| Nummer | Fida20070237 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bron | Belastingdienst 15 januari 2007 Publicatienummer onbekend | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Titel | Vaststellingsovereenkomst van fiscus met woningcorporaties | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Samenvatting | Met ingang van 1 januari 2006 is de vrijstelling in de Wet Vpb voor toegelaten instellingen aangepast. In december 2005 zijn Aedes, vereniging voor woningcorporaties, en de Belastingdienst met gesprekken gestart om duidelijkheid te verkrijgen over de toepassing van artikel 5, lid 1, d, Wet Vpb. Vervolgens hebben zij een vaststellingsovereenkomst gesloten. Het ministerie van Financiën is op 25 januari 2007 tegemoet gekomen aan het verzoek van Fiscaal up to Date om openbaarmaking van de vaststellingsovereenkomst en de bijbehorende toelichting. In de vaststellingsovereenkomst is invulling gegeven aan de begrippen in artikel 5, lid 1, d, Wet Vpb. Verder is opgenomen welke activiteiten van de toegelaten instelling van Vpb zijn vrijgesteld en welke activiteiten zijn belast en is uiteengezet op welke wijze leveringen, diensten en financieringen tussen de belaste en de vrijgestelde sfeer worden verrekend. Voorts zijn afspraken gemaakt over de waarden waartegen de bezittingen en schulden, die gebruikt worden voor de belaste activiteiten, op de fiscale openingsbalans van 1 januari 2006 moeten worden opgenomen en hoe de waarde hiervan moet worden bepaald. Er zijn afspraken gemaakt over de activiteiten die als zogenoemde tussenvorm een belaste of een vrijgestelde activiteit vormen en welke criteria daarbij van belang zijn. Tot slot zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop de Belastingdienst de nakoming van de overeenkomst en de fiscale wettelijke bepalingen controleert in samenhang met de overige vormen van toezicht door de verschillende (overheids)instanties. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Tekst | Belastingplicht Woningcorporaties Vaststellingsovereenkomst Projectgroep Belco 15 januari 2007
INHOUDSOPGAVE I Partijen II Beschrijving van de situatie en omschrijving van de onzekerheid II. 1 Algemeen 11.2 Omschrijving van de onzekerheid
11.3
Controle en toezicht
III Inhoud van de overeenkomst
HOOFDSTUK 3 BELASTINGPLICHT Paragraaf 3.1 Algemeen Artikel 3.1.1 Belastingplicht Artikel 3.1.2 Vrijgestelde en belaste activiteiten Paragraaf 3.2 Verrekenprijzen Artikel 3.2.1 Vastgoed Artikel 3.2.2 Diensten Artikel 3.2.3 Projectontwikkeling (opstalrealisatie: sociale woningbouw) Artikel 3.2.4 Projectontwikkeling (grondexploitatie en opstalrealisatie: overig vastgoed) Artikel 3.2.5 Herontwikkeling Artikel
3.2.6 Toerekening en realisatie van
het resultaat van grondexploitatie
en
Paragraaf
3.3
Financiering,
onderlinge leningen en
rekening-courantverhoudingen/
Artikel 3.3.1 Algemeen Artikel 3.3.2 Werkkapitaal Artikel 3.3.3 Vastgoed in model I Artikel 3.3.4 Vastgoed in model II Artikel 3.3.5 Overgangsbepaling bestaande financieringen Paragraaf 3.4 Buffer Artikel 3.4.1 Buffer woningen Artikel 3.4.2 Buffer parkeervoorzieningen Artikel 3.4.3 Buffer bedrijfsmatig vastgoed Artikel 3.4.4 Buffer vervreemding aan derden Artikel 3.4.5 Buffer commerciële diensten HOOFDSTUK 4 OPENINGSBALANS Paragraaf 4.1 Algemeen Artikel 4.1.1 Algemeen Paragraaf 4.2 Verhuurd vastgoed Artikel 4.2.1 Woningen in verhuurde staat Artikel 4.2.2 Bedrijfsmatig vastgoed Paragraaf 4.3 Projectontwikkeling Artikel 4.3.1 Projectontwikkeling (grondexploitatie en opstalrealisatie) Paragraaf 4.4 Overige bezittingen en schulden Artikel 4.4.1 Rekening-courantverhoudingen/kredieten Artikel 4.4.2 Zelfgevormde goodwill Artikel 4.4.3 Dochtervennootschappen, deelnemingen HOOFDSTUK 5 TUSSENVORMEN Paragraaf 5.1 Algemeen Artikel 5.1.1 Betekenis begrippen Artikel 5.1.2 Mengtussenvormen Paragraaf 5.2 Kooptussenvormen en erfpachttussenvormen: Franchise Regeling Artikel 5.2.1 Vrijgestelde resultaten Artikel 5.2.2 Franchisewoningen Artikel 5.2.3 Nieuwbouwwoningen Artikel 5.2.4 Omvang franchise Artikel 5.2.5 Alleen eigen gebruik Artikel 5.2.6 Maximum franchise bereikt Paragraaf 5.3 Kooptussenvormen: duurzame Exploitatie Regeling. Artikel 5.3.1 Bestaande bouw: vrijgestelde resultaten Artikel 5.3.2 Verkoop niet aan huurder HOOFDSTUK 6 CONTROLE Paragraaf 6.1 Algemeen Artikel 6.1.1 Doel controle Artikel 6.1.2 Wijze waarop controle plaatsvindt Artikel 6.1.3 Wettelijke bepalingen Paragraaf 6.2 Inrichting administratie Artikel 6.2.1 &nbs ; Algemeen Artikel 6.2.2 Verklaring dochtervennootschappen Artikel 6.2.3 Plintruimte Artikel 6.2.4 Gebouw met maatschappelijke functie Artikel 6.2.5 Verdeling van kosten en in rekening brengen van kosten Artikel 6.2.6 Verdeling van activiteiten Artikel 6.2.7 Transacties tussen de vrijgestelde en belaste sfeer Artikel 6.2.8 Buffer Artikel 6.2.9 Openingsbalans Artikel 6.2.10 Informatie ten behoeve van evaluatie tussenvormwoningen Artikel 6.2.11 Benodigde gegevens Franchise Regeling Paragraaf 6.3 Informatie (kwaliteit en verstrekking) Artikel 6.3.1 Kwaliteitseisen Artikel 6.3.2 Verstrekking van rapportage Artikel 6.3.3 Bestuursverklaring HOOFDSTUK 7 OVERIGE BEPALINGEN Artikel 7.1 Heffingsrente/invorderingsrente Artikel 7.2 Looptijd van de overeenkomst Artikel 7.3 Afstand van rechtsmiddelen Artikel 7.4 Procedure en voorwaarden ondertekening Artikel 7.5 Nadere voorwaarden en afspraken Artikel 7.6 Bestaande afspraken Artikel 7.7 Overgangsbepaling BULACEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Derdenbeding Begrippen Modellen Activiteitenoverzicht Openingsbalans Overige bepalingen Vaststellingsovereenkomst I Partijen ................. , gevestigd te ....................... , toegelaten krachtens artikel 70 van de Woningwet, hierbij op
grond van artikel .... van de statuten,
rechtsgeldig
De voor partij A aangewezen inspecteur van de Belastingdienst, hierna te noemen "partij B", uitsluitend voor het tekenen van deze overeenkomst vertegenwoordigd door D.L.H. van Beek RA, als zodanig gemandateerd door de Voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor Breda. Hierna tezamen te noemen "partijen". Verklaren hierbij een vaststellingsovereenkomst, hierna te noemen "overeenkomst", te sluiten als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek, ter beëindiging van onzekerheid als gevolg van de wijziging van artikel 5 lid 1 onderdeel d Wet op de vennootschapsbelasting 1 969 per 1 januari 2006, waarbij de vrijstelling voor lichamen toegelaten om op de voet van de Woningwet werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting, in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is aangepast. Derdenbeding Partij A draagt er zorg voor dat haar bestaande- en (mede door haar) nieuw op te richten dochtervennootschappen het hierna opgenomen derdenbeding aanvaarden. Derdenbeding (artikel 6:253 Burgerlijk Wetboek) 1. Deze
overeenkomst schept voor de van partij A, in het kader van
deze overeenkomst,
2. Aanvaarding door de dochtervennootschappen geschiedt door een
verklaring die tot partij
De te gebruiken modelverklaring is opgenomen in bijlage 1. 3. Indien de dochtervennootschap: a. dit beding niet heeft aanvaard; b. dit beding heeft aanvaard maar zich niet houdt aan de verplichtingen van deze overeenkomst; c. dit beding heeft aanvaard maar de verklaring zich niet in de administratie van partij A bevindt, is voor partij A artikel 7.3 lid 3 van toepassing. Deze overeenkomst ziet slechts toe op de fiscale gevolgen van de Wet op de vennootschapsbelasting 1 969, hierna te noemen "de Wet". Voor de uitvoering van deze overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat de activiteiten van partij A kwalificeren als het drijven van een onderneming en dat zij daarom voor al haar activiteiten belastingplichtig is in de zin van artikel 2, lid 1, onderdeel d van de Wet. II Beschrijving van de situatie en omschrijving van de onzekerheid II. 1 Algemeen Met ingang van 1 januari 2006 is de vrijstelling in de Wet voor toegelaten instellingen aangepast. Uitgangspunt voor het aanpassen van de vrijstelling in de Wet is het creëren van een 'level playing field' tussen toegelaten instellingen en andere belastingplichtigen. Om die reden is een scheiding gemaakt tussen belaste en vrijgestelde activiteiten. Dit is vastgelegd in artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet en artikel 2 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1 971. Artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet luidt met ingang van 1 januari 2006 als volgt:
"Wij behouden Ons voor bij algemene
maatregel van bestuur onder daarbij te stellen voorwaarden
van de belasting vrij te
stellen:
Artikel 2 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 luidt als volgt: "De in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, d, f, g en h van de wet omschreven lichamen zijn van belasting vrijgesteld." De toepassing van deze artikelen roept veel vragen op. Over deze problematiek zal intensief overleg nodig zijn tussen de individuele toegelaten instelling en de inspecteur van de Belastingdienst. Indien geen overeenstemming bereikt wordt, zal in veel gevallen uiteindelijk de Hoge Raad duidelijkheid moeten geven. Voor veel zaken betekent deze rechtsgang dat het een langdurig proces wordt voordat duidelijkheid en dus zekerheid te verwachten is. Partijen achten dit onwenselijk. Om deze reden willen de toegelaten instellingen en de Belastingdienst in onderling overleg op evenwichtige wijze invulling geven aan de vraagstukken die toepassing van artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet, binnen doel en strekking van deze bepaling, met zich meebrengen. II.2 Omschrijving van de onzekerheid De onderwerpen waarover partijen in onzekerheid verkeren en duidelijkheid over willen verkrijgen zijn de volgende: a. Begrippen: Hoemoeten de gehanteerde begrippen in artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet en deze overeenkomst worden uitgelegd? b. Belastingplicht : - Welke activiteiten van de toegelaten instelling zijn van vennootschapsbelasting vrijgesteld en welke activiteiten zijn belast? - Hoe worden leveringen, diensten en financieringen tussen de belaste en de vrijgestelde sfeer verrekend? c. Openingsbalans: Tegen welke waarde moeten de bezittingen en schulden, die gebruikt worden voor de belaste activiteiten, op de fiscale openingsbalans van 1 januari 2006 worden geplaatst? Hoe moet deze waarden worden bepaald? d. Tussenvormen: Vormt het verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van woningen als zogenaamde tussenvorm een belaste of een vrijgestelde activiteit en welke criteria zijn hierbij van belang? II.3 Controle en toezicht Tevens willen partijen afspraken maken over de wijze waarop de Belastingdienst