| Tekst |
Rechtbank Leeuwarden
Sector bestuursrecht,
belastingkamer
19 juni
2006
Nr.
05/2392
Uitspraak als
bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Z],
eiser,
en
de heffingsambtenaar van de
gemeente Vlieland, verweerder.
Ontstaan en loop
van het geding
1.1 Verweerder heeft bij
beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering
onroerende zaken (hierna: Woz) de waarde van de onroerende
zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Q] (hierna: de
onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2003,
vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari
2007 op € 406.000,--.
1.2 Verweerder heeft bij
uitspraak op bezwaar van 11 november 2005 de waarde
verminderd tot een waarde van € 386.000,--.
1.3
Eiser heeft daartegen bij brief van 20 december 2005,
ontvangen bij de rechtbank op 23 december 2005, beroep
ingesteld.
1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking
hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift
ingediend.
1.5 Het onderzoek ter zitting heeft
plaatsgevonden op 22 mei 2006 te Leeuwarden. Eiser is daar in
persoon
1.6 Eiser heeft ter zitting een pleitnota
voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de
rechtbank en aan verweerder. Verweerder heeft verklaard geen
bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota
behorende bijlagen. Verweerder heeft ter zitting - zonder
bezwaar van de zijde van eiser - eveneens nadere stukken
overgelegd aan de rechtbank en aan
eiser.
Feiten
Op grond van de
stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat
het volgende vast:
2.1 Bij beschikking van 31 maart 2005
is door verweerder ten aanzien van eiser als eigenaar en/of
gebruiker van de onroerende zaak de waarde van die onroerende
zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1
januari 2005 tot en met 31 december 2006. De onroerende zaak
betreft een in 1980 gebouwde houten recreatiewoning en heeft
een grondoppervlakte van 1.250 m² en een inhoud van 225
m³.
2.2 De door verweerder aan de onroerende zaak
toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 2003
€ 406.000,--. Bij de bestreden uitspraak is deze
vastgestelde waarde verminderd tot een waarde van €
386.000,--.
2.3 In het jaar 2004 is op een afstand van
circa 30 meter van eisers onroerende zaak aan het adres
[a-straat 2] de woning "[C]" gebouwd. Deze woning
telt zeven slaapkamers en biedt een royale verblijfsruimte
voor (tenminste) 14 personen. De "[C]", die bovenop
een duintop is geplaatst wijkt - met name qua (veel) grotere
afmetingen - af van de bebouwingsstructuur van de woningen in
de directe omgeving. Eisers woning ziet vanuit de keuken en
de woonkamer uit op de
"[C]".
Geschil
3.1
Partijen verschillen van mening over de waarde van de
onroerende zaak per 1 januari 2003.
3.2 Eiser is van
mening dat verweerder de waarde van de onroerende zaak op een
te hoog bedrag heeft vastgesteld. Er is volgens hem bij de
waardevaststelling niet, althans in onvoldoende mate,
rekening gehouden met de in het jaar 2004 gebouwde woning
"[C]", waardoor de omgeving is aangetast.
3.3
Verweerder houdt vast aan de bij de bestreden uitspraak
vastgestelde waarde.
3.4 Partijen doen hun standpunten
steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in
de van hen afkomstige stukken.
Beoordeling van
het geschil
4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in
de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de Woz wordt de waarde
bepaald op de waarde die per 1 januari 2003 aan de
onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend,
indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat
waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in
gebruik zou kunnen nemen.
4.2 Indien een onroerende zaak
in de twee jaren voorafgaande aan het begin van het tijdvak
waarvoor de waarde wordt vastgesteld, een verandering in
waarde ondergaat als gevolg van een specifiek voor de
onroerende zaak geldende, bijzondere omstandigheid, wordt,
ingevolge artikel 19, eerste lid, onderdeel c, van de Woz, de
waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van
dat tijdvak.
4.3 Op verweerder rust - bij betwisting -
de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 2003
- met inachtneming van de Woz - niet hoger is vastgesteld dan
de waarde in het economische verkeer per genoemde datum. Ter
onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst
verweerder onder meer naar het in februari 2006 door [D],
WOZ-gecertificeerde registertaxateur in onroerende zaken,
verbonden aan [B] B.V. te [R], opgemaakte taxatierapport. In
dit rapport is de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op
een bedrag van € 386.000,--.
