| Nummer | Fida20054659 | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bron | Arr.rb. Haarlem 13 december 2005 052460 | ||||||||||||||||
| Titel | Toekomstige sloop beïnvloedde WOZ-waarde woning in verouderde buurt | ||||||||||||||||
| Samenvatting | De gemeente Zaanstad stelde de WOZ-waarde van de woning van X vast op EUR 111.000. X was het hier niet mee eens. Zijn woning lag namelijk in een verouderde buurt en zou op korte termijn worden gesloopt. In de buurt was al begonnen met de sloop van een aantal woningen. De gemeente vond echter dat met de toekomstige sloop alleen rekening kon worden gehouden als de woning leegstond en het tijdstip van de sloop vaststond. X ging in beroep. Rechtbank Haarlem besliste dat toekomstige sloop in het algemeen een waardedrukkende factor vormde en de sloop van andere woningen in de buurt de waarde in het economische verkeer konden beïnvloeden. Door hier helemaal geen rekening mee te houden had de gemeente de WOZ-waarde te hoog vastgesteld. De Rechtbank stelde de WOZ-waarde vast op EUR 90.000. | ||||||||||||||||
| Tekst |
RECHTBANK HAARLEM
UITSPRAAK als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X te
Y,
en de heffingsambtenaar van de
gemeente Zaanstad,
1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft bij beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz), gedagtekend 28 februari 2005, de waarde van het pand a-straat te Q (hierna: de woning) voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 per peildatum 1 januari 2003 vastgesteld op een bedrag van € 111.000. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar van 3 mei 2005 de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 9 juni 2005 beroep ingesteld. Op grond van artikel 8:58 Awb heeft eiser vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2005 te Haarlem. Eiser is met bericht van afwezigheid niet ter zitting verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. A, tot bijstand vergezeld van B. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2. De feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: Eiser is gebruiker van de woning. Het betreft een benedenwoning, gebouwd in 1925, met een inhoud van circa 174 m³. Bij de woning behoort een berging. De waarde van de woning op 1 januari 2003 is gesteld op € 111.000. Deze waarde is mede tot stand gekomen door vergelijking met de navolgende, in het taxatieverslag genoemde, woningen:
3. Het geschil In geschil is de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 2003. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting. 4. Beoordeling van het geschil Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet woz moet de waarde van de onderhavige woning worden bepaald op de waarde die hieraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit artikel 18 Wet woz volgt dat de waarde van een onroerende zaak wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert. De waardepeildatum ligt twee jaren voor het begin van het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld. De
rechtbank stelt voorop dat op verweerder de last rust om
aannemelijk te maken dat de waarde van de woning niet te hoog
is vastgesteld.
Eiser heeft aangevoerd dat de waarde te hoog is vastgesteld omdat zijn woning in slechte staat verkeert en in 2008 wordt gesloopt. De muren vertonen scheuren, de badkamer is beschimmeld, de woning is niet geïsoleerd en kan er onvoldoende geventileerd worden. Volgens eiser is er geen referentiewoning die vergelijkbaar slecht is. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de door verweerder opgevoerde vergelijkings-objecten niet vergelijkbaar zijn met eisers woning verwerpt de rechtbank deze stelling nu eiser deze verder niet heeft onderbouwd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de staat van onderhoud van de woning in voldoende mate in de waardering is betrokken. Verweerder heeft ter zitting
verklaard dat de woning is gelegen in een verouderde buurt en
moet worden gesloopt. Met de sloop van woningen in deze buurt
is reeds een aanvang gemaakt. Wanneer eisers woning wordt
gesloopt is volgens verweerder onbekend. Verweerder stelt
zich op het standpunt dat toekomstige sloop uitsluitend
invloed heeft op de waarde indien de woning leeg staat en het
tijdstip van de sloop vaststaat.
Verweerder heeft dit miskend door deze omstandigheden in het geheel niet te laten meewegen bij de waardering van eisers woning. Nu
vaststaat dat eisers woning is gelegen in een wijk waar reeds
een aanvang is gemaakt met het slopen van woningen acht de
rechtbank aannemelijk dat ook eisers woning op afzienbare
termijn zal worden gesloopt. Nu niet is gesteld noch is
gebleken dat de door verweerder genoemde
vergelijkingsobjecten eveneens op afzienbare termijn zullen
worden gesloopt dient een correctie op de door verweerder
vastgestelde waarde plaats te vinden.
5. Proceskosten De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. 6. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond;
vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door mr. R.G. Kemmers. De beslissing is op 13 december 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier. | ||||||||||||||||
| Datum | 20051213 | ||||||||||||||||