FutD - archief

Nummer Fida20042801
Kenmerk Belastingdienst 7 juli 2004 Publicatienummer onbekend
Titel Cijfermatige stand van zaken KB Lux per 7 juli 2004
Samenvatting Fiscaal up to Date heeft de beschikking gekregen over cijferoverzichten waarin in hoofdlijnen de resultaten van het onderzoek van de Belastingdienst naar de microfiches van de KB Lux zijn opgenomen. De overzichten geven de stand van zaken per 7 juli 2004 weer. Verder bevatten de cijferoverzichten nog interessante achtergronden over:
  • De zogenoemde zoeklicht-applicatie.
  • De zogenoemde correctie-applicatie op basis waarvan de inspecteurs aanslagen hebben opgelegd aan belastingplichtigen die ontkenden een bankrekeningen te hebben dan wel die in het geheel geen informatie verstrekten.
  • De wijze waarop de opgelegde aanslagen zijn berekend, uitgesplitst naar de jaren vóór en ná 1994 en voorzien van jurisprudentie over wat als "redelijk" wordt aangemerkt.
  • De omkering van de bewijslast.
Tekst
Belastingdienst

Rekeningenproject (KBL deel) in cijfers

In onderstaande cijferoverzichten is aangegeven wat in
hoofdlijnen de resultaten zijn geweest van het in onderzoek
nemen van renseignementen KBL. Bij de overzichten die de stand
van zaken weergeven per 7 juli 2004 passen enkele toelichtende
opmerkingen.
De cijfers zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid
samengesteld, maar een 100% garantie op juistheid kan vanwege
complexiteit om tot deze informatie te komen niet gegeven
worden.

1) Aard en gebruik van de applicatie waar de cijfers uit
komen

In het rekeningenproject is vanaf de start gewerkt met een
digitale ondersteuning voor het behandelen van de
renseignementen. Naarmate het project vorderde is deze
applicatie vaak aangepast aan de behoefte van de gebruikers.
Nieuwe informatie werd toegevoegd en informatie werd anders
geordend. Ook is sprake geweest van een dagelijks muterende
vastlegging van gegevens. De applicatie geeft een actueel
beeld van een behandeltraject, maar bewaart geen historie.
Ter illustratie: Indien belanghebbende maanden lang geen
informatie verstrekt zal het veelal zo zijn geweest dat in de
applicatie de kwalificatie "weigeraar" was opgenomen.
Veranderde de houding van belanghebbende naar volledige
medewerking dan zal de inhoud van het betreffende veld
overschreven zijn met "meewerker".
De beperkingen van de applicatie brengen dus onder andere met
zich mee dat geen sluitend historisch overzicht geboden kan
worden.

2) In de cijfers opgenomen informatie

2.1) In de doelgroep beperkt
Binnen het rekeningenproject zijn naast de afschriften van
microfiches KBL ook andere renseignementen van buitenlandse
tegoeden in behandeling genomen. De 2 cijferoverzichten
betreffen uitsluiten KBL renseignementen.

2.2) In de tijd beperkt
In het belang van het genereren van de juiste informatie is op
enig moment besloten de omvang van het aantal posten waarvoor
gestuurd werd op het genereren van de relevante informatie te
beperken. De reden voor de sturing lag in de constatering dat
de stand van zaken in veel dossiers niet juist of nier meer
was vastgelegd in de applicatie. Een inhaalslag was nodig om
de cijfers op orde te krijgen. Om deze reden is uit
doelmatigheidsredenen gekozen de doelgroep te beperken tot de
zaken welke binnen het rekeningenproject op 1 juni 2003 nog in
behandeling waren. Die zaken zijn verder gevolgd in hun
afwikkeling. Voor zover na die datum nog renseignementen KBL
in behandeling zijn genomen binnen de Belastingdienst zijn die
posten behandeld buiten het rekeningenproject.

2.3) In de behandeling beperkt (betreft uitsluitend
overzicht 2)

2.3.1 Aanvang behandeling
In het overzicht zijn uitsluitend de posten opgenomen waarvoor
de Belastingdienst in het feitenonderzoek actief
belanghebbende heeft benaderd. In de gevallen waarin bij het
vooronderzoek bleek dat verder onderzoek geen zin had is de
post niet opgenomen in de cijfers.
Het ging hierbij bijvoorbeeld om posten waarbij al snel bleek
dat de oorspronkelijke belanghebbende overleden was en geen
erfgenamen getraceerd konden worden, posten waarbij
belanghebbende naar het buitenland was vertrokken en uit
andere dossiersignalen bleek dat contact met deze
belanghebbende onmogelijk was.
In een aantal gevallen bleek dat posten niet in behandeling
waren genomen voor 1 juni 2003. Die posten zijn na die datum
wel geactiveerd, maar dat is gebeurd buiten het
rekeningenproject. Ze zijn dus niet meer opgenomen in de
applicatie en dus evenmin terug te vinden in het
cijferoverzicht voor zover dat de behandeltrajecten betreft.
(zie ook 2.2)

2.3.2 Meervoudig behandeling
Voor veel renseignementen geldt dat meerdere behandeltrajecten
zijn gestart. Dat is met name gebeurd in de volgende
situaties:
- meerdere rekeninghouders volgens renseignement
- overlijden rekeninghouder en meerdere erfgenamen
- partners.

