober en vervangt het voorafgaande met ingang van 1 januari van het jaar daaropvolgend en is bindend voor de ondernemers in de branche die hebben aangegeven het convenant te onderschrijven.

2      Afspraken tussen de Belastingdienst en de branchevereniging

Partijen hebben in Annex 1 bij deze overeenkomst een aantal fiscale onderwerpen in de branche benoemd en hebben gezamenlijk een standpunt ingenomen hoe de fiscale gevolgen van deze onderwerpen binnen het kader van de wet-, regelgeving en jurisprudentie geduid moeten worden.

3      Toezicht

Partijen streven naar het gezamenlijk vormgeven van effectief en efficiënt toezicht op de naleving van het convenant en spreken daartoe af dat het toezicht als volgt zal worden geregeld:

- De ondernemer die heeft aangegeven het convenant te willen onderschrijven handelt in de geest van dit convenant. Dit betekent onder andere dat de ondernemer bij het opstellen van de jaarrekening en de aangiften de in Annex 1 opgenomen standpunten in aanmerking neemt. Indien de jaarrekening en/of aangiften door een (fiscale) intermediair wordt opgesteld handelt de ondernemer ook in de geest van dit convenant. In dat geval is de ondernemer verantwoordelijk voor het juist en volledig aanleveren van de gegevens aan de (fiscale) intermediair en geeft hij opdracht om bij het opstellen van de jaarrekening en aangiften de in Annex 1 opgenomen standpunten in aanmerking te nemen. Deze opdracht wordt vastgelegd in de opdrachtbevestiging of in een afzonderlijke bevestigingsbrief. Een voorbeeldbrief is als bijlage 1 bij dit convenant opgenomen. Deze bijlage is te downloaden van de site van de CBW en de Belastingdienst.
- Indien de ondernemer zich committeert aan de in dit convenant beschreven werkwijze en de in Annex 1 opgenomen standpunten in aanmerking neemt, dan volstaat de Belastingdienst met (ander) toezicht dat bestaat uit het op deze standpunten beoordelen van een aantal willekeurig gekozen aangiften van ondernemers die deelnemen aan het convenant. De uitkomsten van de beoordeling kunnen worden gebruikt voor de evaluatie van het convenant.

De ondernemer kan voor de niet in dit convenant opgenomen fiscale onderwerpen te maken krijgen met het normale toezichtregime en met toezicht dat voortvloeit uit door de Belastingdienst uitgevoerde algemene toezichtacties.

4      Looptijd, periodieke evaluatie en beëindiging

Dit convenant zal jaarlijks worden geëvalueerd door de Centrale Branchevereniging Wonen en de Belastingdienst/Haaglanden, kantoor Den Haag.

Beide partijen kunnen dit convenant met onmiddellijke ingang beëindigen. Zij zullen dat echter niet doen voordat de intentie daartoe schriftelijk is kenbaar gemaakt. Daarbij wordt het voornemen met redenen omkleed. Daarnaast zal beëindiging in een mondeling overleg worden toegelicht, indien door ten minste één der partijen is kenbaar gemaakt dat daarop prijs wordt gesteld.

Ondernemers uit de branche hebben het recht individueel hun aansluiting bij het convenant te beëindigen bij de (periodieke) actualisering van het convenant, door dit uiterlijk 31 december van het jaar waarin het convenant is geactualiseerd schriftelijk kenbaar te maken aan de Belastingdienst of tussentijds wegens bijzondere omstandigheden. In het laatste geval wordt het voornemen daartoe schriftelijk en met redenen omkleed aan de Belastingdienst kenbaar gemaakt.

Door het beëindigen van het convenant vervalt voor de individuele ondernemers uit de branche het andere toezicht zoals onder 3 Toezicht beschreven. De Belastingdienst zal dan toezicht uitoefenen volgens het normale regime.

 

5      Inwerkingtreding

 

Dit convenant treedt in werking door ondertekening door beide partijen.

Zeist, 14 mei 2008

Namens de Centrale Branchevereniging Wonen,

Namens de Belastingdienst,

J. Koster

J. Thunnissen

M.A. Kop


Annex 1

Winstbelasting (inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting)

Voorraad of inventaris

Voor de winstbelasting dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen voorraad en inventaris. De volgende indeling is voor de wonenbranche van belang.

