| Tekst |
Gerechtshof te Arnhem
elfde enkelvoudige belastingkamer
9 augustus 2004
Nr. 02/03453
UITSPRAAK
op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de
uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Nunspeet
(hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van
belanghebbende betreffende na te melden aan hem afgegeven
waardebeschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken
(hierna: de Wet WOZ).
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
1.1. Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 januari 2001 tot
en met 31 december 2004 een waardebeschikking ingevolge de Wet
WOZ afgegeven waarbij de waarde van de aan belanghebbende
toebehorende na te melden onroerende zaak aanvankelijk is
vastgesteld op EUR 360.755.
1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar
gemaakt. De ambtenaar heeft de waarde bij de thans bestreden
uitspraak nader vastgesteld op EUR 319.915.
1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen
bij het Hof. De ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad
ter zitting van het Hof van 6 mei 2004 te Arnhem. Aldaar zijn
verschenen en gehoord belanghebbende en zijn echtgenote, tot
bijstand vergezeld van [A] en zijn echtgenote, alsmede de
ambtenaar, tot bijstand vergezeld van [B] (taxateur). Van het
verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een
afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.
1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota
overgelegd. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting daarop
geschorst voor een leespauze. Vervolgens is het onderzoek ter
zitting hervat. De ambtenaar heeft voldoende kennis kunnen
nemen van de inhoud van de pleitnota en zich in staat
verklaard daarop ter zitting te reageren. Met instemming van
beide partijen wordt de pleitnota geacht ter zitting te zijn
voorgedragen. De inhoud daarvan moet als hier herhaald en
ingelast worden aangemerkt.
1.6. Op 11 mei 2004 zijn bij het Hof nadere stukken van de
zijde van belanghebbende ingekomen. Deze stukken maken geen
deel uit van de stukken van het geding. Het Hof heeft in die
stukken geen aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te
heropenen.
1.7. Gelijktijdig met de onderhavige zaak is met instemming
van partijen ter zitting behandeld de zaak met rolnummer
02/03458.
2. Feiten
Het Hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet
in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de
wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende
feiten vast.
2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende
zaak plaatselijk bekend als [a-weg 1 te Z] (hierna: de
woning).
2.2. Bij de in de buurt gelegen onroerende zaak aan de [b-weg
2 te Z] is medio 1999 een papagaaienverblijf van circa 300 m-
in gebruik genomen, waarin papegaaien en papegaai-achtigen
worden gehouden en gefokt. Deze dieren veroorzaken
geluidsoverlast.
2.3. In opdracht van de Gemeente Nunspeet heeft het
[onderzoeksbureau] in 1999 en 2000 akoestisch onderzoek gedaan
naar de geluidemissie van het voornoemde papegaaienverblijf en
de geluidimmissie op de omliggende woningen, waarvan op 7 juli
2000 een rapport (hierna: het rapport) is opgemaakt. In het
rapport wordt onder de conclusies onder meer het volgende
vermeld:
"(...)
- De omgeving ter plaatse kan worden gekenmerkt als een
rustige tot stille woonwijk, waarbij uit metingen blijkt dat
het achtergrondniveau in de dagperiode ligt tussen de 40 en 45
dB(A).
- Uit geluidmetingen bij de bron en ter plaatse van de gevel
van [b-weg 3] blijkt dat de optredende geluidniveaus berekend
als equivalente geluidniveaus in de dagperiode liggen rond de
LAeq= 53 dB(A). De optredende piekniveaus zijn variabel en
kunnen oplopen tot LAmax= 85 dB(A).
- Eén van de kooien bevat meerdere vogelsoorten. Het geluid
vanuit deze kooi is regelmatig dominant aanwezig boven het
achtergrondniveau van de omgeving. Dit begint en stopt bij de
ochtend- en avondschemering.
- De optredende piekniveaus vanwege de grotere vogelsoorten
liggen in de orde van 30-40 dB boven het achtergrondniveau,
waardoor schrikreacties waarschijnlijk zijn. Uit waarnemingen
ter plaatse blijkt dat pieken boven de 70 dB(A) dagelijks
regelmatig optreden.