de nakoming van deze overeenkomst en de fiscale wettelijke bepalingen controleert in samenhang met de overige vormen van toezicht door de verschillende (overheids)instanties. II. 4 Proces In december 2005 zijn Aedes, vereniging voor woningcorporaties, hierna te noemen "Aedes", en de Belastingdienst met gesprekken gestart om duidelijkheid te verkrijgen over de uitwerking van de wetswijziging. Hiervoor is eind april 2006 een projectgroep opgericht, bestaande uit medewerkers van toegelaten instellingen en de Belastingdienst, met als doel duidelijkheid te creëren over de toepassing van artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet. De problematiek is vervolgens in zes werkgroepen verder uitgewerkt. a. werkgroep Begrippen heeft inhoud gegeven aan de diverse begrippen die bij het bepalen van de belastingplicht voor toegelaten instellingen van belang zijn; b. werkgroep Ondernemerschap heeft onder andere duidelijkheid gegeven over de vrijgestelde en belaste activiteiten en de wijze waarop leveringen en diensten tussen de belaste en vrijgestelde sfeer moeten worden verrekend; c. werkgroep Openingsbalans heeft bepaald tegen welke waarde de activa en passiva op de fiscale openingsbalans moeten worden opgenomen en op welke wijze deze waarde moet worden bepaald; d. werkgroep Tussenvormen heeft de verschillende tussenvormen en bijbehorende knelpunten in beeld gebracht en hiervoor een praktische fiscale behandeling vastgesteld; e. werkgroep Controle/Toezicht heeft het toezicht op de naleving van de overeenkomst en de fiscale wettelijke bepalingen vormgegeven, waarbij een minimale extra administratieve lastendruk voor zowel de toegelaten instellingen als de Belastingdienst het uitgangspunt vormde; f. werkgroep Vaststellingsovereenkomst heeft tenslotte de opbouw en de verschillende elementen van de overeenkomst bepaald en de deelresultaten in de overeenkomst verwerkt. Voor de beoordeling van de uiteindelijke inhoudelijke consistentie en volledigheid van de overeenkomst is een review commissie, bestaande uit een aantal leden van de werkgroepen Ondernemerschap en Vaststellingsovereenkomst, opgericht die de overeenkomst verder inhoud heeft gegeven. De projectorganisatie bestond in totaal uit ruim 60 medewerkers van de Belastingdienst, toegelaten instellingen en Aedes. Daarnaast is tijdens het proces veelvuldig gebruik gemaakt van de expertise van de belastingadviespraktijk en bestuurders van toegelaten instellingen. III Inhoud van de overeenkomst Partijen zijn het volgende overeengekomen: Hoofdstuk 1 Begrippen Dit hoofdstuk geeft aan hoe partijen de in artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet en de in deze overeenkomst gehanteerde begrippen uitleggen. Partijen komen overeen dat uitsluitend in dat kader de hierna genoemde begrippen in fiscale zin worden gedefinieerd. Dit impliceert dat onderstaande begrippen voor andere wettelijke (fiscale) bepalingen of voor (andere) instellingen (zoals toegelaten instellingen) buiten deze overeenkomst een andere betekenis kunnen hebben. Artikel 1.1 Betekenis begrippen De hierna genoemde begrippen worden als volgt gedefinieerd. a. Dochtervennootschap Een dochtermaatschappij of deelneming waarvan partij A, middellijk of onmiddellijk, alleen of samen met andere toegelaten instellingen, die allen deze overeenkomst zijn aangegaan, tenminste 90% van de (certificaten van de) aandelen houdt. b. Economische eigendom Een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot het vastgoed of rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt. Het belang omvat tenminste enig risico van waardeverandering. De verkrijging van uitsluitend het recht op levering wordt niet aangemerkt als verkrijging van de economische eigendom. c. Eigendom Onder eigendom wordt tenminste verstaan de economische eigendom en kan daarnaast de juridische eigendom, het recht van opstal, het recht van erfpacht of het appartementsrecht omvatten. d. Gebouw met een maatschappelijke functie Gebouw dat een bijdrage
levert aan de leefbaarheid van de lokale
gemeenschap.
e. Gebruiksoppervlakte De bruto vloeroppervlakte (BVO) van het gebouw, waarbij voor het bepalen van de BVO wordt aangesloten bij NEN 2580:2005. f. Genormeerdegrondkosten voor sociale woningbouw Onder genormeerde grondkosten voor sociale woningbouw wordt verstaan, het bedrag gelijk aan het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte (m2 BVO) toerekenbaar aan sociale woningbouw vermenigvuldigd met: - de prijzen voor sociale woningbouw per m2 BVO uitgaande van grond in bouwrijpe toestand, welke een gemeente, binnen wiens gemeentegrenzen de grond is gelegen, hanteert in haar gemeentelijk grondprijsbeleid op het moment dat oplevering van de woning of het gebouw plaatsvindt; - indien het hiervoor genoemde gemeentelijk grondprijsbeleid niet bestaat voor sociale woningbouw zal voor het toerekenen van de grondkosten voor sociale woningbouw een grondquote worden gehanteerd van 15%. g. Grondpositie De eigendom van de grond of de mogelijkheid om de eigendom van de grond te verwerven op grond van een bestaande obligatoire overeenkomst. h. Huurprijs De prijs die bij huur en verhuur verschuldigd is voor het enkele gebruik van een woning, zijnde de huurprijs zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel d van de Wet op de huurtoeslag. i. Parkeervoorziening Iedere daartoe ingerichte individuele mogelijkheid om een voertuig te stallen, niet zijnde een aanhorigheid. Voor een nadere toelichting van dit begrip wordt verwezen naar bijlage 2. j. Plintruimte De 'andere voor verhuur bestemde ruimte' zoals genoemd in artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet, welke niet kan worden aangemerkt als: - vastgoed met een maatschappelijke functie, of - ruimte die bestemd is voor de verhuur van sociale huurwoningen. Deze ruimte is maximaal 20% van het in eigendom zijnde gebruiksoppervlakte van het gebouw waarbij, uitsluitend in dit kader, het gebouw als volgt uitgelegd dient te worden: - een bouwwerk dat duurzaam met de grond is verenigd, niet eenvoudig verplaatsbaar is en wanden en een dak heeft, met daartoe behorende aanhorigheden; of - (een) gedeelte(n) van hiervoor bedoeld bouwwerk in eigendom of bezit van partij A, indien dit gebouw tevens in eigendom of bezit van anderen is; of - een samenstel van twee of meer van hiervoor bedoelde bouwwerken of gedeelten hiervan die naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. Voor voorbeelden van een gebouw wordt verwezen naar bijlage 2. k. Projectontwikkeling De verkrijging van vastgoed of van rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, met het oog op realisatie of vervreemding zoals: - het realiseren of laten
realiseren van planontwikkeling, sloop,
grondbewerking,
- het vervreemden van vastgoed of van rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, tijdens dan wel nadat realisatie plaatsvindt dan wel heeft plaatsgevonden. Onder vervreemden wordt tevens verstaan het bouwtechnisch opleveren van vastgoed of van rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, welke bestemd is voor de verhuur, door partij A zelf. l. Sociale huurwoning Een woning waarvan, bij aanvang van het boekjaar, een huurprijs per maand geldt die niet uitgaat boven het bedrag genoemd in artikel 1 3, lid 1, onderdeel a van de Wet op de huurtoeslag. m. Sociale woningbouw Onder sociale woningbouw wordt verstaan projectontwikkeling en herontwikkeling van sociale huurwoningen, inclusief plintruimten en gebouwen met een maatschappelijke functie. n. Tijdelijk verhuurde woning Een woning wordt als 'tijdelijk verhuurd' aangemerkt indien deze (op)nieuw in exploitatie is genomen na 1 januari 2006 en korter dan 5 jaren aaneengesloten door een toegelaten instelling is verhuurd, tenzij partij A kan aantonen dat de verhuur gericht was op een duurzame verhuur. o. Toegelaten instelling Lichaam toegelaten om op de voet van de Woningwet (Stb. 1 991, 439) werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting. p. Tussenvormen De exploitatievormen die afwijken van traditioneel huren en kopen. Hieronder vallen kooptussenvormen, mengtussenvormen en erfpachttussenvormen. q. Verkrijgen/Bezitten/Beheren/Vervreemden Dit is het hele traject van verkrijgen tot en met vervreemden, waaronder ook vervaardigen, exploiteren en beheren voor derden. Zie voor een nadere uitwerking bijlage 2. r. Vrijgestelde sfeer De activa en passiva waarmee de activiteiten, als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2, worden uitgevoerd, behoren tot de vrijgestelde sfeer van partij A. s. Waarde economisch verkeer (WEV) De meest waarschijnlijke prijs die bij aanbieding ter verkoop op de voor de (on)roerende zaak meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed, t. Woning Al dan niet zelfstandige woonruimte en standplaats met daartoe behorende aanhorigheden. Voor voorbeelden wordt verwezen naar bijlage2. Artikel 1.2 Betekenis overige begrippen Voor fiscale begrippen die in deze overeenkomst niet worden gedefinieerd, geldt de fiscale uitleg conform wet- en regelgeving. Hoofdstuk 2 Modellen Artikel 2.1 Algemeen Partij A kiest voor de toepassing van één van onderstaande modellen: a. model I 'juridische scheiding'; b. model II 'administratieve scheiding'. Voor een schematisch overzicht van de modellen wordt verwezen naar bijlage 3. Artikel 2.2 Model I 1. In model I is sprake van een juridische scheiding tussen vrijgestelde activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2 en belaste activiteiten zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 3.1.2. 2. In model I verricht partij A alleen vrijgestelde ctiviteiten. 3. In model I worden de belaste activiteiten fiscaal uitgevoerd voor rekening en risico van één of meerdere dochtervennootschappen. 4. Indien partij A kiest voor model I, dan voldoet zij aan de aandeelhouderstoetsen van artikel 28 van de Wet (bepaling inzake de fiscale beleggingsinstelling). Artikel 2.3 Model II 1. In model II is sprake van een administratieve scheiding tussen vrijgestelde activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2 en belaste activiteiten zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 3.1.2. 2. Indien partij A voor model II heeft gekozen, dan wel op grond van artikel 2.4 lid 3 model II van toepassing is verklaard, zijn de bepalingen van paragraaf 3.4 voor haar niet van toepassing. Artikel 2.4 Procedure 1. Partij A zal voor 1 september 2007 schriftelijk aan partij B kenbaar maken voor welk model zij opteert. Na deze datum staat de keuze voor haar fiscale positie op 1 januari 2006 onherroepelijk vast. 2. Indien partij A kiest voor model I zal zij voor 31 december 2007 haar dochtervennootschap(pen) hebben opgericht, waardoor een juridische scheiding van activiteiten mogelijk wordt gemaakt. Uiterlijk 31 december 2008 zal de eigendom van al haar vastgoed dat leidt tot de in artikel 3.1.2 lid 2 bedoelde activiteiten zijn overgedragen dan wel geleverd aan de dochtervennootschap(pen). 