| Nummer | Fida20070957 |
|---|---|
| Bron | Arr.rb. Amsterdam 26 januari 2007 062263 |
| Titel | Loopbrug naar bejaardentehuis verminderde WOZ-waarde |
| Samenvatting | X ging in beroep tegen de WOZ-beschikking waarin de waarde van zijn woning naar waardepeildatum 1 januari 2003 was vastgesteld op EUR 190.500. Rechtbank Amsterdam was het met X eens dat de gemeente bij de waardebepaling onvoldoende rekening had gehouden met een loopbrug die door de binnentuin liep, in de onmiddellijke nabijheid van het balkon aan de achterzijde van het pand. De loopbrug verbond een naastgelegen bejaardentehuis met een aan de overzijde van de binnentuin gelegen nevenvestiging van het bejaardentehuis. De Rechtbank was het met X eens dat hierdoor de privacy was beperkt. De Rechtbank verwierp de stelling van de taxateur van de gemeente dat een eventuele waardeverminderende invloed van de loopbrug gecompenseerd werd door een in aanmerking te nemen hogere waarde van het pand. Dit standpunt was in strijd met een goede procesorde en zou ook de betrouwbaarheid van het eerder afgegeven taxatierapport vergaand verminderen, zo niet tot nihil terugbrengen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en stelde de waarde van woning in goede justitie vast op EUR 180.000. |
| Tekst |
Rechtbank Amsterdam
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X, wonende te Z, eiser, en de directeur van de dienst belastingen van de Gemeente Amsterdam, verweerder. Zitting
De
bestreden uitspraak op bezwaar
Gronden 1. Verweerder heeft in de bestreden uitspraak de eerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de wet WOZ) bij beschikking vastgestelde waarde van eisers onroerende zaak aan de a-straat 1 te Q (hierna: de woning) ad € 203.000,- ver-laagd tot € 190.500,-. 2. In
geschil is de waarde van de woning per waardepeildatum 1
januari 2003.
3. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de wet WOZ moet de waarde van deze onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als waardepeildatum 1 januari 2003. 4. Ter staving van de door hem verdedigde waarde van € 190.500 heeft verweerder een op 20 mei 2006 gedagtekend taxatierapport overgelegd, opgemaakt door B, registertaxateur, in welk rapport wordt geconcludeerd tot een waarde in het economische verkeer van eisers onroerende zaak op de peildatum van (eveneens) € 190.500,-. 5. B voornoemd heeft bij de waardebepaling rekening gehouden met verkoopprijzen die rondom de peildatum voor een drietal - zo is tussen partijen niet in geschil - vergelijkbare objecten zijn gerealiseerd. Op zichzelf is dit een werkwijze die een goede benadering kan geven van de onder 3. bedoelde waarde. 6. Gelet op de
in het taxatierapport vermelde gegevens met betrekking tot de
waarde-bepa-lende factoren zoals onder meer de ligging, de
oppervlakte van de woning en het gebruik, alsmede de bij het
rapport gevoegde foto's, is aannemelijk dat de objecten
waarnaar in het taxatierapport wordt verwezen in dezen als
vergelijkingsobjecten kunnen dienen.
7. Ter zitting heeft eiser, met instemming van verweerder, een zestal foto's overgelegd waarop onder andere de loopbrug is te zien die door de binnentuin loopt, in de onmiddellijke nabijheid van eisers balkon aan de achterzijde van het pand. In het beroepschrift is deze loopbrug omschreven als: 'een bouwsel in de binnentuin'. De loopbrug verbindt een naastgelegen bejaardentehuis met een aan de overzijde van de binnentuin gelegen nevenvestiging van dit tehuis. De rechtbank volgt eiser in zijn
gemotiveerde stelling, onder verwijzing naar het vrije
uitzicht op eisers balkon van bewoners en personeel van het
bejaardentehuis die in de loopbrug heen en terug lopen en de
daarmee gepaarde gaande beperking van zijn privacy - daarin
door verweerder niet of althans in onvoldoende mate bestreden
- dat van de aanwezigheid en het voortdurende gebruik van
deze loopbrug een waardeverminderende invloed
uitgaat.
8. Taxateur B heeft ter zitting, het
voorlopig oordeel van de rechtbank gehoord hebbende, het
standpunt ingenomen dat een eventuele waardeverminderende
invloed van bovengenoemde loopbrug gecompenseerd wordt door
een in aanmerking te nemen hogere waarde van het onderhavige
pand.
9. Verweerder heeft
vervolgens ter zitting - zo begrijpt althans de rechtbank -
het standpunt ingenomen dat, indien er al sprake is van een
waardeverminderende invloed van de loopbrug, dit
gecompenseerd wordt door ter zitting alsnog uit te gaan van
een hogere waarde voor het onderhavige pand. Na verwerking
van de waardeverminderende invloed van de loopbrug resteert
dan een waarde van (minimaal) € 190.500,-.
10. Verweerder, op wie in dezen de bewijslast rust, maakt met hetgeen hij ook overigens heeft aangevoerd, onvoldoende aannemelijk dat met in achtneming van de waardeverminderende invloed van de loopbrug, de in aanmerking genomen waarde van € 190.500,- niet te hoog is. 11. De rechtbank kan eiser evenmin volgen in zijn
stelling, dat de waarde van de onroerende zaak moet worden
vastgesteld op € 150.000,-.
12. De stelling van eiser, dat de waarde verminderd dient te worden als gevolg van de van toepassing zijnde gemeentelijke Herhuisvestingverordening, kan de rechtbank niet volgen. Nu iedere koper van de onderhavige onroerende zaak gerechtigd is de woning tevens te bewonen, gaat van bedoelde verordening geen beperkende invloed uit op de kring van gegadigden voor de verkrijging van die zaak (Hoge Raad 19 mei 1982, BNB 1982/199). 13. Nu de rechtbank verweerder noch eiser
kan volgen in de door hen verdedigde waarde stelt de
rechtbank, uitgaande van het onder 4. genoemde
taxatierapport, onder toepassing van een waardevermindering
als gevolg van de aanwezigheid van de loopbrug en voorts
rekening houdend met al hetgeen door partijen naar voren is
gebracht, de waarde van eisers onroerende zaak in goede
justitie vast op € 180.000,-.
14. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. 15. Eiser heeft zijn verzoek om een proceskostenveroordeling, anders dan een vergoeding voor het betaalde griffierecht, ter zitting laten vallen. Beslissing De
rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 26 januari 2007 en in het openbaar uitgesproken door dr. mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. H. Çiblak. |
| Datum | 20070126 |