| Tekst |
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
17 december 2004
Nr. 39644
Gewijzigde werkwijze Hoge Raad met betrekking tot artikel
81 RO zaken
Met ingang van 1 september 2002 geeft de Hoge Raad arresten
die onder toepassing van artikel 81 van de Wet op de
Rechterlijke Organisatie (RO) worden gewezen, niet
meer vrij voor publicatie. De Hoge Raad geeft in deze
gevallen slechts een opgave van de arresten die onder
verwijzing naar artikel 81 van de Wet zijn gewezen. Uit de
bijgevoegde opgave blijkt dat de Hoge Raad de bijgevoegde
uitspraak van het Hof zonder nadere motivering (art. 81 RO)
heeft bevestigd.
Redactie Fiscaal up to Date 17-12-2004
Gerechtshof te Leeuwarden
vierde enkelvoudige belastingkamer
7 mei 2003
Nr. BK 495/02
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van
de sector middelen van de gemeente Littenseradiel, gedaan op
het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien
van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering
onroerende zaken (hierna: WOZ).
1. Ontstaan en loop van het geding.
Ingevolge de Wet WOZ heeft het hoofd de waarde met betrekking
tot de onroerende zaak a-dyk 2a te Z waarvan de belanghebbende
eigenaar en/of gebruiker is, vastgesteld bij beschikking onder
nummer 0000/0002, gedateerd 16 maart 2001. Daarbij is de
waarde vastgesteld op EUR 113.898,-- (f 251.000,--). Bij de
uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 26 februari 2002, is de
deze waarde gehandhaafd.
Het beroepschrift (met bijlagen) is op 28 februari 2002 ter
griffie ingekomen en is aangevuld bij brief van 8 maart 2002
(met bijlage) ingediend.
Op 13 december 2002 is een brief (met bijlagen) van
belanghebbende ter griffie van het Hof ingekomen. Aan het
hoofd werd hiervan een afschrift verzonden. Hierbij werd
voorts aangegeven dat hij op dit schrijven ter behandeling ter
zitting inhoudelijk kan reageren.
Bij de mondelinge behandeling, gehouden te Leeuwarden op 13
januari 2003, waren aanwezig de belanghebbende en de
gemachtigde van het hoofd A, werkzaam voor de gemeente
Littenseradiel, bijgestaan door B, makelaar/WOZ-taxateur bij C
BV te L. Ter voormelde zitting heeft de belanghebbende een
door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.
Het gerechtshof heeft op 27 januari 2003 uitspraak gedaan;
afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn op
10 februari 2003 per aangetekende post aan de partijen
verzonden. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken
moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
Op 6 maart 2003 is bij het gerechtshof een verzoek van het
hoofd ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door
een schriftelijke. Het door het hoofd verschuldigde
griffierecht is op 26 maart 2003 voldaan.
2. De feiten.
Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde
staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende
weersproken het volgende vast:
2.1 Bij beschikking van 16 maart 2001 is door het hoofd ten
aanzien van de belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van
de onroerende zaak gelegen aan de a-dyk 2a te Z (: de
onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak
vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1
januari 2001 tot en met 31 december 2004. De waardepeildatum
is 1 januari 1999. De onroerende zaak betreft een in 1975
gebouwde vrijstaande woning met een brutoinhoud van 319 m- op
een kavel van 704 m². Op deze kavel staat voorts een in 1990
gebouwde vrijstaande opslagloods met een bruto
vloeroppervlakte van 90 m².
2.2. De door het hoofd aan de onroerende zaak toegekende
waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 EUR
113.898,-- (f 251.000,--). Bij de bestreden uitspraak is deze
vastgestelde waarde gehandhaafd.
3. Het geschil en de standpunten van partijen.
3.1 Belanghebbende is van mening dat het hoofd de waarde van
de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld,
aangezien bij de waardebepaling onvoldoende rekening is
gehouden met de slagschaduwhinder en geluidshinder van een
nabij gelegen windmolen alsmede met de gestelde
verkeersoverlast c.q. verkeersonveiligheid. Belanghebbende
heeft gewezen op de uitspraak van het Hof van 6 september 2002
met als reg.nr. BK 1093/01, in de zaak van D te Z contra het
hoofd, waarin door het Hof een korting is toegepast wegens van
dezelfde windmolen ondervonden geluids- en slagschaduwhinder.