3. Indien partij A niet voor 1 september 2007 haar keuze schriftelijk aan partij B heeft kenbaar gemaakt of niet voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden, is model II op partij A van toepassing. 4. Indien partij A heeft gekozen voor model II, dan wel op grond van lid 3 model II van toepassing is verklaard, staat het haar vrij om - binnen het kader van deze overeenkomst - haar belaste activiteiten of een deel daarvan, over te dragen dan wel te leveren aan één of meerdere dochtervennootschappen. Indien door deze overdracht dan wel levering geen belaste activiteiten in partij A achterblijven, dan mag partij A met ingang van het nieuwe boekjaar, volgend op de laatste overdracht, opteren voor model I. Hoofdstuk 3 Belastingplicht Dit hoofdstuk geeft duidelijkheid over welke activiteiten van partij A vrijgesteld en welke activiteiten belast zijn. Tevens wordt aangegeven op welke wijze leveringen en diensten tussen belaste en vrijgestelde sfeer worden verrekend waaronder de rente over de rekening courant verhoudingen tussen de belaste en de vrijgestelde sfeer één en ander ter interpretatie van artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet. Paragraaf 3.1 Algemeen Artikel 3.1.1 Belastingplicht Partij A is belastingplichtig op grond van artikel 2, lid 1, onderdeel d van de Wet. Artikel 3.1.2 Vrijgestelde en belaste activiteiten 1. De volgende activiteiten verricht door partij A worden als vrijgestelde activiteiten aangemerkt (voor een nader gespecificeerd overzicht van de vrijgestelde activiteiten wordt verwezen naar bijlage 4): a. verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van, anders dan tijdelijke verhuurde, sociale huurwoningen; b. verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van gebouwen met een maatschappelijke functie; c. verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van andere voor verhuur bestemde ruimten voor zover deze zich binnen de plintruimte bevinden; d. uitvoeren van sociale woningbouw; e. innemen van grondposities die passen binnen de door het Ministerie van VROM vastgestelde definities; f. verrichten van diensten ten behoeve van verenigingen van eigenaren, waarvan partij A meer dan 50% van de woningen in eigendom heeft; g. verrichten van diensten ten behoeve van de dochtervennootschappen, mits deze tegen juiste verrekenprijs worden doorberekend; h. verrichten van diensten, inclusief collegiale financiering, aan andere toegelaten instellingen, dan wel aan samenwerkingsverbanden van uitsluitend toegelaten instellingen, voor zover deze diensten bij die toegelaten instellingen betrekking hebben op de overige in dit lid genoemde activiteiten, mits deze diensten tegen de juiste verrekenprijzen zoals bedoeld in paragraaf 3.2 worden doorberekend. i. houden van aandelen in een dochtervennootschap indien partij A heeft gekozen voor model I; j. beheren en bezitten van vastgoed dat is ondergebracht in de buffer als genoemd in paragraaf 3.4; k. verrichten van diensten die zijn ondergebracht in de buffer zoals genoemd in artikel 3.4.5; l. verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van mengtussenvormwoningen indien voldaan wordt aan artikel 5.1.2; m. verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van de kooptussenvormwoningen en erfpachttussenvormwoningen die als franchisewoning, als bedoeld in paragraaf 5.2, worden aangemerkt; n. verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van de kooptussenvormenwoningen, indien voldaan wordt aan de Duurzame Exploitatie Regeling, als genoemd in paragraaf 5.3. 2. Alle overige activiteiten zijn belast. 3. Onder het verrichten van diensten zoals bedoeld in lid 1 wordt mede verstaan: a. het ter beschikking stellen van personeel; b. het verstrekken van rekening-courant kredieten zoals bedoeld in paragraaf 3.3. Paragraaf 3.2 Verre ken prijzen Deze paragraaf geeft duidelijkheid over de juiste prijsvorming, zoals voor gelieerde partijen bedoeld in artikel 8b van de Wet. Tevens geeft deze paragraaf duidelijkheid over de juiste prijsvorming van onderlinge transacties tussen de vrijgestelde en de belaste sfeer (model II). Gelet op het geringe fiscale belang komen partijen uit het oogpunt van doelmatigheid en praktische uitvoerbaarheid het volgende overeen. Artikel 3.2.1 Vastgoed 1. Overdracht, dan wel levering tussen vrijgestelde en belaste sfeer van vastgoed zal plaatsvinden tegen de waarde in verhuurde staat. 2. De waarde in verhuurde staat van woningen en parkeervoorzieningen is 80% van de WOZ-waarde zoals vastgesteld in de meest recente WOZ-beschikking, conform artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, hierna te noemen "de WOZ-beschikking", geïndexeerd conform kadaster en gecorrigeerd voor een eventueel recht van erfpacht. 3. De waarde in verhuurde staat van bedrijfsmatig vastgoed en gebouwen met een maatschappelijke functie moet blijken uit een individueel taxatierapport van een gecertificeerde taxateur. 4. Van een recht van erfpacht in de zin van het tweede lid is geen sprake indien het recht van erfpacht eeuwigdurend is, dan wel voor tenminste 50 jaar is afgekocht. 5. De in het tweede lid bedoelde correctiefactor is gelijk aan 1 7 keer de zakelijk betaalde periodieke jaarlijkse erfpachtcanon. Artikel 3.2.2 Diensten 1. Alle kosten voor het verlenen van diensten worden doorbelast tegen kostprijs. Voor personele kosten wordt hierbij uitgegaan van de directe loonkosten vermeerderd met een dekkende opslag voor de indirecte kosten. 2. Bij doorbelasting van het vrijgestelde deel naar belaste delen van de organisatie en vice versa, wordt geen winstopslag in aanmerking genomen. 3. Uit de administratie van partij A moet blijken dat de doorbelasting op de wijze als in de voorgaande leden is geschied. De opslag, genoemd in lid 1, moet hierbij te herleiden zijn. Artikel 3.2.3 Projectontwikkeling (opstalrealisatie: sociale woningbouw) 1. Indien partij A haar sociale woningbouw in de dochtervennootschap (model I) uitvoert, danwel voor deze activiteit een afgescheiden administratie (model II) voert, waarin ook de overige projectontwikkeling en herontwikkeling plaatsvinden, moeten de opstallen van sociale huurwoningen, inclusief plintruimten en gebouwen met een maatschappelijke functie door de dochtervennootschap dan wel door het belaste deel van partij A tegen kostprijs overgedragen, dan wel geleverd worden aan (het vrijgestelde deel van) partij A. 2. Onder kostprijs wordt voor deze bepaling verstaan de voortbrengingskosten inclusief toerekenbare financieringskosten, vermeerderd met een dekkende opslag voor algemene kosten. 3. De in het eerste lid bedoelde opstallen kunnen slechts onder de kostprijs worden overgedragen, dan wel geleverd, indien partij A aannemelijk kan maken dat een dergelijke transactie ook door een onafhankelijke derde voor deze lagere kostprijs zou worden uitgevoerd. 4. De bij de in het eerste lid genoemde opstallen behorende grond wordt geacht tot de bezittingen van het vrijgestelde deel van partij A te behoren. Artikel 3.2.4 Projectontwikkeling (grondexploitatie en opstalrealisatie: overig vastgoed) 1. Het saldo van het resultaat uit grondexploitatie en opstalrealisatie, toerekenbaar aan andere dan sociale woningbouw, is een belastbaar resultaat uit de overige activiteiten als bedoeld in het tweede lid van artikel 3.1.2. 2. Het resultaat van de in het eerste lid bedoelde grondexploitatie is gelijk aan de residuele grondwaarde ten tijde van vervreemding van het vastgoed of van rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, in de toestand waarin dit zich op dat moment bevindt, onder aftrek van de kostprijs van de grond. 3. Het resultaat van de in het eerste lid bedoelde opstalrealisatie is gelijk aan de verkoopopbrengst van het vastgoed of van rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, verminderd met de voortbrengingskosten (dit zijn bouwkosten, toerekenbare algemene kosten en toerekenbare financieringskosten) en de residuele grondwaarde ten tijde van vervreemding van het vastgoed of van rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, in de toestand waarin dit zich op dat moment bevindt. De genormeerde winst van de opstalrealisatie bedraagt 2% van de voortbrengingskosten. 4. De in het tweede en derde lid genoemde residuele grondwaarde is gelijk aan de verkoopopbrengst van het vastgoed of van rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, verminderd met de bouwkosten, toerekenbare algemene kosten, toerekenbare financieringskosten en het in het derde lid bedoelde resultaat. 5. De in het tweede lid genoemde kostprijs van de grond is, ingeval sprake is van onbebouwde grond, gelijk aan de aankoopkosten van de grond, vermeerderd met de kosten voor bouwrijp en woonrijp maken, de toerekenbare algemene kosten en de toerekenbare financieringskosten, verminderd met genormeerde grondkosten voor sociale woningbouw. Artikel 3.2.5 Herontwikkeling 1. Artikel 3.2.4 leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op het onderhavige artikel. 2. De in het tweede lid van artikel 3.2.4 genoemde kostprijs van de grond is, ingeval sprake is van sloop van bestaande bebouwing, gelijk aan de inbrengwaarde van het in het bezit zijnde vastgoed of rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen, vermeerderd met de sloopkosten van opstallen, kosten voor bouwrijp en woonrijp maken, de toerekenbare algemene kosten en de toerekenbare financieringskosten, verminderd met genormeerde grondkosten voor sociale woningbouw. 3. Onderinbrengwaarde van bestaand vastgoed of rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen wordt verstaan 70% van de WOZ-waarde, zoals vastgesteld in de WOZ-beschikking (voor het moment van dagtekening van de sloopvergunning (artikel 20 Wet op de stads- en dorpsvernieuwing)), geïndexeerd conform kadaster en gecorrigeerd voor eventueel recht van erfpacht. 4. Van het recht van erfpacht zoals bedoeld in het derde lid is geen sprake indien het recht van erfpacht eeuwigdurend is, dan wel voor tenminste 50 jaar is afgekocht. 5. De in het derde lid bedoelde correctiefactor is gelijk aan 1 7 keer de zakelijk betaalde periodieke jaarlijkse erfpachtcanon. Artikel 3.2.6 Toerekening en realisatie van het resultaat van grondexploitatie en herontwikkeling 1. Indien partij A heeft gekozen voor model I, dan wordt het in artikel 3.2.4 en in artikel 3.2.5 bedoelde resultaat geacht te zijn behaald door de dochtervennootschap. 