| Nummer | Fida20072374 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bron | Arr.rb. Alkmaar 13 juni 2007 06841 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Titel | Oude CV-ketel verminderde WOZ-waarde met EUR 1.750 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Samenvatting | X ontving van de gemeente Castricum een WOZ-beschikking waarin de waarde van zijn woning per 1 januari 2003 was vastgesteld op EUR 240.000. X maakte bezwaar. De gemeente volgde X in zijn stelling dat de WOZ-waarde van de woning eigenlijk EUR 231.000 bedroeg, maar omdat die waarde binnen de grens van artikel 26a Wet WOZ bleef, liet de gemeente de WOZ-beschikking in stand. X ging in beroep en stelde dat de gemeente onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat zijn CV-ketel oud was. Rechtbank Alkmaar was het daarmee eens. De gemeente had er rekening mee moeten houden dat de CV-ketel in de woning uit 1989 stamde. De Rechtbank schatte het waardedrukkend effect daarvan op EUR 1.750. De Rechtbank stelde de WOZ-waarde van de woning van X vast op EUR 229.500. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Tekst |
Rechtbank Alkmaar
in de zaak van: J.H.M. Van Pinxteren en H.R.
Hoberg,
tegen de
heffingsambtenaar van de gemeente
Castricum,
Ontstaan en loop van de zaak Bij beschikking gedateerd 31 maart 2005 heeft verweerder ter uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak van eisers aan Weberstraat 3 te Castricum (hierna: eisers woning) voor het tijdvak 2005-2006 vastgesteld op € 240.000,00, waarbij is uitgegaan van 1 januari 2003 als waardepeildatum. Het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 2 februari 2006 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben eisers beroep ingesteld bij brief van 2 maart 2006. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2007, waar eisers in persoon zijn verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door R. Nihot, WOZ-taxateur bij Tog Nederland. Motivering 1. In geschil is of verweerder bij de bestreden uitspraak op bezwaar de waarde van de woning van eisers terecht heeft gehandhaafd op € 240.000,00. 2. Verweerder heeft de woning van eisers
vergeleken met de drie hieronder genoemde referentiewoningen:
Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar kort gezegd gesteld dat hij overeenkomstig de Wet WOZ de woning van eisers heeft gewaardeerd volgens de vergelijkingsmethode en dat hij rekening heeft gehouden met de relevante verschillen tussen de woning van eisers en de referentiewoningen. Verweerder heeft gesteld dat de WOZ-waarde eigenlijk had moeten worden vastgesteld op € 231.000,00. Maar omdat deze waarde binnen de grens van artikel 26a van de Wet WOZ blijft, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de WOZ waarde van € 240.000,00 gehandhaafd. 3. Eisers hebben in het beroepschrift aangevoerd dat de nieuwe door verweerder vastgestelde waarde net binnen de bezwaarmarge valt, maar dat deze waarde totaal uit de lucht is komen vallen en niet is gemotiveerd. Er zijn geen nieuwe gerelateerde taxatiegegevens beschikbaar gesteld om tot deze waarde te komen. Voorts hebben eisers aangevoerd dat verweerder is voorbij gegaan aan het door hen overgelegde taxatierapport, waarin hun woning is gewaardeerd op € 222.000,00. Eisers hebben in een aanvullend beroepschrift aangegeven dat het taxatierapport niet is ondertekend en daardoor niet geldig is. Voorts hebben eisers nog aangevoerd dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste staat van onderhoud met betrekking tot het schilderwerk en dat de Cv-ketel in hun woning 18 jaar oud is. 4. Het betoog van eiser dat de door verweerder in de uitspraak op bezwaar voorgestane nieuwe waarde niet deugdelijk is gemotiveerd slaagt. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt slechts dat, maar niet waarom verweerder op grond van de in het taxatieverslag vermelde gegevens van de referentiewoningen, die ook ten grondslag zijn gelegd aan de waardebeschikking van 31 maart 2005, is gekomen tot een neerwaartse bijstelling van de WOZ-waarde van eisers woning van € 240.000,00 naar € 231.000,00. Alleen daarom al komt de uitspraak op bezwaar wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking. De omstandigheid dat het taxatieverslag voldoet aan alle wettelijke vereisten leidt niet tot een ander oordeel, omdat ook uit het taxatieverslag niet zonder meer valt af te leiden dat een waarde van € 231.000,00 niet te hoog is. 5. Het beroep is dus gegrond en de uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd. 6. Om te komen tot een finale beslechting van het geschil zal de rechtbank hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand kunnen worden gelaten of dat de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien door een nieuwe waarde vast te stellen. 7. Ingevolge de artikelen 17 en 18 van
de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1
januari 2003 aan de onroerende zaak dient te worden
toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan
zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de
staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle
omvang in gebruik zou kunnen nemen.
8. Het is volgens vaste rechtspraak vervolgens aan verweerder om te bewijzen dat hij deze waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 9. De rechtbank merkt over de geldigheid van verweerders taxatierapport het volgende op. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de ondertekening van het taxatierapport namens de taxateur heeft plaatsgevonden en dat per abuis geen parafering van het rapport heeft plaatsgevonden. Verder heeft de taxateur aangegeven dat het taxatierapport door hem zelf is opgesteld en dat hij de eindversie akkoord heeft bevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om onder deze omstandigheden het taxatierapport ongeldig te achten. 10. De
rechtbank stelt vast dat verweerder de waarde van de woning
van eisers heeft bepaald volgens de hiervoor genoemde en
voorgeschreven vergelijkingsmethode. Verder is de rechtbank
van oordeel dat de drie hierboven genoemde referentiewoningen
goed vergelijkbaar zijn met de woning van eisers. Alle
woningen zijn qua inhoud gelijk aan elkaar en verder zijn het
perceeloppervlak en de bouwstijl nagenoeg vergelijkbaar. De
verkoopprijzen daarvan kon verweerder dus gebruiken als
onderbouwing van de WOZ waarde van de woning van
eisers.
11. Verweerder heeft
naar het oordeel van de rechtbank op zich voldoende
inzichtelijk gemaakt hoe uit de verkoopprijzen van de
referentiewoningen de voor eisers woning voorgestane
WOZ-waarde van € 231.000,00 is afgeleid. Uit de stukken
en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder
zich rekenschap heeft gegeven van de verschillen in de
grootte van het perceeloppervlak en de bij de woningen
behorende bijgebouwen.
12. De rechtbank ziet in het door eisers ingebrachte taxatierapport geen aanleiding om de WOZ-waarde van eisers woning lager vast te stellen dan € 229.250,00. De rechtbank overweegt daartoe dat dat taxatierapport is uitgebracht door De Nationale Taxatielijn, die is gevestigd in Hengelo. In dat rapport is vermeld dat het uitgangspunt wordt gevormd door de door eisers zelf ingevoerde gegevens en kenmerken van hun woning en dat de juistheid van die gegevens door de taxateur uiteraard niet is beoordeeld. Verder hebben eisers ter zitting verklaard dat de taxateur hun woning niet heeft bezocht. De rechtbank is van oordeel dat aan een taxatierapport dat onder dergelijke omstandigheden tot stand is gekomen slechts zeer geringe bewijskracht toekomt. 13. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf de WOZ-waarde van de woning van eisers voor het tijdvak 2005-2006 vast te stellen op € 229.250,00 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar. Verweerder hoeft dus geen nieuwe uitspraak op bezwaar te doen. 14. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eisers voor de behandeling van het beroep kosten hebben gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De
rechtbank
Deze uitspraak is gedaan op 13 juni 2007 door mr. drs. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Stratmann, griffier.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Datum | 20070613 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||