- Hoewel de eigenaar serieuze pogingen onderneemt om de hinder
te beperken, kan de conclusie uit bovenstaande naar onze
mening niet anders zijn, dan dat het houden van
papegaaiachtigen in de buitenkooien voor de omgeving forse
hinderlijke geluidniveaus met zich meebrengt. Bij een
beoordeling als zijnde bedrijfsmatig zou op basis van de Wet
milieubeheer in de huidige situatie voor de buitenkooien op
akoestische gronden geen vergunning mogelijk zijn.
(...)"
2.4. Bij beschikking is de waarde van de woning voor het
tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld
op EUR 360.755, welke waarde na daartegen gemaakt bezwaar bij
uitspraak op bezwaar nader is vastgesteld op EUR 319.915. De
waardepeildatum is 1 januari 1999.
2.5. De ambtenaar heeft een op 18 juni 2003 gedagtekend
taxatierapport overgelegd, opgemaakt door [B], taxateur
onroerende zaken, werkzaam bij [taxatiebureau C], in welk
taxatierapport wordt geconcludeerd tot een waarde in het
economische verkeer van belanghebbendes onroerende zaak op de
peildatum van EUR 319.915. Op bladzijde 4, onderaan, van het
taxatierapport is ter zake van de geluidsoverlast het volgende
opgenomen:
"Bij de waardering van de woning is kennis genomen van de
overlast tengevolge van het papegaaienverblijf op de [b-weg
2]. De overlast is ontstaan na 1 januari 1999. Er is geen
reden om de overlast aan te merken als een mutatie ingevolge
artikel 19 van de wet WOZ. Slechts wanneer de overlast is aan
te merken als een specifieke bijzondere omstandigheid is de
staat van de onroerende zaak op 1 januari 2001 bepalend. Er is
hier evenwel geen sprake van een specifieke bijzondere
omstandigheid daar meerdere woningen hiervan overlast (kunnen)
ondervinden."
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van
partijen
3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of
de door de in 2.2. bedoelde papegaaien en papegaai-achtigen
veroorzaakte geluidsoverlast moet worden aangemerkt als een
andere, specifiek voor de onroerende zaak geldende bijzondere
omstandigheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel
c, van de Wet WOZ, als gevolg waarvan de onderhavige
onroerende zaak een verandering in waarde heeft ondergaan.
Indien vorenbedoelde vraag bevestigend moet worden beantwoord
is nog in geschil de omvang van de waardedaling als gevolg van
bedoelde overlast. Belanghebbende stelt de waardedaling op EUR
80.000 moet worden bepaald. De ambtenaar meent daartegenover
dat het waardedrukkende effect van de overlast nihil bedraagt.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke
door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
Voor hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd wordt verwezen
naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal.
3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de
bestreden uitspraak en vermindering van de vastgestelde waarde
van de woning tot EUR 240.000. De ambtenaar concludeert tot
bevestiging van zijn uitspraak op bezwaar.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de
waarde van de onderhavige tot woning dienende onroerende zaak
worden bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaak dient
te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom
daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de
zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in
volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als
waardepeildatum 1 januari 1999.
4.2. [B] voornoemd heeft bij de waardebepaling rekening
gehouden met verkoopprijzen die rondom de peildatum voor
vergelijkbare objecten zijn gerealiseerd. Deze werkwijze sluit
op zich aan bij de bepaling van de onder 4.1. bedoelde waarde.
4.3. De ambtenaar maakt met het door hem overgelegde
taxatierapport alsmede met hetgeen hij overigens heeft
aangevoerd op zichzelf voldoende aannemelijk dat de in
aanmerking genomen waarde van EUR 319.915 naar de staat per 1
januari 1999 niet te hoog is. Op grond van het hierna volgende
had de ambtenaar de waarde van de onderhavige onroerende zaak
echter moeten vaststellen naar de staat per 1 januari 2001,
daarbij rekening houdend met de waardeverminderende invloed
van de onder 2.2 bedoelde geluidsoverlast.
4.4. Artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet
WOZ bepaalt dat indien een onroerende zaak in de twee jaren
voorafgaande aan het begin van het tijdvak waarvoor de waarde
wordt vastgesteld een verandering in waarde ondergaat als
gevolg van een specifiek voor de onroerende zaak geldende
bijzondere omstandigheid, de waarde bepaald wordt naar de
staat van die zaak bij het begin van dat tijdvak, in casu
derhalve per 1 januari 2001.