Volgens belanghebbende dient de waarde van zijn onroerende
zaak op 1 januari 1999 te worden vastgesteld op afgerond EUR
70.000,-- (f 154.259,--).
3.2 Het hoofd is daarentegen van mening dat bij de
waardebepaling van de onroerende zaak gelet op de afstand tot
de windmolen geen rekening hoeft te worden gehouden met de
slagschaduwhinder en geluidshinder. Het hoofd ziet evenmin
aanleiding bij de waardebepaling met de door belanghebbende
gestelde verkeersonveiligheid rekening te houden. Het betreft
hier volgens het hoofd slechts het rijgedrag van een enkele
persoon, maar de a-dyk is op zichzelf een weg waarop weinig
intensief wordt gereden.
3.3 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van
partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
4. De overwegingen omtrent het geschil:
4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18,
eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet)
wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999
aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden
toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou
kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de
staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang
in gebruik zou kunnen nemen.
4.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de
Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering
onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de
Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door
middel van een methode van vergelijking met
referentiewoningen.
4.3 Op het hoofd rust bij betwisting de last aannemelijk te
maken dat de waarde per 1 januari 1999 met inachtneming van de
Wet niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische
verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door hem
vastgestelde waarde heeft het hoofd onder meer verwezen naar
het op 21 mei 2002 door B, makelaar/WOZ-taxateur, verbonden
aan C BV te L, opgemaakte taxatierapport.
4.4 Blijkens het onderwerpelijke taxatierapport is de
onroerende zaak getaxeerd aan de hand van de onder punt 3.2
bedoelde vergelijkingsmethode. Naar het oordeel van het Hof
vormen de daarbij opgevoerde vergelijkingsobjecten op zich een
redelijke afspiegeling van de markt ten tijde van de peildatum
1 januari 1999. In dat taxatierapport zijn naar het oordeel
van het Hof de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en
belanghebbendes onroerende zaak wat betreft onder meer de
grootte van het perceel, brutoinhoud voldoende tot uitdrukking
gebracht. Dat laatste kan daarentegen niet worden gezegd van
de hinder die wordt veroorzaakt door een nabijgelegen
windmolen in de vorm van slagschaduw- en geluidshinder. Naar
het oordeel van het Hof heeft deze hinder een waardedrukkend
effect op de onderhavige onroerende zaak in verhouding tot de
gebruikte referentieobjecten. Bij de waardebepaling van de
onroerende zaak is voorts ten onrechte geen rekening gehouden
met de onveilige verkeerssituatie ter plekke. Daartoe
overweegt het Hof als volgt.
4.5 Met betrekking tot de slagschaduwhinder blijkt dat de
gemeente Sneek namens het hoofd onderzoek heeft verricht naar
de door de windmolen veroorzaakte slagschaduwhinder. In de
brief van 19 juni 2001 heeft de gemeente Sneek daarover aan
het hoofd gerapporteerd dat de windmolen slagschaduw kan
veroorzaken. In het taxatierapport wordt dit niet ontkend,
maar is gesteld dat vergunning is verleend op basis van
plaatsing van een windmolen met sensor, die de molen stil zet
op het moment dat slagschaduwhinder kan optreden. Dat deze
sensor nog niet is geplaatst, is voor het hoofd echter geen
aanleiding geweest daarmee rekening te houden. In navolging
van de hierboven eerder genoemde uitspraak van 6 september
2002 overweegt het Hof thans ook in deze zaak dat dit
uitgangspunt niet wordt gedeeld. Vaststaat immers dat op de
peildatum feitelijk sprake was van overlast in de vorm van
slagschaduw, ondanks dat de afstand tot de windmolen 500 meter
bedraagt. Dat deze overlast bestond in strijd met de voor de
windmolen afgegeven vergunning en dat de eigenaar van de
windmolen inmiddels is gesommeerd aan deze situatie een einde
te maken, doet aan de feitelijke hinder niet af.