-     Inventaris
Inventaris wordt onder de bedrijfsmiddelen geactiveerd. Bedrijfsmiddelen zijn tot het bedrijfsvermogen behorende zaken welke als duurzame kapitaalgoederen het vaste kapitaal van het bedrijf uitmaken en die ook voor de winstberekening over de volgende jaren betekenis houden. De afschrijving is met ingang van het jaar 2007 op jaarbasis beperkt tot ten hoogste 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten (artikel 3.30 Wet inkomstenbelasting 2001).

-     Voorraad
Voorraad is het geheel van zaken die ter bewerking, verwerking of verkoop en derhalve bestemd voor de omzet in het bedrijf aanwezig zijn.

Voorraadwaardering
De ontwikkelingen in de technieken op het gebied van de bedrijfsvoering hebben ertoe geleid dat enkele detaillisten in staat zijn hun in- en verkopen geheel of nagenoeg geheel vast te leggen op het niveau van artikelen of relatief kleine artikelgroepen. Dit is de basis voor de vaststelling van de voor het betreffende bedrijf te hanteren afwaarderingspercentages per artikel(groep).

In de meeste gevallen kan de detaillist niet op grond van zijn bedrijfsadministratie vaststellen welke afwaarderingspercentages in zijn onderneming van toepassing zijn. Dan kan worden teruggevallen op het besluit van 2 december 2005, nr. CPP2005/2687M Waardering van voorraden door detaillisten op het gebied van textiel, kleding, meubelen en stoffering (de zogenaamde demoderingsresolutie, opgenomen in bijlage 2).

Het besluit regelt dat de detaillist de genoemde groepen van handelsgoederen waardeert op de aanschaffingsprijs, verminderd met de bij elke groep vermelde afwaarderingspercentages wegens veronderstelde geringere verkoopbaarheid in verband met de tijd welke de goederen op balansdatum reeds in voorraad zijn. De omschrijving van het stelsel brengt met zich, dat het besluit alleen kan worden toegepast op goederen waarvan de aanschaffingsprijs en het tijdstip van levering bekend zijn.

Voor de voorraad die niet onder de demoderingsresolutie te scharen is, gelden de algemene waarderingsregels volgens goed koopmansgebruik. Belastingplichtige kan de voorraad individueel (af)waarderen als daar aanleiding toe is. De individuele afwaardering moet wel aannemelijk gemaakt worden.

Ter verduidelijking worden twee goederen uitgewerkt.

-      Showroomopstellingen keukens en badkamers

Als showroomopstellingen van keukenspeciaalzaken en badkamerbedrijven (in principe) langer dan één jaar staan opgesteld dienen deze onder de inventaris te worden opgenomen. Niet alleen de directe kosten, maar ook de installatiekosten moeten als inventaris worden geactiveerd. Hierover kan investeringsaftrek worden geclaimd. De afschrijving is met ingang van het jaar 2007 op jaarbasis beperkt tot ten hoogste 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten (artikel 3.30 Wet inkomstenbelasting 2001).
Als showroomopstellingen onder de boekwaarde worden verkocht kan dit verlies in het jaar van

verkoop worden genomen. Over de verkoop is desinvesteringsbijtelling verschuldigd.

Als de showroomopstellingen om niet het ondernemingsvermogen verlaten moet de ondernemer dit zodanig vastleggen dat hier geen onduidelijkheid over bestaat.

-      Decoratie-artikelen

Decoratie-artikelen kunnen zowel als voorraad of als inventaris worden aangemerkt.

-     Voorraad: decoratie-artikelen in de winkel zijn voorzien van een prijskaartje. De waardering vindt plaats zoals hiervoor beschreven onder het kopje 'voorraadwaardering' onder het onderwerp voorraad.

-     Inventaris: decoratie-artikelen in de winkel zijn niet voorzien van een prijskaartje. Op grond van artikel 3.30 wet IB 2001 kunnen de aanschaffingskosten van deze decoratie-artikelen met een waarde van maximaal € 450,-- per artikel ineens ten laste van het resultaat worden gebracht. Indien de aanschaffingsprijs per artikel boven € 450,-- ligt, dienen deze artikelen geactiveerd te worden.

Garantievoorziening

Voor in de toekomst te verlenen service en garantie op verkochte producten mag een voorziening worden gevormd. De hoogte van de voorziening dient door individuele ondernemers aannemelijk te worden gemaakt.