Teneinde het effect van deze meervoudige behandeltrajecten op
de cijfers te beperken zijn bij de samenstelling van dit
overzicht de volgende behandeltrajecten niet opgenomen.
- Partner, mede rekeninghouder of erfgenaam waarvoor het
behandeltraject identiek verlopen is aan dat van de
ander/anderen, maar waarbij geen aanslag is opgelegd omdat ten
aanzien van deze belanghebbende geen heffingsbelang aanwezig
was. In deze gevallen is altijd minstens 1 behandeltraject per
renseignement wel in het cijferoverzicht verwerkt. Dat is dan
degenen waarbij het financieel belang aanwezig is.
- Partner, mede rekeninghouder of erfgenaam waarvoor het
behandeltraject identiek verlopen is aan dat van de
ander/anderen, maar waarbij een lagere aanslag is opgelegd. In
deze gevallen is het behandeltraject met het hoogste
financiële belang wel in het cijferoverzicht verwerkt.

In de gevallen waarbij de behandeltrajecten op relevante
punten afwijken zijn beide/meerdere behandeltrajecten verwerkt
in het cijferoverzicht. Zo zijn bijvoorbeeld in de situatie
van broer en zus, waarbij de broer volledige openheid van
zaken geeft en de zus medewerking weigert beide
behandeltrajecten verwerkt in de cijfers. Hetzelfde geldt voor
de situatie waarin bij de behandeling van hetzelfde
renseignement de ene belanghebbende erkent over een KBL tegoed
te beschikken waar een ander ontkent.

3) Terminologie

In onderstaande cijferoverzichten is uitgegaan van de volgende
interpretatie van enkele termen:

Behandeltraject: Fiscaal bestuursrechtelijk feitenonderzoek
naar de betrokkenheid van één belanghebbende in relatie tot
één renseignement KBL.

Meewerker: Een belanghebbende die erkent rekeninghouder te
zijn (geweest) van de betreffende KBL rekening, alle vragen
van de Inspecteur volledige beantwoordt en alle gevraagde
gegevens verstrekt.

Weigeraar: Een belanghebbende die op enig moment in het
feitenonderzoek de vragen van de Inspecteur om informatie
en/of gegevens niet (volledig) beantwoordt. Dit kan dus
bijvoorbeeld ook zijn nadat de bankafschriften zijn
overhandigd en de Inspecteur vragen heeft ten aanzien van de
stortingen en onttrekkingen op de rekening.

Ontkenner: Een belanghebbende die ontkent te beschikken over
ene buitenlands tegoed, dan wel in de betreffende 12 jaren de
beschikking te hebben gehad over een buitenlands tegoed.
Hieronder valt ook de situatie dat in eerste instantie een
verklaring is afgelegd dat belanghebbende wel rekeninghouder
is (geweest) maar waarbij die verklaring later is ingetrokken
en gesteld werd dat belanghebbende geen rekeninghouder was
(geweest).

Twijfel aan juiste identificatie: Op basis van beschikbare
feiten en indrukken bestaat twijfel of de juiste persoon is
geïdentificeerd. De echte rekeninghouder is echter tot op
heden niet geïdentificeerd.

Onjuiste identificatie: Op basis van beschikbare feiten en
indrukken bestond twijfel of de juiste persoon was
geïdentificeerd. Na verder onderzoek is de echte
rekeninghouder geïdentificeerd.

4) De cijfers

Hierna zijn twee afloop overzichten opgenomen. Het eerste
overzicht is een overzicht waaruit blijkt hoeveel
gerenseigneerde KBL rekeningen behandeld zijn in het
rekeningen project.

Het tweede overzicht bevat een afloop overzicht van
behandeltrajecten in het rekeningenproject.

4.1) Overzicht 1

--------------------------------------------------------------
Aantal KB Lux rekeningen op een of meer namen            6171
- niet geïdentificeerd                          1939
- wel geïdentificeerd, maar niet behandeld in
rekeningenproject                                317
=                                                    2256
Resteert het aantal KB Lux rekeningen behandeld
in het rekeningenproject                                 3915
--------------------------------------------------------------

4.2) Overzicht 2

--------------------------------------------------------------
Aantal behandeltrajecten                                 3952

Van dit aantal behandeltrajecten is om
de volgende redenen het feitenonderzoek
beëindigd zonder dat een belastingaanslag is
opgelegd

- Volledige openheid van zaken gegeven,
geen heffingsbelang aanwezig                  601
- Belanghebbende niet te vinden                11
- Belanghebbende overleden                     16
- Belanghebbende vertrokken naar  buitenland   29
- Twijfel aan juiste identificatie             20
- Onjuiste identificatie                       18
Totaal                                                    695

Resteert                                                 3257

Waarvan nog in behandeling zonder dat al een
aanslag is opgelegd                                       134

Behandeltrajecten waarin een aanslag is opgelegd         3123

Aantal behandeltrajecten waarbij bezwaar
is gemaakt                                 1198
Waarvan in de doelgroep:
Weigeraar   308
Ontkenner   189
Meewerker   699

Van het totale aantal behandeltrajecten is in 3464 gevallen
(87,7%) door belanghebbende toegegeven dat hij/zij
rekeninghouder is (geweest) van het tegoed bij de KBL naar
aanleiding waarvan de Belastingdienst het feitenonderzoek is
gestart.
--------------------------------------------------------------

Database rekeningenproject

Vanaf het begin van het rekeningenproject werd duidelijk dat
er sprake zou zijn van een massaal proces. Daarom is ten
behoeve van de ondersteuning en voor het genereren van
informatie een database ontworpen, het zogenaamde zoeklicht.
Het zoeklicht is een applicatie die de aanslagregelende
ambtenaar ondersteunde bij het rekeningenproject.
In dit zoeklicht was o.a. de volgende informatie beschikbaar:
- het renseignement: bankrekeningnummer en bedrag op het
renseignement;
- naam, adres, woonplaats en eventuele branche
belastingplichtige;
- competentie eenheid belastingdienst;
- aanslaggegevens, met name van oude jaren (1990-1994)

Vervolgens kan de behandelend Inspecteur aan de slag met het
zoeklicht. In het zoeklicht was het bijvoorbeeld mogelijk om
brieven aan te maken, maar er moesten ook gegevens worden
ingevuld aan de hand waarvan de Belastingdienst een beeld kon
vormen van de belastingplichtige met een buitenlandse
bankrekening. Deze gegevens betroffen o.a.:
- Is belastingplichtige beschreven";
- welke vragenbrieven er zijn verstuurd?;
- Is er geantwoord?;
- Is er sprake van iemand die gegevens verstrekt (meewerker),
dan wel ontkent of informatie weigert?;
- de totale correcties die voortvloeiden uit de overgelegde
gegevens.

