| Nummer | Fida20072662 |
|---|---|
| Bron | Arr.rb. Amsterdam 25 mei 2007 06576 |
| Titel | Recht van overpad had waardedrukkend effect |
| Samenvatting | De gemeente Hilversum stelde de WOZ-waarde van de woning van X vast op EUR 1.419.000. X ging in beroep en stelde dat rekening moest worden gehouden met het recht van erfdienstbaarheid welke de gebruiker van de naastgelegen woning het recht van overpad gaf. Hij was overigens eigenaar van die tweede woning, maar verhuurde deze aan een derde. Rechtbank Amsterdam besliste dat de waardedruk van het recht van overpad - positief dan wel negatief - onderdeel uitmaakte van de waardevaststelling en dat het recht van overpad door het in één hand komen van de eigendom van beide onroerende zaken als zodanig niet teloor was gegaan. In de registers van het Kadasters was het recht niet doorgehaald en het was evenmin van rechtswege komen te vervallen. De onroerende zaken waren evenmin permanent in één hand gekomen, zodat de wederzijdse rechten en lasten van het recht van overpad tegen elkaar wegvielen. Bij een afzonderlijke verkoop van de tweede woning zou een koper met succes het recht van overpad ten laste van de eerste woning als lijdend erf kunnen inroepen. Bij de waardevaststelling moest rekening worden gehouden met het recht van overpad ten laste van het lijdende erf. De Rechtbank stelde het waardedrukkend effect in goede justitie vast op EUR 10.000 en verminderde de WOZ-waarde tot EUR 1.409.000. |
| Tekst |
Rechtbank Amsterdam
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X, wonende te Z, belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum, heffingsambtenaar. Zitting
Geschilomschrijving
Gronden 1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning. De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar - na het instellen van beroep bij de rechtbank - nader vastgesteld op € 1.419.000. 2. Tevens is belanghebbende eigenaar van de onroerende zaak plaatselijk bekend a-straat 2 te Z (woning 2). De eigendom van woning 2 is op een later tijdstip verkregen dan de eigendom van de woning. Beide onroerende zaken sluiten op elkaar aan. Deze woning is verhuurd aan een derde. 3. De eigendom van de woning is bezwaard met een recht van erfdienstbaarheid welke de gebruiker annex eigenaar van woning 2 het recht van overpad geeft. Op die wijze kan de gebruiker en/of de eigenaar van die woning gebruik maken van de aansluiting op de openbare weg a-straat. In de openbare registers van het Kadaster is dit recht van overpad vermeld met de woning als lijdend erf. 4. Voorts is de eigendom van woning 2 bezwaard met het recht van overpad ten gunste van de woning. Dit recht van overpad, welke eveneens in de openbare registers van het Kadaster is opgenomen, geeft de mogelijkheid aan de eigenaar en/of gebruiker van de woning om via het erf van woning 2 de openbare weg b-straat te bereiken. 5. In het bijzonder is tussen partijen in geschil of het voormelde recht van overpad een depreciërend effect heeft op de waarde van de woning, welke vraag belanghebbende bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend beantwoordt. De waarde van de woning, zonder dat rekening is gehouden met de eventuele waardedruk van het recht van overpad, is tussen partijen niet in geschil. 6. De rechtbank is van oordeel dat de waardruk van het recht van overpad - positief dan wel negatief - onderdeel uitmaakt van de waardevaststelling van een onroerende zaak op de voet van artikel 17 van de Wet woz. Daartoe verwijst de rechtbank naar het hierna aan de parlementaire behandeling ontleende citaat: "De
reden dat de overdrachtsfictie niet de invloed van de
hiervoor genoemde rechtsfiguren uitschakelt, is gelegen in
het feit dat de bepaling ten doel heeft de relatie door te
snijden tussen een onroerende zaak en de belastingplichtigen
ter zake van die zaak. Van een gerechtigde tot een
erfdienstbaarheid alsmede van degene te wiens behoeve een
anti-speculatiebeding met kettingbeding is gemaakt, kan niet
gezegd worden dat zij in een zodanige relatie staan tot de
onroerende zaak dat zij het genot ervan
hebben."
7. De rechtbank is van oordeel dat het recht
van overpad door het in één hand komen van de eigendom van
beide onroerende zaken als zodanig niet teloor is gegaan. In
de daartoe aangehouden registers van het Kadaster heeft geen
doorhaling van het voormelde recht plaatsgevonden. Evenmin is
het voormelde recht van rechtswege komen te
vervallen.
8. Overigens hebben partijen geen feiten of omstandigheden gesteld welke de conclusie kan schragen dat beide onroerende zaken permanent in een hand zijn gekomen, zodat de wederzijdse rechten respectievelijk lasten van overpad tegen elkaar wegvallen. Bij een afzonderlijke verkoop van woning 2 zal een koper met succes het recht van overpad ten laste van de woning als lijdend erf kunnen inroepen. 9. Belanghebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aangegeven dat het hem te dezen gaat om een principiële erkenning van deze last en niet zozeer om het bedrag van die last als zodanig. Om die reden stelt de rechtbank in goede justitie het waardedrukkend effect vast op € 10.000. 10. De rechtbank merkt nog op dat het recht van overpad dat aan de woning is gekoppeld, te weten de ontsluiting op de b-straat, geen waardeverhogend waarde kan worden toegekend. Belanghebbende heeft onvoldoende weersproken gesteld dat deze uitweg niet door hem wordt gebruikt en dat daaraan ook overigens gelet op de infrastructuur ter plaatse door derden geen waardeverhogend effect wordt toegekend. De rechtbank verstaat deze laatste stelling van belanghebbende in die zin dat daaraan in het economische verkeer geen waarde kan worden toegekend. 11. De overige geschilpunten welke aanvankelijk tussen partijen aanwezig waren zijn voor de mondelinge behandeling van het beroep tot een oplossing gebracht dan wel in de vastgestelde waarde van € 1.419.000 onderscheidenlijk € 1.409.000 begrepen. 12. Beslist dient te worden zoals hierna te melden. Proceskosten De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de reiskosten € 8,70. Beslissing De
rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. B. van Walderveen, rechter, in tegenwoordigheid mr. W. Kuik, griffier. |
| Datum | 20070525 |