De CBW is een onderzoek onder haar leden gestart teneinde inzicht te verkrijgen in de omvang van de verleende service en garantie. Doel van dit onderzoek is om, in het kader van dit convenant, tot een afspraak te komen omtrent de hoogte van de voorziening. Daarbij wordt gedacht aan een percentage van de jaaromzet (exclusief BTW).

Omzetbelasting

Aanbetalingen

Onder de term 'aanbetaling' (de Wet op de omzetbelasting 1968 spreekt over vooruitbetaling) moet worden verstaan elke vorm van betaling in geld - of voor zover de tegenprestatie niet uit een geldsom bestaat, de waarde van de tegenprestatie - die terzake van de levering of dienst vooruit wordt ontvangen van of in rekening wordt gebracht aan de afnemer in verband met de nog af te nemen prestatie. Als zodanig dient de aanbetaling te worden gezien als een elementair onderdeel van de totale vergoeding die in rekening wordt gebracht.

Bij de aanbetaling kan sprake zijn van:

-      een vrijwillige vooruitbetaling
dit doet zich veelal voor in situaties bij verkopen aan particulieren waarbij om een betaling wordt gevraagd ter bevestiging van de aankoop;

-      een overeengekomen vooruitbetaling
deze situatie kan zich voordoen bij duurdere aankopen door particulieren, waarbij is overeengekomen dat de vergoeding, al dan niet in delen, vooruit zal worden betaald.

In beide gevallen is de omzetbelasting verschuldigd op het moment dat de aanbetaling wordt ontvangen.

Schadevergoeding

Het kan voorkomen dat na ontvangst van de aanbetaling de afnemer alsnog besluit om af te zien van de order. Wanneer de leverancier hiermee akkoord gaat, maar de aanbetaling behoudt als schadevergoeding, moet de aanbetaling worden beschouwd als schadevergoeding. Omdat er geen rechtstreeks verband is met enige belaste prestatie, is over de behouden aanbetaling geen omzetbelasting verschuldigd. U kunt dan de over de aanbetaling afgedragen omzetbelasting terugvragen op aangifte.

 

Loonheffingen

Op het gebied van de loonheffingen speelt een aantal zaken dat nadere toelichting behoeft.

Verklaring Arbeidsrelatie (VAR)

De VAR is ontwikkeld om duidelijkheid te verschaffen over het standpunt van de fiscus omtrent de belastbaarheid van inkomsten uit een arbeidsrelatie. Het geeft vooraf zekerheid aan de opdrachtnemer. De Belastingdienst geeft vier soorten Verklaring Arbeidsrelatie af:
- winst uit onderneming (VAR-WUO/winst);
- loon uit dienstbetrekking (VAR-loon);
- resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-row);
- inkomsten voor rekening en risico van een vennootschap (VAR-dga).

De beoordeling of sprake is van een dienstbetrekking is van zeer feitelijke aard. Als hoofdregel geldt dat de opdrachtgever zelfstandig beoordeelt of iemand bij hem in dienstbetrekking is. De opdrachtgever kan, als hij twijfelt of een arbeidsrelatie een dienstbetrekking is, de opdrachtnemer vragen een VAR te tonen.

Uiteraard geldt voor alle soorten VAR dat "de feiten overeenstemmen met het papier". Dit betekent dat de werkzaamheden die moeten worden verricht, overeenstemmen met hetgeen op de VAR staat vermeld. Bovendien moeten de werkzaamheden plaatsvinden gedurende de geldigheidsperiode (1 jaar) van de VAR. Ook geldt voor alle soorten VAR de voorwaarde dat de opdrachtgever de identiteit van de opdrachtnemer vaststelt en een kopie van het identiteitsbewijs en een kopie van de VAR bewaart bij zijn administratie. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan geldt het volgende:
- Als de opdrachtnemer een VAR-winst (WUO) of VAR-dga toont, hoeft de opdrachtgever niet te beoordelen of opdrachtnemer wellicht toch bij hem in dienstbetrekking is.
Achteraf is geen herbeoordeling mogelijk door Belastingdienst of UWV. De opdrachtgever is dus op dit terrein gevrijwaard van naheffingsaanslagen loonheffingen;
- Als de opdrachtnemer een VAR-loon of VAR-row toont, moet de opdrachtgever wel beoordelen of sprake is van een dienstbetrekking.
Als achteraf blijkt dat sprake is van een dienstbetrekking, dan kan de Belastingdienst een naheffingsaanslag loonheffingen opleggen aan de opdrachtgever (werkgever).