Een en ander resulteerde in een door vele belastingambtenaren
gevuld zoeklicht, welk een totaal beeld kan vormen van de
grote groep belastingplichtigen die over een verzwegen
buitenlandse bankrekening beschikte.

Vervolgens  is een aparte applicatie geïmplementeerd. De
bedoeling van deze applicatie was om informatie te verkrijgen
waarop redelijke aanslagen gebaseerd konden worden voor
belastingplichtigen die ontkenden een bankrekeningen te hebben
dan wel die in het geheel geen informatie verstrekten. De
aanslagregelend ambtenaren dienden dit ook in te vullen. Deze
aparte applicatie werd applicatie correcties genoemd.

Voor wat betreft de applicatie correcties waren in oktober
2002 deze cijfers alleen nog aanwezig voor zogenaamde
meewerkers. Voor belastingplichtigen die weigerden informatie
te verstrekken of ontkenden waren toen nog een aanslagen
opgelegd. Meewerkers zijn belastingplichtigen die alle
informatie verstrekken. Daarbij zijn ook de gegevens verwerkt
van belanghebbenden die zich met een beroep op de werking van
art. 67n AWR en/of art. 69a AWR, de zogenoemde inkeerders,
gemeld hebben bij de Inspecteur in verband met het aanhouden
van buitenlandse tegoeden.

In deze applicatie correcties werd o.a. ten behoeve van de
hardheid van de cijfers een vraag opgenomen over de kwaliteit
van de cijfers. Daartoe diende de aanslagregelend ambtenaar te
onderscheiden naar de volgende keuzes:
- vaststellingsovereenkomst gesloten
- getekende afspraak over omvang correcties
- geen getekende afspraak maar overeenstemming omvang
correcties
- geen overeenstemming maar harde correcties volgens
Inspecteur
- geen overeenstemming, omvang correcties onzeker

Verder diende er ingevuld te worden of er zogenaamde
broncorrecties waren. Dat zijn correcties die zijn opgelegd
naar aanleiding van het belasten van de vergaring van het
vermogen in tegenstelling tot correcties betreffende het
rendement op dit vermogen.
Nadat alle vragen en gegevens waren beantwoord c.q. ingevuld
werd het bestand naar een centrale plaats gezonden, waar alle
bestanden werden gevoegd tot één groot bestand.

Door het zoeklicht enerzijds en de applicatie correcties
anderzijds, kon ik verbanden leggen tussen de renseignementen
en de uiteindelijke correcties. Tevens stelde het mij in staat
om statistische cijfers aan deze database te ontlenen o.a. via
het maken van tabellen die een overzicht gaven van bepaalde
relaties tussen de cijfers. Dit inzicht is uiteraard verkregen
uit de gegevens van personen die wel medewerking hebben
verleend en alle gegevens hebben verstrekt. In oktober 2002
moest worden bepaald hoe hoog de correcties dienden te zijn
bij diegenen die niet meewerkten of ontkenden. Twee maanden
later, op 1 januari 2003, zou namelijk de 12-jaarstermijn
terzake van navordering buitenlandse tegoeden zijn verjaard
voor het jaar 1990. Oktober 2002 waren de cijfers van 434
ondernemersposten en 829 particuliere posten verwerkt waarbij
IB correcties waren aangebracht. Dit zijn dus in totaal 1263
belastingplichtigen.
Voor de vermogensbelasting waren 338 posten van particulieren
en 264 posten van ondernemers verwerkt waarbij correcties
vermogensbelasting waren aangebracht. Hierbij zijn de posten
geselecteerd van de vier hardste categorieën, namelijk:
- vaststellingsovereenkomst gesloten
- getekende afspraak over omvang correcties
- geen getekende afspraak maar overeenstemming omvang
correcties
- geen overeenstemming maar harde correcties volgens
Inspecteur

De hoogte van de ingevulde correctiebedragen betreft de
bedragen na verwerking van vrijstellingen en heffingsvrije
bedragen en inclusief eventuele nevencorrecties (bijvoorbeeld
drempel buitengewone lasten gewijzigd etc.).