4.6 Voorts houdt partijen verdeeld de vraag in hoeverre de
windmolen op de peildatum geluidsoverlast veroorzaakte. In het
taxatierapport is aangegeven dat de geluidsbelasting op de
gevel van de onroerende zaak te hoog is, maar dat nog niet
duidelijk is van welke meetmethode moet worden uitgegaan,
omdat door de fabrikant ook metingen zijn verricht die een
andere uitkomst geven. Gelet op de afstand van 500 meter heeft
de taxateur gemeend dat geen rekening hoeft te worden gehouden
met de geluidsoverlast van de windmolen. In het verweerschrift
wordt dit standpunt door het hoofd onderschreven. Het Hof is
daarentegen van oordeel dat niet van dit standpunt mag worden
uitgegaan, zolang nog niet zeker is dat de windmolen aan de
daartoe gestelde wettelijke geluidsnormen voldoet. In dat
verband wijst het Hof nog op de brief van de gemeente
Littenseradiel van 22 november 2002, gericht aan
belanghebbende en waarin door de gemeente nieuwe
geluidsmetingen worden aangekondigd.
4.7 Met betrekking tot de verkeersonveiligheid c.q.
verkeersoverlast op de aangrenzende weg a-dyk overweegt het
Hof dat uit de door belanghebbende ingezonden
gespreksnotities, die zijn opgemaakt van het overleg tussen
aanwonenden, de gemeente en de politie, blijkt dat er sprake
is van een zekere vorm van verkeersonveiligheid- of overlast.
Een dergelijke omstandigheid kan naar het oordeel van het Hof
de waarde in het economisch verkeer nadelig beïnvloeden, zodat
hieraan een zekere waardedrukkende invloed niet kan worden
ontzegd.
4.7 Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat er
aanleiding is voor toepassing van een korting op de door het
hoofd vastgestelde waarde van de onderhavige onroerende zaak.
Uitgaande van het taxatierapport waarbij de waarde is
vastgesteld op f 280.000,-- (EUR 127.512,--) acht het Hof een
korting van f 75.000,-- (EUR 34.033,--) in verband met de
slagschaduw- en geluidsoverlast redelijk. Het Hof realiseert
zich dat dit bedrag lager is dan de korting van f 150.000,--,
zoals deze bij de onroerende zaak b-dyk 2 in de zaak D te Z is
toegepast. Het Hof wenst er niettemin rekening mee te houden
dat die onroerende zaak op een beduidend kleinere afstand van
de windmolen is gelegen, waardoor meer hinder van de windmolen
kan worden verwacht. Het Hof stelt de korting voor de
verkeersoverlast c.q. verkeersonveiligheid in goede justitie
vast op f 5.000,--. De totale korting wordt derhalve
vastgesteld op het bedrag van f 80.000,-- (EUR 36.302,--). Het
vorenstaande brengt mee dat het Hof de waarde van de
onroerende zaak in goede justitie zal vaststellen op EUR
90.756,-- (f 200.000,--).
5. De conclusie
Het vorenoverwogene brengt mee dat het Hof het beroep gegrond
zal verklaren.
6. De proceskosten
Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid
1 Awb dient het hoofd het griffierecht van EUR 29,- aan
belanghebbende te vergoeden.
In de omstandigheden van het geval vindt het Hof aanleiding op
grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het
hoofd te veroordelen tot een tegemoetkoming in de kosten die
belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep
redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof bepaalt deze kosten
op EUR 16,52 (59 km x EUR 0,28) aan reiskosten. Deze kosten
dienen te worden gedragen door de gemeente Littenseradiel.
7. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak waarvan beroep;
stelt de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-dyk 2a
te Z vast op EUR 90.756,-- (f 200.000,--);
gelast dat het hoofd het door de belanghebbende betaalde
griffierecht ad EUR 29,-- aan hem vergoedt;
veroordeelt het hoofd de kosten aan de belanghebbende te
vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de
behandeling van het beroep, te bepalen op EUR 16,52 en wijst
de gemeente Littenseradiel aan als de rechtspersoon die deze
kosten dient te dragen.
Aldus vastgesteld op 7 mei 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer
en voorzitter, en op die dag in het openbaar uitgesproken door
voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr.
J. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door
voornoemde griffier.
Op 21 mei 2003 afschrift aangetekend verzonden aan beide
partijen.
|