2. Indien partij A heeft gekozen voor model II, dan wel op grond van artikel 2.4 lid 3 model II van toepassing is verklaard, wordt het in artikel 3.2.4 en in artikel 3.2.5 bedoelde resultaat toegerekend aan de belaste sfeer, tenzij Partij A er voor heeft gekozen om de activiteiten voor rekening en risico van een dochtervennootschap uit te voeren. 3. Het in artikel 3.2.4 en 3.2.5 bedoelde resultaat wordt gerealiseerd bij de vervreemding van het vastgoed of van de rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen Paragraaf 3.3 Financiering, onderlinge leningen en rekening-courant verhoudingen/kredieten Dit onderdeel geeft duidelijkheid over de in rekening te brengen rente op de rekeningcourant verhoudingen tussen de belaste en vrijgestelde sfeer. Uitgangspunt hierbij is te zorgen voor een werkbare methodiek met een goede overgangsregeling. Bij het bepalen van de omvang van de financieringsmogelijkheid vanuit het vrijgestelde deel is rekening gehouden met de omstandigheid dat dit in voldoende mate marktconform is en met de omstandigheid dat de transactiekosten opwegen tegen een andere wijze van financieren. Artikel 3.3.1 Algemeen 1. De door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw, hierna te noemen "WSW", geborgde of door de overheid gegarandeerde leningen komen uitsluitend voor op de balans van het onbelaste deel van partij A. 2. Het werkkapitaal, waarmee de belaste activiteiten worden uitgeoefend mag gefinancierd worden middels rekening-courant kredieten tussen de vrijgestelde- en de belaste sfeer. Gedurende een hierna nader te bepalen periode mag ook het vastgoed, dat aan de belaste sfeer wordt toegerekend, gefinancierd worden middels rekening-courant kredieten tussen de vrijgestelde- en de belaste sfeer. 3. De in het tweede lid genoemde rekening-courant kredieten zullen maximaal als 3:1 in verhouding staan tot het fiscale eigen vermogen van de dochtervennootschap, dan wel van het belaste deel. Artikel 3.3.2 Werkkapitaal 1. Het werkkapitaal genoemd in het tweede lid van artikel 3.3.1 mag niet meer bedragen dan 5% van het totaal vreemd vermogen van partij A, waarbij de omvang van het werkkapitaal van de dochtervennootschap, dan wel van het belaste deel maximaal € 4.500.000,- kan bedragen. 2. Financiering van het werkkapitaal genoemd in het tweede lid van artikel 3.3.1 vindt plaats tegen marktconforme condities. 3. Voor
de berekening van de rente over het rekening-courant krediet
wordt het 1 -jaars
4. De in het derde lid bedoelde opslag is een vergoeding voor de zekerheid die partij A biedt. Artikel 3.3.3 Vastgoed in model I 1. Indien partij A heeft gekozen voor model I, dan wordt het vastgoed, dat tot de belaste activiteiten moet worden gerekend, overgedragen aan één of meer dochtervennootschappen. Deze vennootschappen mogen tijdelijk dit vastgoed deels financieren door middel van een rekening-courant krediet bij partij A. 2. De in het tweede lid van artikel 3.3.1 genoemde periode eindigt voor de financiering van dit vastgoed op 31 december 2008; het vastgoed zal dan, voor zover noodzakelijk, geherfinancierd zijn. 3. De condities van dit rekening-courant krediet dienen marktconform te zijn. 4. Voor de berekening van de rente over het rekening-courant krediet betekent dit, dat uitgegaan wordt van een tien jaar fixe lening, waarbij het rente tarief wordt vastgesteld op het geldende 10 jarige IRS tarief verhoogd of verlaagd met de gemiddelde spread, zoals deze wordt gepubliceerd door het WSW. Voor het tarief en de spread gelden de publicaties op de dag van keuze door partij A voor model I. Indien de dag van keuze geen werkdag is, geldt de eerste werkdag na keuze als de peildatum voor tarief en spread. 5. Indien het vastgoed op een later tijdstip wordt geleverd en geen deel uitmaakt van het over te dragen bezit per 1 januari 2006 geldt voor het bepalen van de dag, zoals bedoeld in lid 4, de werkdag waarop het vastgoed wordt geleverd. De overige bepalingen blijven hierbij onverminderd van kracht. Artikel 3.3.4 Vastgoed in model II 1. Indien partij A heeft gekozen voor model II, dan wel op grond van artikel 2.4 lid 3 model II van toepassing is verklaard, kan het vastgoed, dat tot de belaste activiteiten moet worden gerekend, indien voldaan wordt aan de in het tweede lid gestelde voorwaarde, door middel van een rekening-courant krediet door het vrijgestelde deel van partij A worden gefinancierd. 2. Financiering is mogelijk tot maximaal de boekwaarde gebaseerd op de (historische) kostprijs onder aftrek van afschrijvingen. 3. De in het tweede lid van artikel 3.3.1 genoemde periode is voor dit vastgoed gelijk aan de looptijd van deze vereenkomst. 4. De condities van deze rekening-courant kredieten dienen marktconform te zijn. 5. Voor de berekening van de rente over het rekening-courant krediet betekent dit dat uitgegaan wordt van een tien jaar fixe lening, waarbij het rente tarief wordt vastgesteld op het geldende 10 jarige IRS tarief verhoogd of verlaagd met de gemiddelde spread, zoals deze wordt gepubliceerd door het WSW. Voor het tarief en de spread gelden de publicaties op de dag van keuze door partij A voor model II. Indien de dag van keuze geen werkdag is, geldt de eerste werkdag na keuze als de peildatum voor tarief en spread. Is op grond van artikel 2.4 lid 3 model II van toepassing verklaard, dan gelden voor het tarief en de spread de publicaties op 31 augustus 2007. 6. Indien op een later tijdstip dan de in lid 6 bedoelde datum vastgoed in het belaste deel komt te vallen geldt voor het bepalen van de dag zoals vermeld in lid 4 de eerste werkdag waarop het vastgoed binnen het belaste deel valt. De overige bepalingen blijven hierbij onverminderd van kracht. 7. Indien er op het in dit artikel bedoelde vastgoed een specifieke, niet door het WSW geborgde lening, is aangetrokken worden de rentekosten van deze lening doorbelast aan de belaste activiteiten. Artikel 3.3.5 Overgangsbepaling bestaande financieringen Partij A zal bestaande financieringsverhoudingen met de dochtervennootschap(pen) uiterlijk 31 december 2008 in overeenstemming brengen met het bepaalde in de artikelen 3.3.1 tot en met 3.3.4. Onder bestaande financieringsverhoudingen wordt in het kader van deze bepaling verstaan financieringsverhoudingen die bestonden op 31 december 2006. Paragraaf 3.4 Buffer Voor de uitvoering van deze overeenkomst geldt als uitgangspunt dat partij A voor al haar activiteiten belastingplichtig is in de zin van artikel 2, lid 1, onderdeel d van de Wet. Indien partij A kiest voor model I verricht zij slechts activiteiten die op de voet van artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet voor de heffing van vennootschapsbelasting subjectief vrijgesteld zijn, aangezien de belaste activiteiten in de dochtervennootschap zijn ondergebracht. Het is dan echter mogelijk dat bepaalde activiteiten - doorgaans van geringe omvang - door onvoorziene omstandigheden niet meer kwalificeren als activiteiten als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1 .2, en dan op grond van het tweede lid van artikel 3.1 .2 leiden tot belastingplich t. Gel et op het bovenstaande en de intentie van partij A, die kiest voor model I, om binnen de door artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet gestelde kaders voor subjectieve vrijstelling te blijven, is uit het oogpunt van doelmatigheid en praktische uitvoerbaarheid een buffer ontwikkeld. Door de buffer zullen bepaalde activiteiten, doorgaans van geringe omvang, niet onmiddellijk tot belastingplicht van partij A leiden. De buffer heeft een - hierna per onderwerp omschreven - omvang. Bij het bereiken van deze omvang zullen de activiteiten die niet onder voornoemde subjectieve vrijstelling kunnen worden gebracht, worden overgebracht naar de dochtervennootschap (met uitzondering van de buffer diensten, omdat hier sprake is van een absolute grens). De omvang van de buffer is zodanig dat de transactiekosten van de overdracht opwegen tegen de bij de activiteiten gegenereerde baten. Artikel 3.4.1 Buffer woningen 1. Indien op 31 december, hierna te noemen "peildatum" van enig jaar partij A: a. meer dan 100 woningen, waarvan het bezit niet is vrijgesteld als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2, in bezit heeft, zal zij de eigendom van deze woningen overdragen, dan wel leveren aan haar dochtervennootschap of een andere rechtspersoon; b. gedurende meer dan vijf jaar woningen, waarvan het bezit niet is vrijgesteld als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2, in bezit heeft, zal zij de eigendom van deze woningen overdragen, dan wel leveren aan haar dochtervennootschap of een andere rechtspersoon. 2. Overdracht, van tenminste de economische eigendom, van de in het eerste lid onderdeel a en b bedoelde woningen zal per peildatum plaatsvinden tegen de waarde in verhuurde staat zoals bepaald in tweede lid van artikel 3.2.1. 3. De in het kader van het eerste lid onderdeel a of b overgedragen woningen komen vanaf 1 januari (eerste dag na de peildatum) voor rekening en risico van de dochtervennootschap. 4. Levering van de juridische eigendom van de in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde woningen, dan wel ondertekening en registratie bij de Belastingdienst van de overeenkomst, waarmee de economische eigendom van deze woningen is overgedragen, zal plaatsvinden voor 1 juli van het jaar volgend op de peildatum. 5. Vanaf de peildatum mag partij A opnieuw een buffer voor de woningen opbouwen. Artikel 3.4.2 Buffer parkeervoorzieningen 1. Indien op peildatum van enig jaar partij A meer dan 1 00 parkeervoorzieningen, waarvan het bezit niet is vrijgesteld als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2, in bezit heeft, zal zij de eigendom van deze parkeervoorzieningen overdragen, dan wel leveren aan haar dochtervennootschap of een andere rechtspersoon. 2. Overdracht, van tenminste de economische eigendom, van de in het eerste lid bedoelde parkeervoorzieningen zal per peildatum plaatsvinden tegen de waarde in verhuurde staat zoals bepaald in tweede lid van artikel 3.2.1. 3. De in het kader van het eerste lid overgedragen parkeervoorzieningen komen vanaf 1 januari (eerste dag na de peildatum) voor rekening en risico van de dochtervennootschap. 4. Levering van de juridische eigendom van de in het eerste lid bedoelde parkeervoorzieningen, dan wel ondertekening en registratie bij de Belastingsdienst van de overeenkomst, waarmee de economische eigendom van deze parkeervoorzieningen is overgedragen, zal plaatsvinden voor 1 juli van het jaar volgend op de peildatum. 