Uit deze gegevens is het volgende gebleken:
1. Bij een groot aantal rekeninghouders bestond de rekening
ook al in de periode vóór 1994. Indien ik alleen de gevallen
uitselecteer die de Belastingdienst op het spoor is gekomen
door de renseignering (dus exclusief inkeerders) dan betreffen
dit volgens de meest recente gegevens 2320 gevallen. Daarvan
bezat in 2264 gevallen de rekeninghouder ook voor 1 januari
1994 al de rekening, dat is 97,6%. Dit is nog verder te
preciseren naar de diverse jaren daarvoor:
1993: 95,7%
1992: 77,2%
1991: 58,3%
1990: 39,1%
2. Het overgrote deel van de rekeninghouders bezit ook in de
jaren na 1994 nog een buitenlandse rekening. In het volgende
overzicht zijn de cijfers opgenomen welk percentage van de
rekeninghouders in de jaren daarna ook nog over een rekening
beschikte:
1995: 97,8%
1996: 86%
1997: 81%
1998: 76%
1999: 73%
2000: 71%
3. Het saldo dat is vermeld op het microfiche hoeft niet het
saldo te zijn dat in werkelijkheid in 1994 uitstond op naam
van belanghebbende bij de KBL. In een groot aantal gevallen is
gebleken dat een laag saldo op het microfiche een hoge
correctie met zich bracht. Een saldo van f 1.475 op het
microfiche resulteerde bijvoorbeeld in een afschrift met het
vermogen van f 515.633. Uit de tabellen resultaat 95%, waar de
correcties van hoog naar laag zijn weergegeven met daarachter
het saldo zoals dat op het microfiche is vermeld, blijkt dit.
Hieruit valt af te leiden dat een laag renseignementssaldo een
zeer hoge correctie met zich mee kan brengen. Dit kan simpel
worden verklaard. De gang van zaken bij de KBL is als volgt.
De cliënt opent een rekening-courant rekening. Uiteraard wordt
op deze rekening niet veel rendement behaald. Er wordt dan ook
een onderliggende rekening geopend als effectenrekening. In
het openingsformulier is ook vaak sprake van meerdere
rekeningen. Uit de applicatie blijkt dan ook dat in een groot
deel van de gevallen een tweede rekening is geopend.
Vervolgens worden de rentes en dividenden bijgeschreven op de
rekening-courant. Het microfiche vermeldt alleen het saldo van
de rekening-courant en het deposito. Voor wat betreft de gang
van zaken bij de KBL wordt dit bevestigd in de overeenkomsten
zoals deze door de KBL wordt gebruikt. Hierin is sprake van
een contantenrekening en een rekening effectendepot. Ik wil in
dit kader ook noemen de brief van de belgische autoriteiten
waar is vermeld dat de aarde van de betrokken rekening van 5
types kan zijn. Dit impliceert dat als het ene type
rekening is vermeld op het microfiche er ook een ander type
rekening kan zijn. Voor de volledigheid merk ik op, dat
dergelijke systemen ook bij in het binnenland aangehouden
rekeningen niet onbekend zijn. Zo heeft bijv. de Postbank het
systeem, dat aan de normale giro(betaal)rekeningen spaar-
en/of effectenrekeningen gekoppeld kunnen worden, die dan
hetzelfde rekeningnummer dragen als de gewone
giro(betaal)rekening. Het saldo op de betaalrekening geeft dan
ook geen enkel inzicht in het vermogen dat op de gekoppelde
rekeningen staat. Dit betekent dat het saldo dat vermeld staat
op het microfiche geen indicatie geeft over de daadwerkelijke
omvang van het vermogen of de genoten inkomsten.
4. Uitsplitsing voor ondernemers naar branche leverde niets
op: de resultaten waren te divers.
5. Het gemiddeld saldo van de renseignementen van de
meewerkers is f 93.000. Het gemiddeld saldo van de weigeraars
en ontkenners is f 146.000. Deze cijfers betreffen zowel
ondernemers en particulieren tezamen, aangezien de
afzonderlijke cijfers niet veel verschilden.
6. Uitgaande van een grote hoeveelheid microfiches geldt voor
die massa: hoe hoger het saldo van het microfiche is, hoe
hoger de correctie is.
7. De spreiding van de correcties over de jaren vertoont een
dalende trend van 1990 tot en met 1995 en een stijgende trend
van 1996 tot en met 2000. Ik heb het gemiddelde bepaald van
alle meewerkers welk procentueel deel van de totale correctie
in elk jaar viel. Deze verdeling is gemaakt voor ondernemers
en particulieren afzonderlijk en voor vermogensbelasting en
inkomstenbelasting.

Redelijke aanslag: manier van berekening
Als sprake is van omkering van de bewijslast, dan mag de
Inspecteur de aanslag niet naar willekeur vaststellen. Het
dient een redelijke aanslag te zijn. In oktober 2002 diende ik
dus de aanslagen naar redelijkheid te bepalen. Aangezien het
niet te verwachten viel dat als ik alleen 1990 op zou leggen
belanghebbende over de andere jaren alsnog aan zijn
informatieplicht zou voldoen, heb ik de aanslagen over alle
jaren opgelegd.

Wat is nu redelijk? Ik ben uitgegaan van de applicatie
correcties als basis voor mijn correcties en de daaruit te
trekken conclusies. Het lijkt mij dat dit redelijk is,
aangezien ik geen andere bron kan aanboren die mij zicht geeft
op een gemiddelde belanghebbende die in het bezit is van een
buitenlandse bankrekening. De applicatie geeft een beeld van
wat een gemiddelde bezitter van een buitenlandse bankrekening
bezit, in die zin is het te vergelijken met de branche-
informatie zoals die naar voren komt als een gemiddeld cijfer
van een bepaalde branche. Ook daar zitten verschillen in, net
zo als deze ook aanwezig zullen zijn bij buitenlandse
bankrekeninghouders, maar niettemin worden er aanslagen
opgelegd met omkering van de bewijslast die op een gemiddelde
zijn gebaseerd. Zo moest ik mij ook baseren op gemiddelden.
Uitgaande van de cijfers uit de applicatie, maar rekening
houdende met aannames die waarschijnlijk voorkomen, heb ik mij
bij het opleggen van de aanslagen op de volgende
uitgangspunten gebaseerd:

Ten eerste is het gemiddelde saldo van de microfiches bij
weigeraars/ontkenners 1,5 maal hoger dan bij meewerkers. Zie
hiervoor onder 4 database rekeningenproject (93.000:146.000).
Dit lijkt mij ook logisch. Immers, hoe hoger het saldo, hoe
hoger het belang en hoe meer men moet betalen als men
meewerkt. Als je dus op basis van meewerkers corrigeert, moet
je een correctie op de cijfers van meewerkers toepassen om tot
een correctie bij weigeraars/ontkenners te komen. De groep
weigeraars/ontkenners heeft namelijk hogere saldi, dus moet je
ook de correctie hierop aanpassen. Aangezien gemiddeld het
saldo bij weigeraars/ontkenners 1,5 maal hoger ligt is gekozen
om de correctie ook 1,5 maal hoger te stellen.