Personeelskortingen (producten uit eigen bedrijf)

Personeel kan volgens de fiscale regeling 'producten uit eigen bedrijf' slechts onbelast een korting krijgen op de branche-eigen producten tot maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en € 500 (bedrag 2008) per kalenderjaar. Dit bedrag mag worden verhoogd met de niet benutte bedragen van de twee voorgaande kalenderjaren mits de werknemer toen ook al in dienst was.

Voorbeeld:

Een werknemer heeft in het jaar 2006 € 200 en in het jaar 2007 € 150 korting gekregen. Het maximumbedrag dat onbelast aan korting mocht worden gegeven bedroeg zowel in 2006 als in 2007 € 475. Het maximale vrijstellingsbedrag is voor deze werknemer in het jaar 2008 dan:

€ 275 + € 325 + € 500 = € 1.100.

De korting is tot maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer van het product onbelast. De waarde in het economische verkeer is de consumentenverkoopprijs inclusief omzetbelasting. Een verstrekte korting verlaagt de waarde in het economisch verkeer. Korting die wordt verleend aan consumenten, mag ook aan werknemers worden verleend.

Ter toelichting de volgende voorbeelden:

- Een grote-orderkorting aan klanten mag ook aan medewerkers worden verstrekt als die een grote order plaatsen;
- In bepaalde actieperiodes wordt standaard een korting verleend aan afnemers, deze korting mag ook aan het personeel worden verstrekt (het verdient aanbeveling de advertenties te bewaren);
- Indien korting wordt verschaft aan klanten voor het zelf ophalen of zelf verwerken van gekochte producten mag die ook aan medewerkers worden verstrekt (kostprijsdifferentiatie).

Om van de kortingsregeling 'producten uit eigen bedrijf' gebruik te kunnen maken geldt verder als voorwaarde dat de aanschaf bij inhoudingsplichtige/werkgever plaatsvindt of bij een met hem verbonden vennootschap, en dat het product een branche-eigen product is, dat wil zeggen een product dat van het bedrijf van de werkgever is of van een met de werkgever verbonden vennootschap.

Maaltijdvergoeding

Een vergoeding of verstrekking van maaltijden is onbelast als de vergoeding of verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft. Hiervan is onder meer sprake bij overwerk (al dan niet onverwacht) en op koopavonden.
Als een werknemer door zijn werk tussen 17.00 en 20.00 uur niet thuis kan eten, is in elk geval sprake van een meer dan bijkomstig zakelijke maaltijd.

Op basis van artikel 3, vijfde lid, van de Cao Wonen 2006/2007 kan de werkgever een vaste vergoeding voor een avondmaaltijd geven (bedrag 2007: maximaal € 8,39). De ondernemer oefent toezicht uit op de aanwending van de vergoeding voor het doel waarvoor deze wordt verstrekt.
De noodzaak om dit aan te tonen aan de hand van bonnetjes vervalt daarmee.


Bijlage 1: Voorbeeld opdrachtbevestigingsbrief

AAN:

Intermediair...

Betreft: Convenant CBW / Belastingdienst

Geachte...

Graag vraag ik uw aandacht voor het volgende.

Zoals u weet zijn de hierna genoemde ondernemingen / vennootschappen werkzaam in de wonenbranche.

De CBW (branchevereniging voor de wonenbranche) heeft met de Belastingdienst een convenant gesloten. De hierna genoemde ondernemingen zijn akkoord met dit convenant en hebben dat aan de Belastingdienst bevestigd.

Bij de door u op te stellen jaarrekeningen en fiscale aangiften dienen de bepalingen van dit convenant te worden toegepast. Ik verzoek u dat dan ook te doen.
Bijgaand treft u een kopie van het convenant aan.

Graag ontvang ik, ter bevestiging van de ontvangst van deze brief, bijgevoegd afschrift van deze brief voor akkoord ondertekend van u retour.

Het convenant is van toepassing op:

-     Onderneming ...