5. Vanaf de peildatum mag partij A opnieuw een buffer voor de parkeervoorzieningen opbouwen. Artikel 3.4.3 Buffer bedrijfsmatig vastgoed 1. Indien op peildatum van enig jaar partij A a. meer dan 1.000 m2 gebruiksoppervlakte bedrijfsmatig vastgoed, waarvan het bezit niet is vrijgesteld als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2, in bezit heeft, zal zij de eigendom van dit bedrijfsmatige vastgoed overdragen, dan wel leveren aan haar dochtervennootschap of een andere rechtspersoon; b. gedurende meer dan vijf jaar bedrijfsmatig vastgoed, waarvan het bezit niet is vrijgesteld als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2, in bezit heeft, zal zij de eigendom van dit bedrijfsmatige vastgoed overdragen, dan wel leveren aan haar dochtervennootschap of een andere rechtspersoon. 2. Overdracht, van tenminste de economische eigendom, van de in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoeld bedrijfsmatig vastgoed zal per peildatum plaatsvinden tegen de waarde in verhuurde staat zoals bepaald in derde lid artikel 3.2.1. 3. De in het kader van het eerste lid onderdeel a of b overgedragen vastgoed komt vanaf 1 januari (eerste dag na de peildatum) voor rekening en risico van de dochtervennootschap. 4. Levering van de juridische eigendom van het in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoeld bedrijfsmatig vastgoed, dan wel ondertekening en registratie bij de Belastingdienst van de overeenkomst, waarmee de economische eigendom van dit vastgoed is overgedragen, zal plaatsvinden voor 1 juli van het jaar volgend op de peildatum. 5. Vanaf de peildatum mag partij A opnieuw een buffer voor het bedrijfsmatig vastgoed opbouwen. Artikel 3.4.4 Buffer: vervreemding aan derden 1. Indien vastgoed - als genoemd inde artikelen 3.4.1 tot en met 3.4.3, al dan niet voor het bereiken van de in die artikelen genoemdemaxima - wordt vervreemd aan derden, dan wordt deze vervreemding geacht te hebben plaatsgevonden via de dochtervennootschap. De behaalde vervreemdingswinst komt daarmee tot uiting in het resultaat van de dochtervennootschap. 2. Onder derden als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan: a. partij A; b. een dochtervennootschap van partij A. Artikel 3.4.5 Buffer commerciële diensten 1. Indien partij A diensten verricht, die niet onder de vrijgestelde activiteiten van het eerste lid van artikel 3.1.2 vallen, zijn deze diensten tot een bruto omzet van € 1 00.000,- (exclusief BTW) per boekjaar onder te brengen in de buffer. 2. Indien deze grens van € 1 00.000,- dreigt te worden overschreden, worden ter voorkoming van deze overschrijding activiteiten overgedragen aan een dochtervennootschap of een andere rechtspersoon. Hoofdstuk 4 Openingsbalans Dit onderdeel geeft duidelijkheid over de waarderingsregels voor de fiscale openingsbalans per 1 januari 2006 voor de dochtervennootschap(pen) van partij A of voor de belaste activiteiten van partij A indien zij kiest voor model II, dan wel op grond van artikel 2.4 lid 3 model II van toepassing is verklaard. Paragraaf 4.1 Algemeen Artikel 4.1.1 Algemeen 1. De bezittingen en schulden, die toegerekend moeten worden aan de overige activiteiten als bedoeld in het tweede lid van artikel 3.1.2 worden per 1 januari 2006 op de fiscale balans opgenomen tegen waarde in het economisch verkeer. 2. In de hierna volgende artikelen wordt voor bepaalde bezittingen en schulden beschreven op welke wijze de waarde in het economisch verkeer zal worden bepaald. Paragraaf 4.2 Verhuurd vastgoed Artikel 4.2.1 Woningen in verhuurde staat 1. Waarde in het economisch verkeer voor woningen in verhuurde staat is 90% van de WOZ waarde per 1 januari 2006. 2. Een woning is in verhuurde staat, indien het geen tijdelijk verhuurde woning is. 3. Omdat bij de waarde in het economisch verkeer als bedoeld in het eerste lid rekening is gehouden met de afschrijving over het jaar 2006, wordt in 2006 over woningen in verhuurde staat niet meer afgeschreven. 4. De in het eerste lid genoemde waarde wordt in geval van een recht van erfpacht gecorrigeerd met een waardedrukkende factor. 5. Van een recht van erfpacht zoals bedoeld in het vierde lid is geen sprake indien het recht van erfpacht eeuwigdurend is, dan wel voor tenminste 50 jaar is afgekocht. 6. De in het vierde lid bedoelde factor is gelijk aan 1 7 keer de zakelijk betaalde periodieke jaarlijkse erfpachtcanon. Artikel 4.2.2 Bedrijfsmatig vastgoed 1. Waarde in het economisch verkeer voor bedrijfsmatig vastgoed is de waarde in verhuurde staat. 2. De waarde in verhuurde staat moet blijken uit een individueel taxatierapport van een gecertificeerde taxateur. Paragraaf 4.3 Projectontwikkeling Artikel 4.3.1 Projectontwikkeling (grondexploitatie en opstalrealisatie) 1. Nieuwbouwprojecten en herontwikkelingsprojecten worden op een zelfde wijze gewaardeerd als bedoeld in artikel 3.2.3, 3.2.4 en 3.2.5 inzake verrekenprijzen, waarbij een expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen de fasen van grondexploitatie en van opstalrealisatie. 2. Het resultaat van de grondexploitatie, zoals aangegeven in artikel 3.2.4 en artikel 3.2.5, wordt eerst bij vervreemding van het vastgoed of van de rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen geacht te zijn behaald door een dochtervennootschap (model I) of binnen de belaste sfeer (model II). In dat kader zullen in het tijdvak dat de grondexploitatie wordt uitgevoerd deze activiteiten niet op de fiscale openingsbalans worden gewaardeerd. 3. Het saldo van het resultaat uit grondexploitatie, toerekenbaar aan andere dan sociale woningbouw, is eerst vanaf 1 januari 2006 een fiscaal belastbaar resultaat. Het tot 1 januari 2006 onbelaste resultaat van de grondexploitatie wordt bij vervreemding van het vastgoed of van de rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen berekend, door het gerealiseerde grondexploitatieresultaat lineair in de tijd toe te rekenen aan het tijdvak van aanschaf van de grondpositie (bij nieuwbouw), c.q. start grondexploitatie bij herontwikkeling (sloopbesluit) tot moment dat deze geacht is te zijn gerealiseerd door vervreemding van het vastgoed of van de rechten waaraan dit vastgoed is onderworpen. 4. Nieuwbouwprojecten en herontwikkelingsprojecten, die zich op 1 januari 2006 in de realisatiefase bevinden van de opstalrealisatie (na start bouw opstalrealisatie) worden gewaardeerd op de voortbrengingskosten van de opstalrealisatie, waarbij de genormeerde winst van de opstalrealisatie (2% van de verwachte voortbrengingskosten) gefaseerd aan het project wordt toegerekend. 5. Voor de te hanteren percentages van het deel van het opstalresultaat dat per fase als fiscaal resultaat zal worden verantwoord, wordt verwezen naar bijlage 5. Paragraaf 4.4 Overige bezittingen en schulden Artikel 4.4.1 Rekening-courantverhoudingen/kredieten 1. De door het WSW geborgde leningen worden uitsluitend toegerekend aan de in het eerste lid van artikel 3.1.2 genoemde vrijgestelde activiteiten. 2. Rekening-courantverhoudingen ontstaan per 1 januari 2006 als bedoeld in paragraaf 3.3 worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Artikel 4.4.2 Zelfgevormde goodwill 1. Zelfgevormde goodwill kan alleen op de openingsbalans worden geactiveerd indien deze meer bedraagt dan € 2.500.000,-. 2. Op zelfgevormde goodwill kan niet worden afgeschreven. Artikel 4.4.3 Dochtervennootschappen, deelnemingen 1. Deelnemingen die voor 1 januari 2006 zijn aangekocht worden op de openingsbalans opgenomen voor de zichtbaar intrinsieke waarde. 2. Het opgeofferde bedrag wordt vastgesteld op de zichtbaar intrinsieke waarde van de deelneming per 1 januari 2006. 3. Indien partij A voor model II heeft gekozen, dan wel op grond van artikel 2.4 lid 3 model II van toepassing is verklaard, kan zij de deelnemingen aan de vrijgestelde sfeer toerekenen. Hoofdstuk 5 Tussenvormen Indien partij A kiest voor model I verricht zij slechts activiteiten die op de voet van artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet voor de heffing van vennootschapsbelasting subjectief vrijgesteld zijn, aangezien de belaste activiteiten in de dochtervennootschap zijn ondergebracht. Het is dan echter mogelijk dat bepaalde activiteiten - doorgaans van geringe omvang - door onvoorziene omstandigheden niet meer kwalificeren als activiteiten als bedoeld in het eerste lid van artikel 3. 1 .2 en dan op grond van het tweede lid van artikel 3. 1 .2 leiden tot belastingplicht. Gel et op het bovenstaande en de intentie van partij A, die kiest voor model I, om binnen de door artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet, gestelde kaders voor subjectieve vrijstelling te blijven, is uit het oogpunt van doelmatigheid en praktische uitvoerbaarheid, een franchise ontwikkeld. Deze franchise houdt in dat de fiscale behandeling van 1000 tussenvormwoningen tot de vrijstelling voor partij A worden gerekend. Indien partij A kiest voor model II, dan wel op grond van artikel 2.4 lid 3 model II van toepassing is verklaard, verricht zij activiteiten die op de voet van artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet, partieel subjectief vrijgesteld zijn, en activiteiten waarvoor zij partieel belastingplichtig is. Doordat als uitgangspunt geldt dat Partij A belastingplichtig is in de zin van artikel 2, lid 1, onderdeel d van de Wet, kan dit tot gevolg hebben dat de fiscale behandeling van tussenvormen leidt tot een lager deel van die activiteiten waarvoor zij partieel subjectief is vrijgesteld. Uit het oogpunt van doelmatigheid en praktische uitvoerbaarheid is een franchise ontwikkeld waarin de fiscale behandeling van 1000 tussenvormwoningen tot de partiële vrijstelling voor partij A worden gerekend. Uit artikel 5, lid 1, onderdeel d van de Wet en uit de parlementaire behandeling blijkt niet duidelijk de reikwijdte van de vrijstelling. Om deze reikwijdte in verband met tussenvormwoningen vast te stellen en ter voorkoming van onnodige administratieve lastenverzwaring, is de Duurzame Exploitatie Regeling, zoals bedoeld in paragraaf 5.3, van toepassing. Paragraaf 5.1 Algemeen Artikel 5.1.1 Betekenis begrippen In aanvulling op artikel 1.1 worden in het kader van deze overeenkomst en uitsluitend voor de toepassing van deze overeenkomst de hierna genoemde begrippen, als volgt gedefinieerd.
a.
Bestaande woning
woning welke nieuw gesticht is voor 1
januari 2006 of
b. Erfpachttussenvormen Tussenvormen waarbij de bewoner de economische eigendom van de woning en een recht van erfpacht op de grond heeft. Hierbij is de canon niet afgekocht, maar wordt in het algemeen maandelijks betaald. c. Exploitatieresultaat Resultaat van de baten en de lasten gedurende de verhuurperiode. d. Franchise woningen Kooptussenvormwoningen of erfpachttussenvormwoningen die onder de franchiseregeling vallen. e. Kooptussenvormen Tussenvormen waarbij de woning (eventueel met
korting) wordt verkocht en waarbij de koper eventueel
verplicht is de woning bij (door)verkoop als eerste aan te
bieden aan partij A. Hierbij kan worden afgesproken dat
eventuele winsten of verliezen worden gedeeld.