Ten tweede is het saldo dat op het microfiche staat vaak niet
representatief voor het werkelijke verzwegen bedrag. Onder
punt 2 bij database blijkt namelijk dat achter een klein
renseignementssaldo een hoog daadwerkelijk fiscaal nadeel kan
schuilen. Het individuele renseignementssaldo is daarom niet
geschikt als uitgangspunt voor de in die individuele zaak toe
te passen correctie. Dat heb ik ook niet als uitgangspunt
genomen.

Ten derde dien ik een correctie te bepalen. Waarop kan ik deze
correctie baseren? Het antwoord is dat ik een representatieve
groep bezitters met een buitenlandse bankrekening heb, die ik
daarvoor kan gebruiken, de meewerkers. Daarom ben ik uitgegaan
van een gemiddelde correctie van de groep meewerkers die ik
vermenigvuldig met 1,5 omdat het saldo op het microfiche
gemiddeld 1,5 maal hoger is. Welke correctie moet ik dan
vermenigvuldigen met 1,5? Moet ik mij baseren op de hoogste,
het gemiddeld of de laagste correctie bij de meewerkers? Stel
dat belanghebbende het hoogste verzwegen vermogen heeft alle
weigeraars en ik leg een correctie op van de gemiddelde
correctie bij meewerkers en vermenigvuldig deze met 1,5, dan
zal deze correctie hoogstwaarschijnlijk te laag zijn. Heeft
belanghebbende namelijk het hoogste verzwegen vermogen, dan
zal dit in de buurt moeten liggen van het hoogste bedrag dat
meewerkers hebben verzwegen en bovendien moet dit nog
vermenigvuldigd worden met 1,5. Uitgaande van de
waarschijnlijkheid dat de hogere bedragen niet worden
toegegeven (het saldo op het microfiche is tenslotte bij
weigeraars 1,5 maal hoger), ben ik uitgegaan van een zodanige
correctie dat 95% van alle correcties bij meewerkers kleiner
zijn. Ik heb dus de 5% hoogste correcties bij meewerkers
geëlimineerd, omdat ik ervan uitgegaan ben dat ook bij
meewerkers sprake is van uitschieters die belanghebbende dan
zouden benadelen.

Ten vierde dien ik de berekende totale correctie te verdelen
over de jaren afzonderlijk. De totale correctie voor de jaren
1990-2000 voor belanghebbende is bepaald via de formule 95%
norm van de bepaalde groep waarin hij valt
(ondernemers/particulieren) vermenigvuldigd met 1,5. Ik heb nu
dus de totale correctie 1990-2000 voor IB en VB berekend. Ik
heb deze totale correctie over de jaren verdeeld via de
gemiddelden van de diverse jaren van de meewerkers, zie
hierboven onder punt 7 database.

Ten vijfde heb ik verschil gemaakt tussen de microfiches met
een saldo boven de f 500.000 en de microfiches met een saldo
lager dan f 500.000. Uitgaande van een in beginsel onvolledig
saldo per datum op het microfiche acht ik de kans groter dat
ik over het werkelijke saldo beschik naarmate dit saldo hoger
is. Voor de groep met een saldo onder de f 500.000 gold
bovenstaande berekening. Voor de groep boven de f 500.000 (in
casu is hiervan geen sprake) is een methode gehanteerd,
waarbij het vermogen van 31/1/1994 contant is gemaakt naar een
vermogen per eind 1989. Dit vermogen wordt geacht belegd te
zijn geweest in 12 maanddeposito's. Het rendement op de 12
maandsrente voor termijndeposito's vertoonde een stevige
daling. Daarom acht ik het aannemelijk dat belanghebbende
gezocht heeft naar een andere risicomijdende beleggingsvorm
met een hoog rendement. Die mogelijkheid bestond in het vierde
kwartaal van 1994 in de vorm van staatsobligaties NL met een
looptijd van 5 tot 8 jaar. Om die reden is bij de berekening
van het rendement op het vermogen vanaf 1-1-1995 uitgegaan van
het rendement op die staatsobligaties.

Op deze manier is dus voor alle weigeraars dezelfde correctie
voor IB en VB berekend, waarbij alleen gedifferentieerd is
naar particulier en ondernemer en saldi boven en onder de f
500.000. Uitgaande van het feit dat ik volgens heersende
jurisprudentie de redelijkheid van de aanslag aannemelijk dien
te maken, acht ik mij daarin geslaagd. Ik word hierin
bevestigd door een voorbeeld in de praktijk. Er zijn diverse
gevallen, waarbij iemand eerst heeft geweigerd informatie te
verstrekken en toen toch op een later moment de gegevens wel
heeft verstrekt. In eerste instantie waren er echter
correcties opgelegd met inachtneming van bovenstaande
uitgangspunten. Vervolgens konden er wel aanslagen worden
opgelegd die overeenkomstig de daadwerkelijke gegevens zijn.
Uit navraag voor 1990, 1997 en 1999 blijkt dat dan van de 6
correcties inkomstenbelasting en vermogensbelasting slechts
één correctie lager uitviel, de andere waren allen hoger. De
bevestiging hiervan is in een brief aan mij bevestigd.

Redelijke aanslag: motivering

Ik heb de aanslag dus bepaald via gegevens van
bankrekeninghouders in het buitenland die alle informatie
hebben verstrekt. Mijns inziens is dit de enige manier waarop
de aanslagen kan onderbouwen. In de jurisprudentie vind ik
daarin ook steun.

