| Nummer | Fida20070935 | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bron | Hoge Raad 23 maart 2007 40152 | ||||||||||||||||||
| Titel | Hoge Raad bevestigde rompslompforfait van 10% bij ernstige vervuiling | ||||||||||||||||||
| Samenvatting | De WOZ-waarde van de woning van X was per 1 januari 1999 vastgesteld op f 417.000. X was het hier niet mee eens omdat ernstige bodemverontreiniging in de wijk was geconstateerd. Hij stelde dat de waarde van de woning op nihil moest worden gesteld. Hof Arnhem besliste dat X er niet in was geslaagd aannemelijk te maken dat de woning niet tegen een redelijke prijs te verkopen was. Het Hof besliste vervolgens wel dat de toepassing van een "rompslompforfait" door de inspecteur van 3,5% op de oorspronkelijke WOZ-waarde van EUR 193.764 aan de lage kant was. Het Hof volgde X in zijn stelling dat de overlast van de sanering aanzienlijk zou zijn en paste een rompslompforfait van 10% toe. Het Hof stelde de WOZ-waarde vast op f 384.300. De gemeente ging in cassatie. De Hoge Raad heeft de uitspraak van Hof Arnhem zonder nadere motivering bevestigd (art. 81 Wet RO). | ||||||||||||||||||
| Tekst |
Hoge Raad der
Nederlanden
ARREST Gewijzigde werkwijze Hoge Raad met betrekking tot artikel 81 RO zaken Met ingang van 1 september
2002 geeft de Hoge Raad arresten die onder toepassing van
artikel 81 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO)
worden gewezen,
niet
meer vrij voor publicatie. De
Hoge Raad geeft in deze gevallen slechts een opgave van de
arresten die onder verwijzing naar artikel 81 van de Wet zijn
gewezen. Uit de bijgevoegde opgave blijkt dat de Hoge Raad de
bijgevoegde uitspraak van het Hof zonder nadere motivering
(art. 81 RO) heeft bevestigd.
Gerechtshof te
Arnhem
PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK
gronden: 1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WOZ moet de waarde van de onderhavige tot woning dienende onroerende zaak - gelegen aan de [a-weg te Z] - worden bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als waardepeildatum 1 januari 1999. 2. De Ambtenaar heeft zich bij het geven van de onderhavige beschikking op het standpunt gesteld dat de onder 1. bedoelde waarde van belanghebbendes onroerende zaak EUR 186.957 (f 412.000) bedraagt. Bij de bestreden uitspraak heeft de Ambtenaar zijn standpunt gehandhaafd. 3. Ter staving van de door hem verdedigde waarde heeft de Ambtenaar bij het verweerschrift een op 4 maart 2003 gedagtekend taxatierapport overgelegd, opgemaakt door [A], taxateur, in welk rapport wordt geconcludeerd tot een waarde van belanghebbendes onroerende zaak per 1 januari 1999 van eveneens EUR 186.957. De taxateur heeft bij de waardebepaling rekening gehouden met verkoopprijzen die van medio 1998 tot medio 1999 voor min of meer vergelijkbare objecten zijn gerealiseerd. Deze werkwijze sluit aan bij de bepaling van de onder 1. bedoelde waarde. Het Hof vindt echter aanleiding de gegevens omtrent het object gelegen aan de [a-weg 2 te Z] (op 4 maart 1998 verkocht voor EUR 159.050) buiten aanmerking te laten in verband met het waardedrukkende effect van de na verkoopdatum bekend geworden cyanidevervuiling van de bodem. 4. Belanghebbende stelt dat de vastgestelde waarde van zijn woning te hoog is, gelet op de ernstige bodemverontreiniging op zijn kavel. De vervuiling bestaat uit zware metalen (cadmium, nikkel, chroom en zink) en vrije cyanide. Belanghebbende is van mening dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op nihil gesteld dient te worden als gevolg van de omstandigheid dat deze vanwege de bodemverontreiniging onverkoopbaar is geworden. 5. Het Hof acht belanghebbende, tegenover het gemotiveerde oordeel van de Ambtenaar, niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de woning in het vrije commerciële verkeer niet tegen een redelijke prijs verkoopbaar is. Niet gebleken is dat belanghebbende de onroerende zaak te koop heeft aangeboden, bijvoorbeeld op een wijze zoals genoemd in artikel 59, tweede lid van de Wet Bodembescherming. Aan dit oordeel doet niet af de omstandigheid dat vanaf medio 1999 tot op heden geen enkele woning is verkocht in de [a-weg]. 6. In gevallen waarin bodemverontreiniging wordt geconstateerd en aannemelijk is dat deze verontreiniging reeds op de waardepeildatum aanwezig was kan dit invloed hebben op de waarde in het economische verkeer van een woning. Deze waardevermindering kan in situaties waarin de kosten van sanering niet voor rekening van bewoners komt veelal worden uitgedrukt in het zogenaamde 'rompslompforfait', zijnde een forfaitair bedrag ter zake van de overlast die de bewoners ten gevolge van de sanering ondervinden. De Ambtenaar heeft bij de vaststelling van de waarde van de woning op de oorspronkelijk vastgestelde waarde van EUR 193.764 een rompslompforfait van EUR 6.807 toegepast. 7. Het Hof acht de door belanghebbende geschetste overlast met betrekking tot het saneren van de vervuilde grond aanzienlijk. In het door de Ambtenaar overgelegde taxatierapport wordt slechts opgemerkt dat de bodemverontreiniging als een bijzonder omstandigheid kwalificeert die van invloed is op de huidige waarde en gaat niet in op de concreet door belanghebbende gestelde overlast. Hiermee wordt het door belanghebbende gestelde dan ook niet weersproken. 8. De overlast en de hieraan verbonden waardevermindering van de woning in aanmerking nemende acht het Hof het door de Ambtenaar toegepaste rompslompforfait van EUR 6.807 (zijnde 3,5% van de oorspronkelijk vastgestelde waarde van de woning) te gering. Het Hof stelt het rompslompforfait, in goede justitie vast op 10% van de oorspronkelijk vastgestelde waarde oftewel op EUR 19.376 en vermindert de vastgestelde waarde tot EUR 174.388 9. Het Hof verklaart het beroep gegrond. proceskosten: Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. beslissing: Het Gerechtshof: - verklaart het beroep gegrond;
Aldus gedaan op 19 juni 2003 door mr. J. Lamens, vice-president, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.F. Geerling als griffier. Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend perpost verzonden op 2 juli 2003 | ||||||||||||||||||
| Datum | 20070323 | ||||||||||||||||||