f. Mengtussen vormen Tussenvormen waarbij de woning gedeeltelijk wordt verkocht en gedeeltelijk wordt verhuurd. g. Nieuwbouwwoning Nieuw gestichte woning na 1 januari 2006, welke na eerste ingebruikname niet tenminste vijf jaren aaneengesloten is verhuurd. h. Tussenvormwoning Een met een sociale huurwoning gelijk te stellen woning
welke beleidsmatig door partij A als zodanig is aangewezen en
behoort tot één van de volgende
categorieën:
i. Verkoopresultaat Resultaat van de kosten en baten bij verkoop, waaronder mede begrepen de waardeaangroei of waardevermindering van de woning. Artikel 5.1.2 Mengtussenvormen 1. Het verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van mengtussenvormen worden als vrijgestelde activiteiten aangemerkt indien de fictieve huurprijs van de woning niet uitgaat boven het bedrag genoemd in artikel 1 3, lid 1, onderdeel a van de Wet op de huurtoeslag. 2. De in het eerste lid genoemde fictieve huurprijs wordt bepaald door de werkelijke huurprijs van de mengtussenvormwoning te delen door het percentage van de mengtussenvormwoning dat is verhuurd en vervolgens te vermenigvuldigen met 100%. Paragraaf 5.2 Kooptussenvormen en erfpachttussenvormen: Franchise Regeling Partij A heeft voor de kooptussenvormwoningen en de erfpachttussenvormen recht op de Franchise Regeling. Artikel 5.2.1 Vrijgestelde resultaten Bij een franchisewoning vallen de volgende resultaten onder de vrijstelling als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2: a. exploitatieresultaat waarbij zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de commerciële jaarrekening van partij A; b. verkoopresultaten; c. resultaten die met terugkooprechten c.q. -plichten worden verkregen. Artikel 5.2.2 Franchisewoningen De volgende woningen worden per 1 januari 2006 als franchisewoningen aangemerkt waarbij de hierna beschreven volgorde dwingend is voorgeschreven: a. alle woningen die als kooptussenvormwoning of erfpachttussenvormwoning (gedeeltelijk) zijn verkocht en (gedeeltelijk) eigendom zijn van derden; b. de woningen die door partij A beleidsmatig als kooptussenvormwoning of erfpachttussenvormwoning zijn aangemerkt maar nog (volledig) eigendom zijn van partij A. Artikel 5.2.3 Nieuwbouwwoningen Nieuwbouwwoningen kunnen alleen in de zin van artikel 5.2.2 als franchisewoning worden gekwalificeerd indien deze na 1 januari 2006 voor ten minste vijf jaren verhuurd zijn geweest. In dat geval worden zij in het kader van dit hoofdstuk als bestaande woningen behandeld. Artikel 5.2.4 Omvang franchise 1. De omvang van de franchise is beperkt tot maximaal 1.000 kooptussenvormwoningen en /of erfpachttussenvormwoning en. 2. Indien en voor zover partij A op 1 januari 2006 minder dan 1.000 kooptussenvormwoningen en/of erfpachttussenvormwoningen als franchisewoning kan aanmerken omdat niet meer woningen als franchisewoningen kwalificeren, kan het restant van de franchise gedurende de looptijd van deze overeenkomst worden benut. 3. Een franchisewoning valt niet langer meer onder de franchise indien: a. de franchisewoning anders dan als kooptussenvormwoning of erfpachttussenvormwoning wordt verkocht; b. tenminste 5 jaar is verhuurd, vanaf het moment dat deze woning beleidsmatig niet meer is aangewezen als kooptussenvormwoning of erfpachttussenvormwoning. 4. De vrijgekomen franchise op basis van lid 3 kan gedurende de looptijd van deze overeenkomst opnieuw worden benut. Artikel 5.2.5 Alleen eigen gebruik Indien en voor zover de franchise niet volledig is benut, kan deze niet aan een andere toegelaten instelling worden overgedragen of anderszins aan een ander ter beschikking worden gesteld. Artikel 5.2.6 Maximum franchise bereikt 1. Indien en voor zover partij A op enig moment meer dan 1.000 kooptussenvormwoningen en/of erfpachttussenvormwoningen als franchisewoning kan aanmerken geldt voor de kooptussenvormwoningen en/of erfpachttussenvormwoningen die de 1.000 overschrijden en dus niet meer als franchisewoningen kunnen worden aangemerkt, het volgende: a. het verkrijgen, beheren, bezitten en vervreemden van erfpachttussenvormen is belast; b. indien voldaan wordt aan de Duurzame
Exploitatie Regeling, als genoemd in paragraaf
Paragraaf 5.3 Kooptussenvormen: Duurzame Exploitatie Regeling Indien en voorzover kooptussenvormwoningen niet in de franchise regeling kunnen worden ondergebracht is de Duurzame Exploitatie Regeling van toepassing. Artikel 5.3.1 Bestaande bouw: vrijgestelde resultaten 1. Bij een bestaande woning vallen de volgende resultaten onder de vrijstelling als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.2: a. verkoopresultaat en/of exploitatieresultaat voor zover de sociale huurwoning door partij A voor 1 januari 2006 werd verhuurd en na deze datum voor de eerste keer is of wordt verkocht als kooptussenvormwoning; b. waardeaangroei van sociale huurwoningen voor 1 januari 2006 verkocht als kooptussenvormwoning tot aan de eerste terugkoop na 1 januari 2006; c. exploitatieresultaat en eventueel (ver)koopresultaat van sociale huurwoningen (terug)gekocht na 1 januari 2006 indien de (tussentijdse) aaneengesloten huurperiode direct voorafgaande aan een eventuele volgende verkoop langer dan vijf jaar is en het een sociale huurwoning betreft. 2. Het koop-, verkoop- en exploitatieresultaat van een nieuwbouwwoning is in beginsel belast. Een nieuwbouwwoning wordt evenwel aangemerkt als een bestaande woning indien en voor zover een nieuwe sociale huurwoning van na 1 januari 2006 vanaf eerste ingebruikname tenminste vijf jaren aaneengesloten is verhuurd. Voor de fiscale behandeling van nieuwbouwwoningen die als tussenvormwoningen worden aangemerkt, wordt er vanuit gegaan dat elke nieuwbouwwoning als bestaande woning kwalificeert en dat daarom aan de gestelde voorwaarden zal worden voldaan. Het eerste lid wordt naar analogie toegepast. Zodra evenwel niet meer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan waardoor geen sprake is van een bestaande woning, worden alle terugkoop-, exploitatie- en verkoopresultaten die vanwege activiteiten met- en eigendom van deze woningen worden verkregen vanaf het tijdstip van de ontwikkelings- en bouwfase in de belastingheffing betrokken van het boekjaar waarin niet meer aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan. 3. Bij het bepalen van het exploitatieresultaat sluit partij A zoveel mogelijk aan bij de verantwoording ervan in zijn commerciële jaarrekening. Voor toerekening van financieringskosten hanteert partij A de werkelijk betaalde financieringskosten. Indien dit niet mogelijk is, relateert partij A de gemiddelde rentestand van het desbetreffende jaar aan de waarde van de desbetreffende woningen. 4. Ook in geval van sfeerovergangen kunnen financieringslasten worden toegerekend als bedoeld in artikel 3.3.3 lid 4. Voor de bepaling van de datum zoals genoemd in artikel 3.3.3 lid 4 wordt uitgegaan van de datum zoals bepaald in dit laatste artikel. Indien de in lid 1 genoemde woning op een later tijdstip is aangewezen als kooptussenvormwoning kan worden uitgegaan van de datum waarop deze aanwijzing heeft plaatsgevonden. Alle overige resultaten zijn belast. 5. Indien en voor zover niet aan de voorwaarden van de leden 1 tot en met 4 wordt voldaan, vallen de in deze leden beschreven resultaten van de betreffende kooptussenvormwoning(en) niet onder de vrijstelling. Alle terugkoop-, exploitatie- en verkoopresultaten die vanwege activiteiten met- en eigendom van deze woningen worden verkregen, worden vanaf het tijdstip van de laatste terugkoop door partij A in de belastingheffing betrokken van het jaar waarin niet meer aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan. Artikel 5.3.2 Verkoop niet aan huurder 1. In uitzondering op artikel 5.3.1 is de Duurzame Exploitatie Regeling niet van toepassing indien na verhuur van een woning, voor tenminste vijf jaren, deze aan dezelfde huurder wordt verkocht. 2. Met huurder worden gelijkgesteld: a. de gehuwde of ongehuwde partner van de huurder; b. één of meerdere medebewoners van de woning, waarbij als medebewoner worden aangemerkt de personen die in het bevolkingsregister op het betreffende adres staan ingeschreven. 3. Indien en voor zover het in het eerste lid bedoelde feit zich - behoudens tegenbewijs - voordoet, worden alle terugkoop-, exploitatie- en verkoopresultaten die vanwege activiteiten met- en eigendom van deze woningen worden verkregen vanaf het tijdstip van de laatste terugkoop door partij A in de belastingheffing betrokken van het jaar waarin het in het eerste lid bedoelde feit zich voordoet. Hoofdstuk 6 Controle Dit hoofdstuk geeft duidelijkheid over de wijze waarop het toezicht op de naleving van fiscale wettelijke bepalingen en de naleving van de overeenkomst wordt vormgegeven. Hierbij wordt maximaal gesteund op de eigen verantwoordelijkheid en het eigen toezicht van partij A. Paragraaf 6.1 Algemeen Artikel 6.1.1 Doel controle De door partij B in te stellen controle is er op gericht om vast te stellen of partij A de in deze overeenkomst genoemde afspraken nakomt. Artikel 6.1.2 Wijze waarop controle plaatsvindt 1. De in het voorgaande artikel genoemde controle zal plaatsvinden door middel van de beoordeling van de administratieve organisatie en de interne beheersmaatregelen van partij A. 2. Partij B zal bij de beoordeling zoveel mogelijk gebruik maken van: a. de reeds uitgevoerde werkzaamheden van een eventueel verbijzonderde controlfunctie c.q. interne accountantsdienst; b. de reeds uitgevoerde werkzaamheden van de toezichthoudende instanties; c. de reeds uitgevoerde werkzaamheden van de externe accountant. 3. Indien blijkt dat partij A zich niet of niet volledig houdt aan de in deze overeenkomst genoemde afspraken of de administratieve organisatie en de interne beheersmaatregelen niet toereikend zijn gebleken, kan partij B de controle uitbreiden. Artikel 6.1.3 Wettelijke bepalingen Onverminderd de in paragrafen 6.2 en 6.3 genoemde afspraken zijn de bepalingen van hoofdstuk VIII, afdeling 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen onverkort van toepassing. Paragraaf 6.2 Inrichting administratie Artikel 6.2.1 Algemeen Partij A dient haar administratie zodanig in te richten dat daaruit te allen tijde kan worden afgeleid dat zij aan de in deze overeenkomst gestelde voorwaarden voldoet. Artikel 6.2.2 Verklaring dochtervennootschappen Partij A neemt de in de aanhef van deze overeenkomst (onder derdenbeding) bedoelde door de dochtervennootschap(pen) ondertekende verklaring(en) op in haar administratie. Artikel 6.2.3 Plintruimte 1. Van alle gebouwen met plintruimte zal de administratie van partij A te allen tijde inzicht verschaffen in de verdeling tussen het vrijgestelde deel en het belaste deel van het gebouw op basis van bruto vloeroppervlakte op jaarbasis. 2. PartijA zal een duidelijke beschrijving hebben van de typering en het samenstel van het (de) gebouw(en) met plintruimte. Artikel 6.2.4 Gebouw met maatschappelijke functie Voor gebouwen met een maatschappelijke functie moet partij A aannemelijk maken dat sprake is van een gebouw met een maatschappelijke functie in de zin van artikel 1.1. Zij zal hiervoor een onderbouwing moeten geven in haar administratie. Artikel 6.2.5 Verdeling van kosten en in rekening brengen van kosten Partij A zal zorg dragen voor een consistente methode van verdeling van de kosten tussen belaste en onbelaste activiteiten op basis van bedrijfseconomische grondslagen. Deze methode wordt schriftelijk vastgelegd waarbij gemotiveerd en gedocumenteerd wordt aangegeven hoe partij A tot deze verdeelmethodiek is gekomen. Artikel 6.2.6 Verdeling van activiteiten Indien partij A kiest voor model II, dan wel op grond van artikel 2.4 lid 3 model II van toepassing is verklaard, zal partij A zorg dragen voor een inzichtelijke verdeling van belaste en vrijgestelde activiteiten conform het gestelde in artikel 3.1.2 en het in bijlage 4 opgenomen activiteitenoverzicht. Indien een activiteit niet op het overzicht voorkomt, zal partij A zorgen voor een gedocumenteerde onderbouwing van de keuze van de fiscale behandeling van deze activiteit. Tevens moet partij A de nieuwe activiteit aan de verdeling in haar schema toevoegen. Artikel 6.2.7 Transacties tussen vrijgestelde en belaste sfeer Voor de transacties tussen de vrijgestelde en de belaste sfeer zal de administratie van partij A te allen tijde inzicht verschaffen in de gehanteerde verrekenprijzen conform het gestelde in paragraaf 3.2. Artikel 6.2.8 Buffer 1. Indien partij A kiest voor model I zal de administratie van partij A te allen tijde inzicht verschaffen in het verloop van de buffer. 