Op 16 januari 2004 is de voorlopige voorzieningenrechter van
de belastingkamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch in
een casus betreffende de gevolgen van aanslagen van het
rekeningenproject voor de Ziekenfondswet tot de volgende
conclusie gekomen:
"terwijl voorts naar het voorlopige oordeel van de
Voorzieningenrechter niet kan worden gezegd dat de Inspecteur
deze navorderingsaanslagen naar willekeur danwel tot
willekeurige bedragen heeft opgelegd" (kenmerk Hof Nr.
03/02555).

Op 2 maart 2004 heeft de voorzieningenrechter van het
Gerechtshof Amsterdam in een soortgelijke casus en ook
betreffende het rekeningenproject als hierboven besloten dat:
"de Inspecteur niet willekeurig of onredelijk handelt door
bij het opleggen van (navorderings)aanslagen uit te gaan van
geschatte bedragen aan verzwegen inkomsten en die geschatte
bedragen te berekenen als op de wijze als kort uiteengezet
onder 3.3 hierboven" (kenmerk Hof 04/0393) 3.3 behandelt
op dezelfde manier van berekenen zoals hierboven beschreven.

Ook heeft het Hof Arnhem op 12 februari 2002, VN 2002/20.1,7
bepaald dat een bijtelling die is gebaseerd op
ervaringscijfers van de Belastingdienst niet onredelijk is.

Voor wat betreft de 1,5 norm zou ik mede willen verwijzen naar
de noot onder de uitspraak van het Hof 's-Gravenhage van 14
januari 2004 waarin de redactie van het Vakstudie nieuws (VN
2004/20.5), in het geval de bewijslast is omgekeerd,
overweegt: "geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de
Inspecteur bij die schatting een lichte afronding naar boven
maakt".

De redelijke aanslag: jaren voor 1994
In de vragenbrief is gevraagd om alle gegevens van
buitenlandse bankrekeningen vanaf 1 januari 1990, dan wel er
is een boekenonderzoek aangekondigd waarbij gevraagd is om
alle afschriften van binnen- en buitenlandse bankrekeningen.
De omkering van de bewijslast geldt dus voor alle jaren. Het
is voor mij niet te herleiden in welk jaar de rekening is
geopend. Hiervoor is de medewerking van de belanghebbende
vereist, die deze echter weigert te verlenen. Bij gebrek aan
deze medewerking moet ik mij baseren op gegevens, die aan de
database zijn ontleend. Het is de vraag of in 1990 de rekening
al bestond. Uit de gegevens van de database blijkt, dat in een
groot deel van de gevallen de rekening al in de periode vanaf
1990 aanwezig was. Ik verwijs naar hierboven onder database
punt 1, waaruit blijkt dat in 1990 30% van de rekeninghouders
al in het bezit was van een buitenlandse bankrekening. Voor de
jaren 1991-1993 stijgt dit percentage fors.

Het microfiche heeft een saldo per ultimo januari 1994. Het
saldo op het microfiche betekent in ieder geval dat er een
vermogen ter hoogte van dit bedrag aanwezig is in 1994. Het is
zeer onwaarschijnlijk dat dit saldo op 30 januari 1994 gestort
is op deze rekening. Het saldo moet in de loop der jaren zijn
opgebouwd. Er zal dus zeker een saldo aanwezig zijn geweest in
1993. Ik acht het ook onwaarschijnlijk dat het in 1994 ter
beschikking staande vermogen belanghebbende niet ook al in
1990-1992 ter beschikking stond, mede gelet op de gegevens uit
de database. Voorts wijs ik op het feit dat, zoals ik hiervoor
al heb vermeld, het saldo zoals dat op het microfiche staat
waarschijnlijk veel lager is dan datgene wat in werkelijkheid
uitstond bij de KBL. Ik verwijs naar punt 2 onder database
hierboven. Hiervan uitgaande zou het saldo dus hoger moeten
zijn, waardoor de mogelijkheid dat in meerdere jaren dan in
1993 de rekening al bestond, groter wordt. Om een groter saldo
op de rekening te krijgen zal men immers langer bezig zijn dit
tegoed te vergaren. Gezien het feit dat er sprake is van
omkering van de bewijslast moet ik alleen aannemelijk maken
dat belanghebbende ook al de jaren voor 1994 over een
buitenlandse bankrekening beschikte. Ik ben van mening dat ik
daar in ben geslaagd.

Voor de volledigheid verwijs ik naar de in het arrest van de
Hoge Raad van 16/06/1999, BNB 2002/373, opgenomen en
bevestigde uitspraak van het Hof Arnhem. In die uitspraak
beschikte de Inspecteur over inlichtingen uit Duitsland dat
belanghebbende in 1986 een rekening bezat. De Inspecteur
belastte in 1991 8% van het gehele vermogen  (rekeningsaldo),
hoewel dit gehele bedrag in 1986 door de belanghebbende in
contanten was opgenomen van de rekening. De belanghebbende kon
of wilde niet vertellen c.q. aannemelijk maken waar het geld
gebleven was. In deze uitspraak is beslist dat er inkomsten
tot het door de Inspecteur aangenomen bedrag waren genoten
over dit vermogen, hoewel het 4 jaar daarvoor in contanten was
opgenomen. Doorslaggevend was, dat over deze 4 jaar voor het
Hof (en de Inspecteur) geen duidelijkheid werd verschaft over
de vraag waar het geld was gebleven.