-     Besloten vennootschap(pen):

Hoogachtend,


Bijlage 2: Waardering van voorraden door detaillisten op het gebied van textiel, kleding, schoenen, meubelen en stoffering

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein winstbelastingen

Besluit van 2 december 2005, nr. CPP2005/2687M

Een coöperatieve handelsvereniging en een branchevereniging hebben mij de vraag voorgelegd of het stelsel van voorraadwaardering dat deze verenigingen om bedrijfseconomische redenen aan hun leden-detaillisten aanbevelen, voor de bepaling van de fiscale winst toelaatbaar is. Het stelsel houdt in, dat de detaillist de hierna genoemde groepen van handelsgoederen waardeert op de aanschaffingsprijs, verminderd met bij elke groep vermelde afwaarderingspercentages wegens veronderstelde geringere verkoopbaarheid in verband met de tijd gedurende welke de goederen op de balansdatum reeds in voorraad zijn.

                 

Afd

Omschrijving

Afwaarderings percentage maximaal

   

0-3 mnd

3-6 mnd

6-9 mnd

9-12 mnd

12-18 mnd

18-24 mnd

meer dan 2 jr

..................................................................................

A

Kledingstoffen

10

30

50

60

70

80

80

B

Damesmodeartikelen

10

30

50

60

70

80

80

C

Onder- en nachtkleding

0

15

20

30

40

60

80

D

Kousen en sokken

0

15

20

30

40

60

80

E

Corsetterie

0

15

20

30

40

60

80

F

Babyartikelen

0

15

20

30

40

60

80

G

Strand- en badkleding

10

30

50

60

70

80

80

H

Huishoudgoederen

0

15

20

25

30

50

70

I

Damesschoenen

10

20

30

40

50

60

80

J

Bedr.kleding en schorten

0

15

20

25

30

50

70

K

Damesbovenkleding

10

30

50

60

70

80

80

L

Msj.-en kleuterbovenkl.

10

30

50

60

70

80

80

M

Bonneterie

10

30

50

60

70

80

80

N

Hr.-en jgs.- bovenkleding

10

25

35

45

55

65

80

O

Hr.- en jgs.- modeartikelen

10

25

35

45

55

65

80

P

Dekens en matrassen

0

15

20

25

30

50

70

Q

Herenschoenen

10

20

25

30

40

55

75

R

Gordijn- en bekledingsst.

0

15

20

25

30

50

70

S

Tapijten en vloerbedekking

0

15

20

25

30

50

70

K

Meubelen

0

15

20

25

30

50

70

U

Handbreigarens en handw.

0

15

20

25

30

50

70

W

Kleinvakartikelen

0

15

20

25

30

50

70

Y

Niet textiel

0

25

35

45

55

65

80

Met deze wijze van voorraadwaardering kan voorshands worden akkoord gegaan, indien de volgende beperkingen worden aangebracht:
1. de aftrek van 10% voor goederen die 3 maanden of korter in voorraad zijn en behoren tot de groepen A, B, G, I,K, L, M, N, O of Q is slechts toegestaan, indien de balansdatum ligt tussen 30 december en 1 februari of tussen 29 juni en 1 augustus;
2. de tijd tussen de bestelling door en de levering aan de detaillist telt niet mee bij de bepaling van het aantal maanden of jaren dat een goed op de balansdatum reeds in voorraad is;
3. het is niet toegestaan het stelsel toe te passen op een deel van de goederen die tot één van de vermelde artikelgroepen behoren en voor een ander deel een ander stelsel toe te passen.

De omschrijving van het stelsel brengt met zich, dat het alleen kan worden toegepast op goederen waarvan de aanschaffingsprijs en het tijdstip van levering bekend zijn. De aanschaffingsprijs van goederen waarvan de verkoopprijs is bepaald door de aanschaffingsprijs met een zeker brutowinstpercentage te verhogen kan uiteraard worden vastgesteld door uit de verkoopprijs met behulp van dit percentage de aanschaffingsprijs te berekenen. Van goederen waarvan de verkoopprijs op andere wijze is tot stand gekomen, bijv. oudere goederen, zal de aanschaffingsprijs niet aldus kunnen worden vastgesteld.

Indien een detaillist het tot dusver door hem toegepaste stelsel van voorraadwaardering vervangt door de hiervoor omschreven gedragslijn en deze stelselwijziging niet louter op fiscale gronden berust, kan worden aangenomen, dat goed koopmansgebruik haar rechtvaardigt.
De in dit besluit getroffen regeling geldt in beginsel voor onbepaalde tijd. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen of hebben voorgedaan welke naar mijn mening een herziening of beëindiging van de regeling nodig maken, zal dat bij besluit bekend worden gemaakt.

Datum 20080514