2. Partij A neemt hiertoe in haar administratie in ieder geval de volgende gegevens op: a. het aantal huurwoningen waarvan het bezit niet is vrijgesteld; b. het aantal parkeervoorzieningen waarvan het bezit niet is vrijgesteld; c. het aantal m2 gebruiksoppervlakte bedrijfsmatig vastgoed; d. de hoogte van de omzet voortvloeiend uit de belaste dienstverlening; e. de gegevens van het vervreemde vastgoed zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3.4.4 alsmede de gegevens van de derden als bedoeld in het tweede lid van artikel 3.4.4. Artikel 6.2.9 Openingsbalans In het kader van de openingsbalans zal de administratie van partij A inzicht verschaffen in: a. de hoogte en de wijze van bepaling van de waarde in het economisch verkeer van de materiële vaste activa die op de openingsbalans staan. Deze waardering zal plaatsvinden per gebouw, waarbij partij A een duidelijke beschrijving heeft van de typering c.q. de samenstelling van het (de) gebouw(en); b. de onderbouwing van de waardering van de projecten in ontwikkeling zoals bepaald in paragraaf 4.3; c. de onderbouwing van de waardering van de rekening-courantverhouding zoals bepaald in artikel 4.4.1. Artikel 6.2.10 Informatie ten behoeve van evaluatie tussenvormwoningen De administratie van partij A zal, met betrekking tot de tussenvormwoningen, jaarlijks per 31 december, inzicht verschaffen in de volgende informatie: a. het aantal tussenvormwoningen; b. het aantal verkochte tussenvormwoningen gedurende het jaar; c. de (fictieve) huurwaarde per woning; d. categorie tussenvormen per woning; e. gemiddelde doorlooptijden verhuur- en verkoopperiode per woning; f. de WOZ waarde per woning; g. exploitatieresultaat per
jaar (indien niet per woning te bepalen, mag dit per
complex);
Artikel 6.2.11 Benodigde gegevens Franchise Regeling Om voor de Franchise Regeling in aanmerking te komen zal partij A vòòr 1 april van ieder jaar een overzicht opstellen met per franchisewoning de volgende gegevens (peildatum van het voorafgaande jaar): a. kadastrale gegevens; b. huidige eigenaar (juridisch/economisch); c. huuropbrengsten en de daarmee gepaard gaande kosten; d. VHE nummer/ eenheidsnummer van de woning. Paragraaf 6.3 Informatie (kwaliteit en verstrekking) Artikel 6.3.1 Kwaliteitseisen 1. Onverkort de in hoofdstuk VIII afdeling 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde wettelijke eisen welke aan de kwaliteit van de informatie gesteld zijn, zal partij A in het bijzonder aandacht besteden aan de: a. toegankelijkheid van de informatie; b. beschikbaarheid van de informatie binnen redelijke termijn; c. integriteit van de gegevens; d. bewaring van de gegevens. 2. Vermindering van de administratieve last door het in digitale vorm bewaren van de basisbescheiden is mogelijk na overleg tussen partijen. Artikel 6.3.2 Verstrekking van rapportage Partij A draagt er zorg voor dat partij B inzage krijgt in de rapportage van de bevindingen van zowel de interne als de externe toezichthoudende instanties. Artikel 6.3.3 Bestuursverklaring Ten tijde van het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting verstrekt partij A een bestuursverklaring waarin de bestuurder van partij A verklaart: a. de verantwoordelijkheid te aanvaarden voor de opzet en werking van de risicobeheersmaatregelen en controlesystemen; b. dat er in het boekjaar zelfstandig en op systematische wijze de beheersing van de bedrijfrisico's en fiscale risico's van de organisatie zijn geanalyseerd en beoordeeld; c. dat er binnen de organisatie naar aanleiding van deze beoordelingen rapportages zijn opgesteld die besproken zijn met de auditcommissie en/of Raad van Commissarissen; d. dat de aangifte vennootschapsbelasting opgesteld is conform de uitgangspunten en bepalingen van deze overeenkomst. Hoofdstuk 7 Overige bepalingen Artikel 7.1 Heffingsrente/invorderingsrente Heffingsrente en invorderingsrente worden (indien van toepassing) berekend conform de wettelijke bepalingen. Artikel 7.2 Looptijd van de overeenkomst 1. Dezeovereenkomst heeft een looptijd van 5 kalenderjaren en geldt tot en met 31 december 201 0. 2. Deze overeenkomst kan door partijen, met inachtneming van een redelijke opzegtermijn, aangaande de onderdelen waarop zulks betrekking heeft, worden opgezegd met ingang van het tijdstip waarop: a. een relevante wetswijziging in werking treedt; b. een wijziging van de relevante op de Woningwet gebaseerde voorschriften plaatsvindt; welke van materieel belang zijn voor de fiscaalrechtelijke positie van partij A. 3. Voor een nadere uitwerking van het tweede lid wordt verwezen naar bijlage 6. 4. Deze overeenkomst eindigt niet gedurende de in het eerste lid genoemde looptijd, door (gewijzigde) fiscale beleidsregels en/of (gewijzigde) rechtspraak. Voor dat geval prevaleert de inhoud van de overeenkomst boven de fiscale beleidsregels en/of rechtspraak. 5. Partij A ziet expliciet af van een beroep op voor haar gunstigere formele beleidsregels en/of gunstigere rechtspraak, die na ondertekening van deze overeenkomst bekend zouden mogen worden. 6. Partij B ziet expliciet af van een beroep op voor partij A ongunstigere formele beleidsregels en/of ongunstigere rechtspraak, die na ondertekening van deze overeenkomst bekend zouden mogen worden. 7. Verlenging van de overeenkomst met ingang van 1 januari 201 1 voor een nader te bepalen looptijd is mogelijk, waarbij wel rekening gehouden zal worden met de in het tweede en vierde lid genoemde wetswijzigingen en wijzigingen in de voorschriften, fiscale beleidsregels en rechtspraak. Partijen dienen hiertoe nader te overleggen. Artikel 7.3 Afstand van rechtsmiddelen 1. Partij A verklaart geen enkel rechtsmiddel (meer) te zullen aanwenden met betrekking tot (navorderings)aanslagen vennootschapsbelasting voor zover hierin belastbare elementen zijn begrepen waarop deze overeenkomst van toepassing is. Dit laat onverlet dat partij A over de gebruikelijke rechtsmiddelen kan beschikken in geval van geschil over de uitleg van de overige bepalingen van de Wet. 2. Aedes en de Belastingdienst onderzoeken gezamenlijk de mogelijkheid om te komen tot een regeling die ziet op de interpretatie, reikwijdte en/of geschillen ten aanzien van deze overeenkomst. Deze regeling zal integraal onderdeel uitmaken van deze overeenkomst. 3. Ingeval partij A deze overeenkomst niet nakomt dan wel aan de voorwaarden hiervan niet voldoet, heeft partij B de bevoegdheid ter zake van de in de overeenkomst geregelde onderwerpen een afwijkend standpunt in te nemen en daartoe zonodig (navorderings)aanslagen op te leggen, voor welke situatie partij A thans reeds afstand doet van het recht zich te beroepen op het ontbreken van een nieuw feit. Artikel 7.4 Procedure en voorwaarden ondertekening 1. Partij B kan van het ondertekenen van deze overeenkomst afzien indien niet 70% van de toegelaten instellingen, deze overeenkomst ondertekent. 2. Voorhet onderscheid in omvang worden de toegelaten instellingen voor de toepassing van deze overeenkomst beoordeeld aan de hand van informatie gebaseerd op cijfers van het Nationaal Register Volkshuisvesting (zie bijlage 6). 3. Aan het voorbehoud van lid 1 wordt niet voldaan indien in iedere klasse 70% van de toegelaten instellingen deze overeenkomst ondertekent. Wordt in een of meerdere klassen de 70% niet gehaald, dan houdt de Belastingdienst zich het recht voor om de overeenkomst niet te tekenen. De overeenkomst en de gevolgen die hieruit voortvloeien treden dan niet in werking. Dit betekent dat van gebondenheid van partijen aan de in deze overeenkomst ingenomen standpunten geen sprake is. 4. Partijen komen met elkaar de volgende procedure overeen: a. de overeenkomst wordt door de Belastingdienst voorgelegd aan partij A; b. partij A krijgt vervolgens een bedenktijd tot 30 maart 2007; c. na ondertekening zendt partij A de overeenkomst aan Aedes; d. na 30 maart 2007 zullen de Belastingdienst en Aedes toetsen of aan het 70%-criterium is voldaan; e. wanneer blijkt dat na de toetsing genoemd in het eerste lid de 70% niet wordt gehaald, zullen de Belastingdienst en Aedes alle mogelijke inspanningen verrichten om het criterium alsnog te behalen; f. indien in alle klassen voldaan wordt aan het 70% criterium, zal partij B de overeenkomst uiterlijk voor 1 mei 2007 ondertekenen. 5. Partij A verklaart dat haar een redelijke termijn is geboden voor beraad over deze overeenkomst. Artikel 7.5 Nadere voorwaarden en fspraken 1. Partij A erkent en bevestigt door middel van ondertekening dat de door de Belastingdienst in deze overeenkomst ingenomen standpunten enkel en alleen gelden binnen het specifieke kader van deze overeenkomst. 2. Deze overeenkomst geldt uitsluitend voor partijen en bevat geen begunstigend beleid. Anderen dan partijen kunnen aan deze overeenkomst geen rechten ontlenen. Tegenover andere instanties dan de Belastingdienst kunnen belanghebbenden zich niet beroepen op de inhoud van deze overeenkomst 3. Doorondertekening van deze overeenkomst verklaren de ondertekenaars ieder voor zich bevoegd te zijn de partij namens wie zij tekenen te vertegenwoordigen. 4. Beide partijen zijn pas gebonden aan de inhoud van deze overeenkomst, nadat deze door beide partijen is ndertekend. 5. Bij deze overeenkomst zijn de volgende bijlagen gevoegd: a. bijlage 1: Derdenbeding; b. bijlage 2: Begrippen; c. bijlage 3: Modellen; d. bijlage 4: Activiteitenoverzicht; e. bijlage 5: Openingsbalans; f. bijlage 6: Overige bepalingen. Deze bijlagen zijn door partijen geparafeerd en maken onverkort deel uit van de overeenkomst. De tekst van deze overeenkomst prevaleert boven de tekst van de bijlagen. 6. Deze overeenkomst wordt door partij A aangegaan onder de opschortende voorwaarden dat het Ministerie van Financiën beleidsregels vaststelt inzake de toepassing van: a. de economische verwevenheideis van de fiscale eenheid omzetbelasting (artikel 7, vierde lid Wet op de omzetbelasting 1 968); en b. de reorganisatievrijstelling voor overdrachtsbelasting (artikel 1 5, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de belastingen rechtsverkeer) waarbij deze beleidsregels zien op de in de paragrafen 3.2 en 3.4, en de in hoofdstuk 4 genoemde leveringen en diensten door Partij A aan een dochtervennootschap, door een dochtervennootschap aan Partij A, dan wel tussen dochtervennootschappen onderling. De opschortende voorwaarde geldt niet voor de overige formele bepalingen, waaronder de organisatorische en de financiële verwevenheideis, van de fiscale eenheid omzetbelasting en de reorganisatievrijstelling. Deze overige formele bepalingen dienen door de competente inspecteur van Partij A naar de feiten en omstandigheden beoordeeld te worden. Artikel 7.6 Bestaande afspraken Met ingang van 1 januari 2006 is de vrijstelling in de Wet voor toegelaten instellingen aangepast. Alle bestaande afspraken tussen partij A en de Belastingdienst die met ingang van 1 januari 2006 onder de nieuwe wettelijke regeling vallen, worden, voorzover niet reeds vervallen door de wetswijziging, per 1 januari 2006 opgezegd. De bepalingen van deze overeenkomst treden hiervoor in de plaats. Artikel 7.7 Overgangsbepaling 1. Deze overeenkomst gaat in per 1 januari 2006. Het overleg tussen de Belastingdienst en Aedes is in 2005 gestart. Ter bevordering van een doelmatige belastingheffing kan partij A thans één of meerdere dochtervennootschappen (niet toegelaten instelling) oprichten om per ingangsdatum van deze overeenkomst daarin de belaste activiteiten onder te brengen. Partijen komen hiertoe overeen dat de voorperiode van de dochtervennootschap(pen) aanvangt op 1 januari 2006. Dit leidt niet tot een lagere uitkomst van de uit de belastingwet voortvloeiende belastingschuld. 2. Indien partij A een dochtervennootschap heeft opgericht in het kader van deze overeenkomst eindigt het fiscale boekjaar van de nieuw opgerichte dochtervennootschappen uiterlijk op 31 december 2007. Ondertekening Dit stuk is in tweevoud opgemaakt
