| Tekst |
Arrondissementsrechtbank te Breda
meervoudige kamer
11 december 2003
Nr. 02/003498-01
VONNIS
In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van
justitie in het arrondissement Breda tegen:
X;
geboren (xx-xx-xxxx),
wonende te Z.
heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende
vonnis gewezen.
De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak
onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de
officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is
gebracht door de verdachte en de raadsman.
2. De tenlastelegging.
De verdachte staat terecht, terzake dat (...) hij in of
omstreeks de periode van 1 september 1995 tot en met 30 april
2000 (...), althans in Nederland, (telkens) opzettelijk, (een)
bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) voor de
inkomstenbelasting over de/het ja(a)r(en) 1994 en/of 1995
en/of 1996 en/of 1997 en/of 1998 en/of 1999, onjuist en/of
onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens)
opzettelijk, op dat/die bij de Inspecteur der belastingen te
Utrecht, althans bij de belastingdienst ingeleverde
aangiftebiljet(ten) over bovengenoemde ja(a)r(en), (telkens)
een te laag belastbaar inkomen opgegeven, terwijl daarvan
(telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting
zou kunnen worden geheven en/of terwijl dat/die feit(en) er
(telkens) toe strekt/strekken dat te weinig belasting wordt
geheven.
3. De geldigheid van de dagvaarding.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de
dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig
is.
4. De bevoegdheid van de rechtbank.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van
het ten laste gelegde kennis te nemen.
5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte moet worden
vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd, subsidiair
dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden
verklaard in zijn vordering.
Gelet op de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van
Strafvordering zal de rechtbank zich eerst dienen uit te laten
over de ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Gesteld wordt, kort samengevat, dat het door justitie
verkregen bewijsmateriaal uit België als onrechtmatig moet
worden beschouwd, hetgeen niet-ontvankelijkheid van de
officier van justitie met zich brengt.
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Vastgesteld kan worden dat door de bevoegde Belgische
autoriteiten een spontane gegevensuitwisseling heeft
plaatsgevonden aan de FIOD-ECD te Haarlem overeenkomstig de
Richtlijn van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse
bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het
gebied van de directe belastingen (Richtlijn 77/799/EEG). In
casu is derhalve sprake van een rechtsgeldige overdracht van
documenten. Met de uit België afkomstige gegevens heeft het
opsporingsonderzoek in Nederland een aanvang genomen.
De uit België afkomstige gegevens bestaan uit kopieën van
microfiches waarop gegevens voorkomen van Nederlanders die een
rekening zouden hebben bij de Kredietbank Luxembourg te
Luxemburg (hierna KB Lux).
De Nederlandse rechter is in beginsel niet gehouden de
rechtmatigheid van de verkrijging van die gegevens door de
buitenlandse autoriteiten te onderzoeken. Er mag op vertrouwd
worden dat een verdragsstaat zijn opsporingsbevoegdheden in
overeenstemming met de verdedigingsrechten van het Europese
Verdrag voor de Rechten van de Mens zal uitoefenen. Dit is
slechts anders indien er sterke aanwijzingen zijn dat die
verdragsnormen zijn geschonden en wel zodanig dat door een
mogelijk gebrek in de rechtmatigheid van het
opsporingsonderzoek verdachte is geschaad in een belang dat de
geschonden norm beoogt te beschermen.
De rechtbank is van oordeel dat niet uit te sluiten is dat een
dergelijke schending zich hier voordoet. Gelet hierop zal de
rechtbank zelf de rechtmatigheid van die gegevens moeten
beoordelen.
Onder de voorhanden zijnde stukken bevindt zich namelijk een
verslag van het Vast Comité van Toezicht te Brussel d.d. 27
juli 1999 betreffende een toezichtonderzoek naar de wijzen
waarop door politieambtenaren gehandeld werd bij het ontvangen
en het gebruik van de informatie aangaande KB Lux. Uit dit
verslag blijkt, kort samengevat, dat in het onderhavige geval
de Belgische strafrechtrichtlijnen niet werden toegepast en
dat de wijze waarop terzake gehandeld werd als onbehoorlijk en
ondoelmatig moet worden beschouwd.