Indien ik de feiten in deze zaak bezie, is hier van een
vergelijkbaar feitencomplex sprake. Hier belast ik niet de
jaren nadat het vermogen was opgenomen, maar de jaren voordat
het vermogen zichtbaar voor mij op een rekening staat. Is het
zo dat in genoemde zaak belanghebbende nog een verweer voerde,
in casu voert belanghebbende geen enkel verweer. Bovendien
wordt belanghebbende door het Hof in die casus verweten dat
hij geen bewijzen van een beweerde afgifte van het geld ter
rugdekking heeft achtergehouden. Het Hof overweegt:
"dat het onvoorstelbaar is dat iemand als belanghebbende
zich, indien zijn beweringen juist zijn, niet op één of andere
wijze van - ook na een groot aantal nog deugdelijke -
rugdekking zou hebben voorzien. Door aldus te handelen moet de
bewijsnood waarin hij thans is komen te verkeren volledig voor
zijn risico komen".
In die casus komt de bewijsnood bij belanghebbende te liggen
omdat hij geen bewijzen had geëist van de afgifte van het
geld.
In het onderhavige geval reageert belastingplichtige niet op
vragen van de Inspecteur. Ook op geen andere mogelijke wijze
doet belanghebbende ook maar iets om te bewijzen dat hij geen
rekeninghouder is. Hij zwijgt doodeenvoudig en weigert te
antwoorden. De belanghebbende geeft geen gegevens over het
jaar waarvan vaststaat, dat hij een rekening heeft (1994),
maar hij weigert ook gegevens te verstrekken over de opening
(enig jaar voor 1994) en het verdere verloop na 1994. Door
geen antwoord te geven op de vraag wanneer de rekening is
geopend, voldoet belanghebbende niet aan zijn
informatieplicht. Het ligt immers op zijn weg om deze
informatie over te leggen. Door dit niet te doen, en tevens
geen enkel initiatief te ontplooien, komt hij in bewijsnood.
Deze bewijsnood heeft hij aan zichzelf te wijten en komt voor
zijn risico.

Ik word voor wat betreft de mogelijkheid om het gegeven dat
een rekening bestaat in 1994 te laten terug werken naar
eerdere jaren ook gesteund door HR 19/03/1997 BNB 1997/162.
Het Hof Amsterdam onderkent hier een patroon van o.a.
reiskosten in een niet gecontroleerd jaar dat overeenkwam met
een later jaar dat wel was gecontroleerd. Het Hof achtte op
basis daarvan extrapolatie naar het eerdere jaar
gerechtvaardigd. De omstandigheid dat het onderzoek niet was
gericht op het betreffende boekjaar stond niet in de weg aan
een overeenkomstige correctie. Gezien het patroon, dat blijkt
uit de database, bij rekeninghouders die wel informatie hebben
verstrekt acht ik extrapolatie en terugwerking naar een eerder
jaar op zijn plaats.

Verdere bevestiging en extrapolatie naar de jaren voor 1994
vind ik ook in het arrest van de Hoge Raad gepubliceerd in BNB
2002/324. Dit arrest is er één van de zogenoemde
speelautomaten jurisprudentie. De Inspecteur constateerde een
significante omzetstijging vanaf 1 augustus 1996. Dit was
reden voor hem om in 1992-1996 ook te corrigeren. In casu is
er sprake van het opduiken van een buitenlandse bankrekening,
wat vergelijkbaar is met een significante omzetstijging. Het
is dan net zo vanzelfsprekend dat in de jaren voor 1994 ook
rente is genoten als dat het vanzelfsprekend is dat in de 4
jaar voor de omzetstijging omzet is verzwegen. Hierbij komt
nog dat in BNB 2002/324 belanghebbende het een en ander
inbrengt tegen de correcties van de Inspecteur. In casus geeft
belanghebbende geen enkele informatie, noch geeft hij
tegenargumenten.

Geen aangiftebiljetten
Ik beschik niet over alle aangiften over alle gecorrigeerde
jaren. Dit speelt geen rol bij de bepaling van het tarief,
aangezien ik via de resultatennota het tarief en
belastingvrije som heb kunnen bepalen. Er is rekening gehouden
met de rentevrijstelling. Over de hoogte van het tarief kan
daarom geen geschil zijn.

Variant 1??????????

Weliswaar heeft de toenmalige staatssecretaris in de MvT bij
het invoeren van artikel 16 lid 4 toegegeven dat de bewijslast
of iets wel of niet is aangegeven niet bij de
belastingplichtige kan worden gelegd, maar dit is in casu
anders. In dit geval is er namelijk sprake van omkering van de
bewijslast. De bewijslast wordt derhalve al rechtens bij
belastingplichtige gelegd, zodat dit afwijkt van de gevallen
waar de uitlatingen van de staatssecretaris op zagen.

Het risico dat de Belastingdienst niet meer beschikt over
gegevens betreffende de aangifte mag mijns inziens niet worden
gelegd bij de belastingdienst. Ik word hierin gesteund door
het arrest van de Hoge Raad, gepubliceerd in BNB 1993/330,
waar de Inspecteur geen inkomensbron behoefde te noemen om een
storting op een bankrekening te belasten. In de Wet op de
Inkomstenbelasting is een bron cruciaal om tot heffing te
komen. Dit geldt ook voor een aangifte. Uit het arrest blijkt
dat de bron, en dus ook het biljet, misbaar zijn. Ik heb
aannemelijk gemaakt dat de rente niet is aangegeven, dan wel
de bewijslast hiervoor ligt bij belanghebbende. Als vervolgens
dan het aangiftebiljet ontbreekt betekent dit geenszins dat de
rente niet belast kan worden. Ik beschik namelijk over het
belastbaar inkomen en de hoogte van de correctie is bekend.
Meer gegevens zijn niet noodzakelijk om tot een juiste aanslag
te komen. Wattel stelt in zijn noot onder FED 1994/45,
dezelfde zaak als BNB 1993/330 dat:
"Onder het regime van de omkering eist de Hoge Raad ook
niet van de Inspecteur dat hij aangeeft uit welke wettelijke
bron het door hem vermoede niet-aangegeven inkomen vloeide
(zie r.o. 3.9). De Hoge Raad vind kennelijk dat eventuele
onduidelijkheid daarover door de belanghebbende had moeten
worden voorkomen door een betere aangifte te doen of door
alsnog ten processe opheldering te verschaffen over de
herkomst van het ter beschikking gestaan hebbende geld".
In casu is er geen onduidelijkheid over de bron, maar over het
aangiftebiljet en/of de bankrekening is aangegeven. Het ligt
op de weg van belanghebbende om de gegevens te verstrekken,
waarna een vaststelling van de aanslag kan volgen, ook zonder
aangiftebiljet.