BIJLAGE 1: Derdenbeding MODEL VERKLARING ALS BEDOELD IN ARTIKEL 6:253, LID 3 BW. Datum, postmerk Hiermee verklaart <naam vennootschap> de rechten en verplichtingen te aanvaarden die voortvloeien uit de vaststellingsovereenkomst die <naam partij A> op <datum> met de inspecteur van de Belastingdienst gesloten heeft ter beëindiging van onzekerheid als gevolg van de wijziging van artikel 5 lid 1 onderdeel d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1 969 per 1 januari 2006, waarbij de vrijstelling voor lichamen toegelaten om op de voet van de Woningwet werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting, in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is aangepast. <handtekening en naam van de bestuurder> BIJLAGE 2: Begrippen Gebouw met een maatschappelijke functie (artikel 1 .1 onderdeel d) Onder een gebouw met een maatschappelijke functie, zoals genoemd in artikel 1.1 onderdeel d, wordt onder andere verstaan het beheer/verhuur van: a. atelier; b. buurtsporthal; c. centrum voor sociale en culturele evenementen (buurthuis, dorpshuis, cultuurgebouw); d. gebouw ten behoeve van dagbesteding en zorginfrastructuur voor gehandicapten; e. dorps- c.q. wijkbibliotheek; f. gebouw ten behoeve van ambulante en niet ambulante geestelijke gezondheidszorg; g. gebouw ten behoeve van info-centra;
i. gebouw ten behoeve van opvang asielzoekers; j. gebouw ten behoeve van ouderenzorg/verzorgingstehuis; k. HOED (huisartsen onder een dak); l. jongerencentrum; m. kindertehuis/jeugdinternaat; n. medisch centrum, waarin bijvoorbeeld ondergebracht een huisarts en/of apotheek en/of polikliniek en/of fysiotherapeut en/of tandarts en/of verloskundige; o. muziekschool; p. opvanghuis voor dak/thuislozen/verslaafden; q. opvanghuis voor vrouwen; r. school/brede school; s. wijkgebouw; t. zorgcentrum; u. zorg- en werkhotel; voorzover de huurder geen eenmanszaak, vennootschap onder firma, maatschap, commanditaire vennootschap, BV- of NV is. Parkeervoorzieningen (artikel 1.1 onder i) Onder parkeervoorziening, zoals genoemd in artikel 1.1 onder i, wordt onder andere verstaan: a. Parkeerplekken (met beugel) op straat of in een parkeergarage; b. garage met mogelijkheid voor autostalling. Plintruimte: gebouwen (artikel 1.1 onder j) De volgende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 1.1 onder j, kwalificeren zich onder andere als één gebouw: a. Gebouw bestaande uit twee torens met een ondergrondse parkeergarage waar parkeervoorzieningen en/of bergingen ten behoeve van de bewoners uit de twee torens worden gebruikt, kwalificeert als één gebouw. afbeelding niet opgenomen, -red. FutD b. Gebouw bestaande uit een gesloten blok met een binnentuin kwalificeert als één gebouw. afbeelding niet opgenomen, -red. FutD c. Twee 'strangen', niet per definitie naast elkaar gelegen, in een gesloten blok met een binnentuin, kwalificeert als één gebouw. afbeelding niet opgenomen, -red. FutD d. Twee losstaande woningblokken, niet per definitie met elkaar verbonden, én bewoners maken contractueel gebruik van de onderliggende bergingen in één van de twee bedoelde blokken, kwalificeert als één gebouw. afbeelding niet opgenomen, -red. FutD
Verkrijgen/bezitten/beheren en vervreemden (artikel 1.1 onderdeel q) Onder verkrijgen/bezitten/beheren en vervreemden, zoals genoemd in artikel 1.1 onderdeel q, wordt onder andere verstaan: a. Verkrijgen: verkrijgen in de zin van artikel 3:80 Burgerlijk Wetboek. Alsmede verkrijgen van de economische eigendom. Onder verkrijgen valt tevens het ontwikkelen van sociale huurwoningen met het oog op de eigen exploitatie. b. Bezitten: het houden van een goed voor zichzelf in de zin van artikel 3:107 Burgerlijk Wetboek. c. Beheren (voor derden): Geheel van beslissingen en technische of administratieve activiteiten die samenhangen met het (ver)huren, het (ver)kopen, het onderhouden en verbeteren van objecten als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder d van de Wet, alsmede het slopen en de financiering van dit alles. Tot deze activiteiten worden ook gerekend alle activiteiten die samenhangen met het verwerken van servicekosten zoals benoemd in het Besluit Servicekosten boek 7 Burgerlijk Wetboek. Deze toelichting geldt ook voor het beheer voor derden. Woningen (artikel 1 .1 onderdeel t) Onder woningen, zoals genoemd in artikel 1.1 onderdeel t, wordt onder andere verstaan: a. eengezinswoningen; b. appartementen, portiek/etagewoningen; c. HAT-eenheden; d. aanleunwoningen; e. containerwoningen; f. studentenkamers; g. woonwagens;
Woningen: aanhorigheden (artikel 1 .1 onderdeel t) Onder aanhorigheden, zoals genoemd in artikel 1.1 onderdeel t, wordt onder andere verstaan: a. parkeervoorzieningen; b. bergingen; welke onderdeel uitmaken van de huurovereenkomst. BIJLAGE 3: Modellen
BIJLAGE 4: Activiteitenoverzicht
Nadere uitleg bij activiteitenoverzicht Ad 1.1.10 Verhuur van (logeer) kamers inclusief short stay. De kruisjes staan bij zowel belaste als onbelaste activiteit omdat beide situaties zich kunnen voordoen. Er wordt vanuit gegaan dat in de definitie van het begrip woning ook kamergewijze verhuur (m.n. studentenhuisvesting) wordt verstaan. Aangesloten wordt bij de huurprijs van woningen. Dat wil zeggen dat voor het verhuren van dergelijke ruimte artikel 1 3, lid 1 onderdeel a van de Wet op de huurtoeslag eveneens van toepassing is. De huurprijs mag per maand niet hoger zijn dan de huurtoeslaggrens (op dit moment € 61 5,-). Indien er sprake is van huurperiodes die korter zijn dan een maand, moet voor het bepalen of er sprake is van een belaste of vrijgestelde activiteit de maandhuur gedeeld worden door 30 dagen. Met andere woorden de daghuur mag dus niet hoger zijn dan de huurtoeslaggrens gedeeld door 30 dagen (op dit moment € 20,50 per dag). Ad 1.3.2/3 Verhuur van parkeerplaatsen. Verhuur van losse
parkeervoorzieningen aan huurders van sociale woningen is
vrijgesteld.
Ad 1.3.5 Beheer en verhuur van volkstuinen Het beheren en verhuren van volkstuinen wordt gezien als het verhuren van maatschappelijk vastgoed en is daarmee vrijgesteld. Ad 1.3.6 Verhuur van (bebouwde) grond/uitgifte in erfpacht Het uitgeven van gronden in erfpacht zal het regime van de woningen volgen. Opbrengsten (canon) uit erfpacht die worden ontvangen van maatschappelijke instelling zijn vrijgesteld. De rest is een belaste activiteit. Met uitzondering van de tussenvormwoningen die als franchisewoning zijn aangemerkt zijn de opbrengsten die worden ontvangen door het uitgeven van gronden aan particulieren belast. Wel is de eerste inbreng (gewaardeerd op basis van de contante waarde van de toekomstige kasstromen) onbelast en kunnen er tegenover de opbrengsten (canon) kosten staan waaronder vermogenskosten (rentetoerekening analoog aan de overige financieringen). Ad 2.3.3 Projectontwikkeling/bouw overig vastgoed Projectontwikkeling ten behoeve van de eigen exploitatie, waarbij er daarna sprake is van verhuur aan een maatschappelijke organisatie is vrijgesteld indien voor minimaal vijf jaar aan een maatschappelijke organisatie wordt verhuurd. Voor de fiscale behandeling van deze projectontwikkeling wordt er vanuit gegaan dat aan de gestelde voorwaarde van minimaal vijf jaar verhuur zal worden voldaan. Zodra hier evenwel niet aan wordt voldaan wordt de projectontwikkeling en de verhuur van dit vastgoed, conform de bepalingen van deze overeenkomst, in de belastingheffing betrokken in het boekjaar waarin niet meer aan de voorwaarde van verhuur wordt voldaan. Ad 3.1 VVE's De dienstverlening aan verenigingen van eigenaren wordt vanaf het moment dat partij A de meerderheid verliest een belaste activiteit. Dit is van toepassing op alle diensten die aan een VVE wordt verleend.
Ad 3.2.3 Serviceabonnement huurders Serviceabonnementen aan huurders kunnen zowel belaste als onbelaste diensten zijn. Voor de bepaling of er sprake is van belaste of onbelaste diensten wordt aangesloten bij de BTW wetgeving. Indien er sprake is van een vrijgestelde prestatie voor de omzetbelasting, is er tevens sprake van een vrijgestelde activiteit voor de vennootschapsbelasting. Ad 3.4 Overige producten en diensten Afhankelijk van de aard van de dienst is hier sprake van een belaste of vrijgestelde activiteit. Indien het samenwerkingsverband uit corporaties en commerciële partijen bestaat is uitsluitend sprake van een vrijgestelde activiteit indien de corporatie(s) een meerderheidsbelang heeft/hebben of op andere wijze de controle over het samenwerkingsverband kunnen uitoefenen. Mocht het samenwerkingsverband enkel een kostenpool zijn dan kan dit als een vrijgestelde activiteit worden beschouwd, aangezien er geen fiscaal belang is. Ad 3.4.4 Aanleg overige telecommunicatie dienstverlening (kabelnetten) Bedragen die in rekening gebracht worden voor telecommunicatie worden voor de vennootschapsbelasting op een zelfde wijze behandeld als binnen de omzetbelasting. Dit betekent dat indien er een directe relatie is met het huurcontract (infrastructuur van de woning) er sprake zal zijn van een vrijgestelde prestatie voor de omzetbelasting en daarmee is er tevens sprake van een vrijgestelde activiteit voor de vennootschapsbelasting. Ad 3.6 Financiering Het verstekken van financieringen, uitgezonderd collegiale financiering, buiten het eigen concern wordt gezien als een belaste activiteit omdat hiermee in directe concurrentie wordt getreden met andere partijen. BIJLAGE 5: Openingsbalans Percentage of completion (gefaseerde 2% winstneming op opstalrealisatie): Opgemerkt wordt dat voor resultaatneming van projectontwikkeling een onderscheid is gemaakt tussen resultaat grondexploitatie (GREX) en opstalrealisatie. Bij opstalrealisatie, zowel nieuwbouw als herontwikkeling, worden hierbij voor de winstneming de volgende fasen onderkend: a. Start bouw opstal b. Gedurende bouwrealisatie opstal c. Einde opstalrealisatie, oplevering en start onderhoudstermijn d. Einde garantie onderhoudstermijn Ad a) Start bouw opstal Deze fase vangt aan bij gunnen opdracht
aan aannemer
Ad b) Gedurende bouw opstalrealisatie Fase tussen start bouw opstal
en einde bouw opstal
Ad c) Einde opstalrealisatie De fase wordt getypeerd door
oplevering opstal en start onderhoudstermijn.
Ad d) Einde garantie onderhoudstermijn Deze fase wordt
getypeerd door einde van onderhoudstermijn op
opstal.
opstalrealisatie resultaat. Recapitulatie Per te onderscheiden deelfase wordt gedurende de realisatie van het opstal fiscaal gefaseerd het opstalresultaat verantwoord:
Bovenstaande klasse indeling is afkomstig van Aedes Bedrijfstakinformatie. Datum | 20070115
|
| | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||