4.4 De onroerende zaak
is blijkens het taxatierapport getaxeerd aan de hand van een
methode van vergelijking met referentieobjecten, zoals
genoemd in artikel 4 eerste lid, onderdeel a, van de
Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering
onroerende zaken. De daarbij opgevoerde vergelijkingspercelen
vormen een redelijke afspiegeling van de markt ten tijde van
de peildatum 1 januari 2003. Uit hetgeen eiser omtrent de in
het jaar 2004 gebouwde woning "[C]" te berde heeft
gebracht, leidt de rechtbank af dat de komst van deze woning,
die met name een beperking van het uitzicht en de privacy van
eisers onroerende zaak tot gevolg heeft gehad, een
waardedrukkende invloed heeft op de waarde van eisers
onroerende zaak. Dit brengt, gelet op hetgeen onder punt 4.2
is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank mee dat
hiermee bij de onderhavige waardevaststelling rekening dient
te worden gehouden. Verweerder heeft geen feiten en
omstandigheden aangevoerd, die tot een andersluidend oordeel
nopen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder
verklaard dat de bouw van de woning "[C]" reeds is
verdisconteerd in de vastgestelde waarde, omdat de in het
taxatierapport opgevoerde vergelijkingspercelen in hetzelfde
bestemmingsplan zijn gelegen. Bij de transacties van deze
vergelijkingspercelen moeten de kopers volgens verweerder
rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat in de
nabije omgeving een dergelijke woning als de "[C]"
gebouwd zou kunnen worden. De rechtbank kan deze verklaring
van verweerder niet volgen. De rechtbank ziet namelijk niet
in dat van de mogelijke bouw van een soortgelijke woning als
de "[C]" in de naaste omgeving - waarbij kopers
niet alleen rekening moeten hebben gehouden met de kans dat
deze bouw daadwerkelijk plaats zal vinden, maar ook met de
mogelijkheid dat er nimmer gebouwd zal worden - een
(nagenoeg) gelijke waardedruk uitgaat als van de reeds
(definitief) gebouwde woning "[C]" - waarbij
potentiële kopers de onomkeerbare aanwezigheid van deze
woning bij de koop in beschouwing zouden nemen. De
gemachtigde van verweerder heeft verder gewezen op het matige
onderhouden vergelijkingsperceel gelegen aan [a-straat 3] te
[Q], waarbij in de directe omgeving [E] is gelegen en
waarvoor desondanks op 19 maart 2003 een bedrag van €
321.000,-- is betaald. Aan deze verwijzing gaat de rechtbank
voorbij, nu eiser ter zitting - onweersproken - heeft gesteld
dat het uitzicht vanuit dit vergelijkingsperceel niet is
gericht op [E], zodat de rechtbank de waardedruk van de
aanwezigheid van dit hotel niet, althans onvoldoende,
vergelijkbaar acht met die van de vanuit (de keuken en de
woonkamer van) eisers woning zichtbare woning
"[C]". Overigens heeft verweerder naar het oordeel
van de rechtbank niets aangevoerd, waaruit zou kunnen worden
afgeleid dat bij de waardevaststelling van de onroerende zaak
de waardedrukkende invloed van de in het jaar 2004 gebouwde
woning "[C]" in voldoende mate in aanmerking is
genomen. In zoverre acht de rechtbank verweerder derhalve
niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast als bedoeld
onder hetgeen onder punt 4.3 is overwogen.
4.5 Eiser
heeft in zijn pleitnota gesteld dat de waarde in verband met
de aanwezigheid van de "[C]" met ruim €
95.000,--, zijnde de door hem aan de jurisprudentie ontleende
uitzichtschade, zou moeten worden verminderd. De rechtbank
kan deze benaderingswijze niet volgen, nu het in deze
procedure niet gaat om het bepalen van de (plan)schade ten
gevolge van de bouw van de "[C]". In zijn
beroepschrift heeft eiser verder gerefereerd aan de
landelijke gemiddelde waardestijging van onroerende zaken ten
opzichte van de vorige waardevaststelling. Hieraan kent de
rechtbank evenmin gewicht toe, omdat deze gemiddelde
waardestijging geen inzicht geeft in de individuele
waardeontwikkeling van de onroerende zaak en de rechtbank de
vorige waardevaststelling niet relevant acht; elke
waardevaststelling staat op zichzelf.
4.6 Nu verweerder
er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat bij de
waardevaststelling in voldoende mate rekening is gehouden met
de waardedrukkende invloed van de bouw van de "[C]"
en eiser de door hem gestelde grootte van die waardedrukkende
invloed niet aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de
rechtbank om de waarde van de onroerende zaak te bepalen.
Gelet op de door verweerder aangedragen vergelijkingspercelen
en rekening houdend met de waardedrukkende invloed van de
aanwezigheid van de "[C]" nabij eisers onroerende
zaak, alsmede gezien de omstandigheid dat - naar verweerder
onweersproken heeft gesteld - er een zeer grote vraag is naar
recreatiewoningen op [Q], is de rechtbank van oordeel dat de
waarde van de onroerende zaak in goede justitie dient te
worden vastgesteld op een bedrag van €
345.000,--.
4.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat
het beroep van eiser doel
treft.
Proceskosten
De rechtbank
vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die
eiser in verband met de behandeling van het beroep
redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de
voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld
op € 22,-- ter zake van de reiskosten voor het bijwonen
van de zitting.
Beslissing
De
rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de
vastgestelde waarde tot € 345.000,-- en bepaalt dat deze
uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde
besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van
eiser ten bedrage van € 22,--, en wijst de gemeente
Vlieland aan dit bedrag aan eiser te voldoen;
- gelast
dat de gemeente Vlieland het door eiser betaalde griffierecht
van € 37,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan
op 19 juni 2006 door mr. H.H.A. Fransen, rechter, en op
dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid
van mr. M. Hiemstra, griffier.
|