De redelijke aanslag: jaren na 1994
Uit de database blijkt (zie onder database punt 2) dat het
overgrote deel van de rekeninghouders die wel informatie
verstrekken ook in de jaren na 1994 nog beschikken over een
rekening. Het is dus aannemelijk dat de rekeninghouder ook na
1994 nog over een buitenlandse rekening beschikt.

Voor de jaren na 1994 heeft hetzelfde hierboven genoemde
arrest BNB 20028/373 te gelden. Nu is dit arrest echter nog
meer van toepassing, omdat de uitspraak handelde over ene jaar
dat gelegen was na de ontdekking van een buitenlandse
bankrekening. Ik verwijs naar de betreffende passage over de
jaren voor 1994.
Het arrest BNB 1997/162 is hierop ook van toepassing. Volgens
dat arrest is extrapolatie naar het verleden toegestaan. Ik ga
ervan uit dat belanghebbende zijn gedrag niet heeft gewijzigd,
want daar is geen aanleiding voor. Bovendien blijkt uit de
database dat het overgrote deel van de rekeninghouders ook na
1994 over een buitenlandse bankrekening blijft beschikken.
Tevens geeft belanghebbende daar zelf geen enkele indicatie
voor, zodat ik ervan uit mag gaan dat er van een
gedragswijziging geen sprake is.

Aardema behandelt in zijn noot onder BNB 1995/247 de
extrapolatie. Voor extrapolatie naar latere jaren stelt hij"
"Tenslotte denk ik dat een onbetrouwbare boekhouding eerder
tot de gevolgtrekking leidt dat latere jaren dan ook wel mis
zullen zijn, dan eerdere jaren. Ik stoel die gedachte op mijn
mistroostige argwaan, dat belastingplichtigen misschien ooit
wel eens een keer beginnen met slecht te worden, maar daar dan
vervolgens niet spoedig weer mee zullen ophouden".

Tevens wil ik verwijzen naar een arrest gepubliceerd in VN
2004/14.3 dat feitelijk veel overeenkomsten vertoont met de
onderhavige casus. Als bewijsstuk gold hier een op naam van de
echtgenote van belanghebbende gestelde machtiging uit 1992 met
betrekking tot een zwitserse bankrekening. De aanslag 1995
werd op basis hiervan en op basis van twee verschillende
verklaringen gecorrigeerd naar het bedrag dat overeenstemde
met het bedrag dat een anonieme tipgever had genoemd. Ondanks
het feit dat de andere verklaring niet anoniem was en een veel
lager bedrag noemde, was het Hof (hierin bevestigd door de
Hoge Raad) van oordeel in rechtsoverweging 5.7 dat de
schatting van de Inspecteur "weliswaar hoog is, maar niet te
hoog".

De redelijke aanslag 1994
Het microfiche dateert uit 1994. In 1994 heb ik aangetoond dat
er sprake is van een niet-aangegeven buitenlandse
bankrekening. De rente daarover is niet aangegeven. Zelfs
indien er geen sprake is van omkering van de bewijslast, heb
ik via de normale bewijslastverdeling aannemelijk gemaakt dat
de bankrekening bij de KBL is verzwegen. Het microfiche en de
identificatie vormen hiervoor de bewijsstukken. Het is
algemeen bekend dat op de bankrekeningen rente wordt
bijgeschreven. Via de normale bewijslastverdeling heb ik dus
al aannemelijk gemaakt dat er een bijtelling dient plaats te
vinden. Eventueel kan dan toch omkering van de bewijslast
volgens omdat de vereiste aangifte niet is gedaan (zie
omkering bewijslast).
De redelijkheid van de aanslag maak ik dan aannemelijk via de
uitkomsten van de database en de redenering zoals ik die
hierboven heb weergegeven onder manier van berekening.

Variant 1

De gemachtigde stelt dat ik niet aannemelijk kan maken wat
niet is aangegeven in deze jaren. Stelt belanghebbende daarmee
dat de rente voor XX wel is aangegeven in het biljet? Het kan
niet van tweeën één zijn: of het is aangegeven, of niet. Als
belanghebbende stelt dat het niet is aangegeven, dan lijkt mij
dat duidelijk. Als belastingplichtige stelt dat de inkomsten
uit de bankrekening wel zijn aangegeven, maar op een gegeven
moment niet meer, dan is dat op zijn zachtst gezegd onlogisch.
Het is namelijk zo onwaarschijnlijk om eerst aangifte te doen
van een buitenlandse bankrekening en vervolgens niet meer, dat
het op de weg ligt van belanghebbende om dit te bewijzen.
Verder is het ook nog zeer toevallig te noemen dat met ingang
van het jaar waarover ik niet beschik over het aangiftebiljet,
ook geen aangifte meer wordt gedaan van de bankrekening.
Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag in het
aangiftebiljet of er sprake is van  buitenlandse
bankrekeningen.
Datum 20040707