| Nummer | Fida20080025 | ||
|---|---|---|---|
| Bron | Arr.rb. Dordrecht 21 december 2007 061317 | ||
| Titel | Monumentale en archeologische bestemming erfkavel waardedrukkend | ||
| Samenvatting | De erven X bezaten een erfkavel en overige grond van in totaal bijna 20.000 m2 en daarnaast een monumentale boerderij. De kwaliteit van de boerderij was zeer matig. Op de erfkavel rustte de bestemming "archeologisch monument met gebruik voor agrarische doeleinden". De erven X ontvingen van de gemeente Albrandswaard een WOZ-beschikking voor de boerderij, waarin die was gewaardeerd op EUR 185.000, en voor de grond, die was gewaardeerd op EUR 830.000. Op het bezwaar van de erven X verminderde de gemeente alleen de WOZ-waarde van de boerderij tot EUR 100.000, waarna de erven X in beroep gingen. Zij stelden dat de kosten die een potentiële koper aan restauratie van de boerderij moest besteden dermate hoog waren - ruim EUR 2 mln - dat dit de huidige waarde drukte. Verder mocht de grond van de erfkavel pas worden bewerkt nadat daarin archeologisch onderzoek had plaatsgevonden. Rechtbank Dordrecht besliste dat de omstandigheid dat de boerderij voor een fors bedrag moest worden gerenoveerd, niet meebracht dat de boerderij minder waard was dan EUR 100.000. Los van de opstal was de ondergrond al ongeveer EUR 50.000 waard. Wat de grond betreft, besliste de Rechtbank dat de gemeente onvoldoende rekening had gehouden met de gebruiksbeperkingen die voortvloeiden uit de op de erfkavel rustende monumentale en archeologische bestemming. Ook had de gemeente ten onrechte rekening gehouden met de mogelijkheid dat een deel van die grond in de toekomst bebouwd zou kunnen worden. Een wijziging van de agrarische bestemming was op de waardepeildatum niet te verwachten. De Rechtbank stelde de WOZ-waarde van de erfkavel en overige grond in goede justitie vast op EUR 700.000 en verklaarde het beroep van de erven X gegrond. | ||
| Tekst |
Rechtbank Dordrecht
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen de erven van [XXX],
eisers,
tegen De heffingsambtenaar van de
gemeente Albrandswaard, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft bij gecombineerde beschikking, gedagtekend 28 februari 2005, de waarde van de onroerende zaak, gelegen aan [adres A] (boerderij en ondergrond) (hierna: de boerderij) en [B.] (stal, loods, erfkavel en overige grond) te [woonplaats], op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) op 1 januari 2003 (hierna: de waardepeildatum) voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op respectievelijk € 185.000,- en € 830.000,- (hierna: de beschikking). Met de beschikking zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eisers opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2005 (hierna: de aanslagen). Eisers hebben bij brief van 4 april 2005 tegen de beschikking bezwaar gemaakt bij verweerder. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ wordt dit bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslagen. Bij uitspraak van 6 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard. De waarde van [adres A] is nader vastgesteld op € 100.000,-. De waarde van [adres] [B.] is gehandhaafd op € 830.000,-. Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 27 oktober 2006, ingekomen op 30 oktober 2006, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. De zaak is op 22 augustus 2007 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Aldaar zijn eisers verschenen bij gemachtige, bijgestaan door ing. [J.R.], makelaar-taxateur aog. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld door ir. M. van Eekelen, taxateur onroerende zaken/gediplomeerd WOZ-taxateur. Bij beslissing van 12 september 2007 heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend en heeft de zaak tevens verwezen naar een meervoudige kamer. Nadat partijen schriftelijke vragen van de rechtbank hebben beantwoord en in de gelegenheid zijn gesteld om op elkaar te reageren is de zaak op 6 december 2007 ter zitting van de meervoudige kamer behandeld. Eisers zijn aldaar verschenen bij gemachtigde, bijgestaan door ing. [J.R.]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld door ir. M. van Eekelen.
2.