4.5. Naar het oordeel van het Hof dient de geluidsoverlast in
het onderhavige geval als een dergelijke bijzondere
omstandigheid te worden aangemerkt. Het Hof is voorts van
oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij in deze naar voren
heeft gebracht, waaronder rapport dat hij heeft overgelegd
(zie 2.3.), voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de
onroerende zaak ten gevolge van de geluidsoverlast een
wezenlijke waardeverandering heeft ondergaan.
4.6. Het betoog van de ambtenaar dat in dezen van een
bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 19, eerste lid,
aanhef en onderdeel c, van de Wet WOZ geen sprake is, nu die
omstandigheid - de geluidsoverlast - niet specifiek voor de
onderhavige onroerende zaak geldt maar voor meerdere
onroerende zaken in de omgeving, kan het Hof niet volgen. Uit
de parlementaire geschiedenis blijkt dat artikel 19, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet WOZ ziet op bijzondere
omstandigheden die voor bepaalde nauwkeurig aan te wijzen
objecten tot een grote waardedaling leidt. De bijzondere
omstandigheid behoeft derhalve niet slechts op één object
betrekking te hebben.
4.7. De ambtenaar heeft gesteld dat de waardedrukkende invloed
van de overlast nagenoeg nihil is. Hij heeft daartoe
aangevoerd dat het pand aan de [c-weg 4] op 6 juni 2001 is
verkocht voor EUR 294.957 en dat die verkoopprijs aansluit bij
andere in de wijk gerealiseerde verkoopprijzen. Deze stelling
faalt. Het Hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat -
zoals belanghebbende ter zitting onweersproken heeft gesteld -
ten tijde van de verkoop van voornoemd pand reeds beperkende
maatregelen aan de papegaaienhouder waren opgelegd. Voorts
acht het Hof de gemotiveerde stelling van belanghebbende dat
de huidige bewoners van dat pand bij de aankoop van het pand
niet op de hoogte zijn gesteld van de overlast, welke stelling
belanghebbende ter zitting nader heeft onderbouwd aan de hand
van een schriftelijke verklaring van de huidige bewoners,
geloofwaardig. Aan hetgeen de ambtenaar met betrekking tot het
pand aan de [c-weg 5] heeft aangevoerd gaat het Hof voorbij nu
dat pand op aanzienlijke afstand is gelegen van het
papegaaienverblijf en voorts is afgeschermd door een
tussengelegen pand.
4.8. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende zijn
stelling dat de waardedrukkende invloed van het
papegaaienverblijf moet worden gesteld op EUR 80.000 niet of
althans in ovoldoende mate aannemelijk gemaakt. De enkele
omstandigheid dat [A] van een werkneemster van [taxatiebureau
C], waarvan belanghebbende ter zitting heeft aangegeven
functie noch naam te kennen, telefonisch heeft vernomen dat
zij van laatstgenoemd bedrag "niet van haar stoel viel" is
daartoe onvoldoende.
4.9. Bij gebrek aan eenduidige gegevens met betrekking tot de
omvang van de onderhavige waardedrukkende invloed op
belanghebbendes onroerende zaak, stelt het Hof de waardedaling
in goede justitie vast op EUR 10.000.
4.10. Toepassing van artikel 19, eerste lid, onderdeel c, van
de Wet WOZ leidt in dit geval tot een waarde van
belanghebbendes onroerende zaak per de peildatum 1 januari
1999, bepaald naar de staat van die zaak per 1 januari 2001,
van EUR 309.915.
4.11. Belanghebbendes beroep is gegrond.
5. Proceskosten
Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het
Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op EUR 22
(reiskosten op basis van openbaar vervoer 2e klasse).
6. Beslissing
Het Gerechtshof:
- verklaart belanghebbendes beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;
- vermindert de vastgestelde waarde tot EUR 309.915;
- gelast de ambtenaar het griffierecht van EUR 29 aan
belanghebbende te vergoeden;
- veroordeelt de ambtenaar in de proceskosten van
belanghebbende voor een bedrag van EUR 22, te vergoeden door
de gemeente Nunspeet.
Aldus gedaan op 9 augustus 2004 door mr. Ettema, lid van de
elfde enkelvoudige belastingkamer. De beslissing is op
dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in
tegenwoordigheid van mr. Gankema als griffier.
(J.J. Gankema) (C.M. Ettema)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 augustus
2004
|