Dit duidt op onrechtmatig optreden aan de zijde van de
Belgische opsporingsfunctionarissen. Dat zulks hierop duidt,
blijkt onder meer ook uit het vonnis van de Correctionele
Rechtbank van Hasselt van 30 april 2003, dat zich in het
dossier bevindt.
Ook de schriftelijke reactie op het naar aanleiding van een
door de rechtbank te Amsterdam gewezen interlocutoir vonnis
van 12 september 2002 gedane rechtshulpverzoek aan de
Belgische autoriteiten, biedt geen duidelijkheid over de wijze
waarop de Belgische justitie en belastingdienst de in geding
zijn microfiches hebben verkregen. Uit een brief van 3 maart
2003 van A. van Oudenhove, procureur-generaal bij het Parket
bij het Hof van Beroep te Brussel, volgt dat van de zijde van
België geen nadere duidelijkheid verschaft kan worden en ook
niet te verwachten is.
In het geval sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen
bewijs, zou beoordeeld moeten worden of die onrechtmatigheid
van dien aard is dat daarop een processuele sanctie past. De
meest vergaande sanctie, de niet-ontvankelijkheid van het
openbaar ministerie, kan ingevolge vast jurisprudentie slechts
volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op de
beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust
of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte
aan dienst recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is
tekortgedaan.
De rechtbank is, alles afwegende, niet gebleken dat het
Nederlandse justitieapparaat gehandeld heeft in strijd met de
beginselen van een behoorlijke procesorde. Gelet op genoemde
Richtlijn mocht justitie uitgaan van de rechtmatigheid van de
uit België afkomstige gegevens.
De vraag of die gegevens bij de bewijsvoering meegenomen mogen
worden, is van geheel andere orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen
omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de
officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn
vordering worden ontvangen.
6. Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor
schorsing der vervolging gebleken.
7. Vrijspraak en de gronden daarvoor
Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van
de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan
verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden
vrijgesproken.
Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen hiervoor onder 5
is overwogen met betrekking tot de ontvankelijkheid van de
officier van justitie.
Vastgesteld moet worden dat er krachtige aanwijzingen zijn die
duiden op onrechtmatig verkregen bewijs aan de zijde van de
Belgische opsporingsautoriteiten. Gelet op de omstandigheid
dat niet te verwachten is dat nadere informatie beschikbaar
komt teneinde de rechtmatigheid te kunnen beoordelen, dienen
de uit België afkomstige bescheiden, zijnde kopieën van de
microfiches, uitgesloten te worden voor het bewijs.
Met betrekking tot hetgeen verdachte is tenlastegelegd
overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte is uitsluiten tenlastegelegd, kort gezegd, het
verzwijgen van (rente-)inkomsten bij de aangiften
Inkomstenbelasting. Niet tenlaste is gelegd het doen van een
onjuiste aangifte voor de vermogensbelasting.
De rechtbank acht, tegenover de ontkennende verklaring van
verdachte, de verklaringen van de getuigen (...) onvoldoende
om tot een wettig en overtuigend bewijs te komen dat
rente-inkomsten zijn verzwegen. Uit die verklaringen en uit de
in de woning van verdachte aangetroffen aantekeningen kan naar
het oordeel van de rechtbank niet vastgesteld worden dat
verdachte in de periode van 1994 tot en met 1999 een rekening
met daarop een tegoed heeft gehad bij de KB Lux waaruit hij
rente-inkomsten zou hebben genoten.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat, wat er ook zij
van de aangetroffen microfiches, deze uitsluiten gegevens
bevatten over de op 31 januari 1994 bestaande situatie.
Geen gegevens zijn verstrekt over de jaren 1995 en volgende.
Gelet op hetgeen hierover is overwogen dient verdachte te
worden vrijgesproken.
8. De beslissing
RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.
Zij verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn
vordering.
Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte is ten laste
gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr.
Peters en mr. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van de
griffier Van den Goorbergh en is uitgesproken ter openbare
terechtzitting op 11 december 2003, zijnde mr. Peeters buiten
staat dit vonnis te ondertekenen.
|