Overwegingen
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling), wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. 2.2. De uitspraak op bezwaar strekt tot gedeeltelijke handhaving van de beschikking. De waarde [adres A] is nader vastgesteld op € 100.000,-. De waarde [adres] [B.] is gehandhaafd op € 830.000,-. 2.3. Eisers kunnen zich met de bestreden uitspraak niet verenigen en hebben daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Eisers vinden een waarde van € 830.000,- v[adres] [B.] niet reëel nu op de erfkavel (7035m²) een bestemmingsbeperking rust in die zin dat de grond pas beroerd mag worden nadat daarin een archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarnaast dient de 'overige grond' puur agrarisch gewaardeerd te worden omdat deze grond geen andere gebruiksmogelijkheden heeft. Eisers wijzen erop dat het gehele object een Rijksmonument is en in zeer slechte staat is. De kosten die een potentiële koper (dwingend) zou moeten besteden aan restauratie zijn zo hoog (€ 2,3 miljoen) dat dit de huidige (verkoop)waarde van de boerderij drukt. 2.4. De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank gaat op grond van de gedingstukken en hetgeen ter zitting is besproken uit van het navolgende. Eisers waren op 1 januari 2005 eigenaar en gebruiker van onroerende z[adres] [B.] te [woonplaats]. Het betreft een erfkavel van 7035 m² en overige grond 12480 m² met daarop een stal/boerderijschuur (432 m²) en een halfopen loods (132 m²). Tevens waren eisers op 1 januari 2005 eigenaar van de onroerende z[adres A] te [woonplaats]. Het betreft een monumentale boerderij (bouwjaar 1630) (grondoppervlakte 200 m²) op een terp, gelegen op een ruime kavel in het centrum van het dorp. Het voorhuis heeft een inhoud van 225 m³ en wordt verhuurd. De kwaliteit van de woning is zeer matig. Het achterhuis heeft een inhoud van ca 1000 m³ en staat leeg. Het achterhuis is gezien de lange leegstand en de staat (zeer gedateerd met achterstallig onderhoud) niet in deze staat voor bewoning geschikt. De gehele boerderij, inclusief bijgebouwen en grond, is een rijksmonument. Op de erfkavel rust de bestemming 'Archeologisch monument met gebruik voor agrarische doeleinden'. Gelet op deze bestemming geldt een aantal gebruiksbeperkingen (met betrekking tot het afgraven grond, dempen waterloop, vellen bomen etc.). De overige grond heeft een agrarische bestemming. Op de kavels mag niet gebouwd worden. De waarde als bedoeld in artikel 17, tweede
lid, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever
"de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou
worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest
geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken
II 1993/1994, 22 885, nr. 36, blz. 44). De bewijslast met
betrekking tot deze waarde rust op verweerde[adres A]
(boerderij) Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder,
gelet op het in beroep overgelegde taxatierapport en de
daarop ter zitting gegeven nadere toelichting in de op hem
rustende bewijslast geslaagd. Verweerder heeft, ter
onderbouwing van de vastgestelde waarde (€ 100.000,-),
een op artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de
Uitvoeringsregeling gebaseerd taxatierapport, in geding
gebracht. Verweerder heeft zich gebaseerd op de marktgegevens
van de volgende, in de nabijheid van de boerderij van eisers
gelegen, referentieobjecten:
Bij de taxatie van de boerderij heeft verweerder het verhuurde gedeelte (voorhuis) en de ondergrond betrokken. Blijkens de bij het taxatierapport horende matrix is aan het voorhuis een waarde van € 45.000,- toegekend en aan de ondergrond (200 m²) een waarde van € 55.000,-. Het achterhuis is bij de waardering buiten beschouwing gelaten waarmee de waarde van dat woonhuisdeel aldus op nihil is gesteld. Voor beantwoording van de vraag of verweerder de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt is, gelet op artikel 17 Wet WOZ, van belang, het antwoord op de vraag of een potentiële koper, bij aanbieding van het object op de vrije markt, daarvoor € 100.000,- zou bieden. De rechtbank is, mede op grond van de hiervoor genoemde marktgegevens, van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij verdient opmerking dat aan de ondergrond reeds een waarde kan worden toegeschreven die, los van de onderhoudstoestand van de opstal, ongeveer de helft van de totale waarde beloopt. De door eisers gestelde omstandigheid dat de boerderij vanwege de slechte onderhoudstoestand en de status van rijksmonument voor een fors bedrag moet worden gerenoveerd brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat dit object minder waard zou zijn dan € 100.000,-. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in zijn waardering met vorenstaande omstandigheden voldoende rekening gehouden.[adres] [B.] (stal, loods, erfkavel en overige grond) Verweerder heeft dit object gewaardeerd op € 830.000,-. Blijkens de taxatieopbouw bij het eerder aangehaalde taxatierapport staat de erfkavel hierbij te boekvoor een waarde van € 100,-/m² en de overige grond voor € 10,-/m². Verweerder baseert zich voor deze waardes op marktgegevens van een aantal in de nabijheid van het object van eisers gelegen referentieobjecten. Voor de aan de 'overige' grond toe te kennen waarde heeft verweerder gewezen op de speculatieve waarde van de grond ter adstructie waarvan een viertal grondtransacties zijn opgevoerd. De rechtbank is, mede op grond van hetgeen van de zijde van eisers ter zitting naar voren is gebracht, van oordeel dat verweerder onvoldoende de speculatieve elementen van de 'overige' grond bij de boerderij van eisers aannemelijk heeft gemaakt. Het betreft een rijksmonument in een agrarisch gebied waarvan de bestemming geen andere dan agrarische activiteiten toelaat. Door verweerder is niet aannemelijk gemaakt dat er op de waardepeildatum een zodanige wijziging te verwachten was in de gemeentelijke politiek dat er op het terrein, los van het hoofdgebouw, woningbouw verwezenlijkt kon worden, hetgeen onder meer wordt bevestigd door de omstandigheid dat een dergelijke ontwikkeling zich thans nog steeds niet heeft voorgedaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gebruiksbeperkingen die voortvloeien uit de op de erfkavel rustende monumentale- en archeologische bestemming en de omstandigheid dat op de erfkavel niet gebouwd mag worden. Althans, uit het taxatierapport en hetgeen door verweerder hieromtrent ter zitting is toegelicht is niet aannemelijk geworden dat voor deze omstandigheden een (realistisch) bedrag in mindering is gebracht ten opzichte van de vergelijkingsobjecten. Nu eisers evenmin met een deugdelijk en recent taxatierapport de door hen verdedigde waarde van het object aannemelijk hebben gemaakt ziet de rechtbank aanleiding om in het licht van de hiervoor besproken omstandigheden de waarde van het obj[adres] [B.] te verlagen en in goede justitie vast te stellen op € 700.000,-. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in verband met de door een derde verleende rechtsbijstand. De rechtbank begroot de kosten op € 483,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting). Mitsdien beslist de rechtbank als volgt. 3. Beslissing De rechtbank Dordrecht: - verklaart het beroep gegrond;
Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. J.A. Monsma en M.A.C. Prins, leden, en door de voorzitter en mr. C.Y. de Lange, griffier, ondertekend.
| ||
| Datum | 20071221 | ||